Publicatiedatum: 3 juli 2020
Universiteit: Universiteit Utrecht
ISBN: 978-94-6380-818-7

THE DEVIL IS IN THE PROCESS

Samenvatting

Media-aandacht omtrent de Europese Unie (EU) gaat vooral naar grote, belangrijke kwesties zoals Brexit en de migratiecrisis van 2015. Dit is echter niet de kern van wat de EU doet. Ambtenaren en politici in Brussel houden zich vooral bezig met wetgeving. In de meeste gevallen wordt over deze wetten onderhandeld, binnen het kader van de gewone wetgevingsprocedure, tussen de Europese Commissie, het Europees Parlement (EP) en de Raad van de Europese Unie (Raad). Hoewel het Verdrag van Lissabon voor deze gewone procedure een ingewikkeld stelsel met drie lezingen in de instellingen voorschrijft, is deze procedure gedurende de laatste twee decennia (steeds vaker) vervangen door zogenaamde “trilogen”: een informeel institutioneel kader waarbinnen de betrokken instellingen achter gesloten deuren onderhandelen. Tussen 2014 en 2019 zijn 99% van de wetten binnen de gewone wetgevingsprocedure aangenomen via zogenoemde “early agreements” na de eerste of vroeg in de fase van tweede lezing. Daarmee zijn zij het resultaat van onderhandelingen in trilogen.

In eerste instantie beschrijft het begrip “triloog” de daadwerkelijke bijeenkomst tussen vertegenwoordigers van de instellingen. Echter, het omvat tegenwoordig, en dus ook in dit proefschrift, veelal het gehele onderhandelingsproces. Dit proces begint met het geven van een formeel mandaat door de instellingen en eindigt met een ontwerpakkoord, dat tot slot door het hele EP en de Raad moet worden goedgekeurd. Aangezien trilogen een centrale plek innemen in het dagelijks werk van ambtenaren en politici in de EU, is het verrassend dat de kennis over trilogen nog altijd erg beperkt is. Sterker nog, het fenomeen triloog staat vooral bekend als een “black box”: een ondoorzichtige, institutionele procedure die achter gesloten deuren plaatsvindt en waar niet-direct betrokkenen weinig tot geen grip op hebben (Reh, 2014; Laloux, 2019; Roederer-Rynning en Greenwood, 2020).

Het onderzoek naar trilogen in de afgelopen twee decennia leverde al belangrijke inzichten op, maar er bestaan nog altijd veel vragen over onderhandelingen in trilogen, met name wat betreft het onderhandelingsproces. Dit proefschrift levert een bijdrage aan het uit de schaduw halen van dergelijke onderhandelingsprocessen in trilogen en toont hoe deze onderhandelingsprocessen plaatsvinden en invloed hebben op de resulterende wetgeving.

Het boek bestaat uit 10 hoofdstukken die opgedeeld kunnen worden in drie delen. Deel een introduceert de onderzoeksvraag, het theoretische kader en de methodiek die gebruikt worden om een antwoord op de onderzoeksvraag te kunnen vinden. Deel twee omvat de empirische analyse, gepresenteerd in vier verschillende casestudies. Deel drie vat de bevindingen van het empirisch onderzoek samen, beantwoordt de hoofdvraag en toont welke implicaties het onderzoek heeft voor zowel andere, gerelateerde academische vragen als ook de politiek-bestuurlijke praktijk. Tot slot worden alle hoofdstukken kort samengevat en de belangrijkste inzichten uitgelegd.

Deel 1 – Introductie, Theorie en Methode
Dit proefschrift zoomt in op het onderhandelingsproces in trilogen en onderzoekt in hoeverre het uiteindelijke resultaat, namelijk Europese wetgeving, wordt beïnvloed door de manier waarop onderhandelingen zich voltrekken. De hoofdvraag van dit proefschrift luidt:
Hoe beïnvloedt het onderhandelingsproces in trilogen de uitkomsten van wetgevingsprocessen in de Gewone Wetgevingsprocedure?

Om tot een antwoord te komen op deze hoofdvraag, verkent dit proefschrift drie deelvragen waar bestaand onderzoek naar trilogen, tot nu toe, nauwelijks naar heeft gekeken. De eerste deelvraag betreft het verloop en de impact van de sociale interacties tussen actoren tijdens het onderhandelingsproces. Hoewel reeds bekend is wie de actoren zijn die in trilogen onderhandelen, weten we nog weinig over de processen van sociale interactie zodra het onderhandelingsproces in trilogen is begonnen. Proces- en interactie-benaderingen naar onderhandelingen tonen echter aan dat interacties kunnen verschillen, waardoor verschillende processen van onderhandelingen ontstaan.

Ten tweede weten we al langer uit onderzoek dat trilogen niet alleen informele onderhandelingen zijn. Door de jaren heen hebben trilogen zich ontwikkeld tot een complexe institutionele structuur. Zo zijn er verschillende routes (“institutional venues”) ontstaan om te onderhandelen, waartussen de zeggenschap en de status van de onderhandelingspartners varieert. Een black box blijft echter het ontstaan en gebruik van deze verschillende institutionele structuren tijdens trilogen en de redenen voor variatie. Hier zoomt deelvraag twee op in.

Tot slot staat dit proefschrift, via deelvraag 3, stil bij het karakter van de interactie tijdens de onderhandelingen. De manier waarop onderhandelaars met elkaar interacteren is al lang een belangrijk onderzoeksthema, zowel binnen als buiten de EU (Elgström & Jönsson, 2000; Hopmann, 1995; Warntjen, 2010). Theoretisch gezien verwachten we dat onderhandelingen in trilogen een coöperatief karakter kennen, maar het is onbekend of dit in de praktijk zo is. Dit proefschrift onderzoekt in hoeverre dit het geval is en welke factoren het karakter van interacties in trilogen beïnvloeden.

De drie deelvragen die centraal staan in dit onderzoek zijn:
1) Hoe interacteren onderhandelaars in trilogen?
2) Welke institutionele structuren/kaders worden gebruikt in triloogonderhandelingen en waarom?
3) Welke onderhandelingsaanpak/strategie observeren we in trilogen, en hoe wordt die bepaald?

Hoofdstuk 1 introduceert deze deelvragen nader, waarna hoofdstuk 2 inzoomt op het bestaande onderzoek naar trilogen, dat samengevat kan worden in zes verschillende stromen. Stroom 1 omvat onderzoek naar het ontstaan van trilogen als gevolg van de groeiende invloed van het EP in het wetgevingsproces, waar trilogen vooral een experiment van institutionele innovatie waren. Onderzoek in stroom 2 focust op de redenen voor betrokken instellingen om voor trilogen te kiezen in plaats van de lange(re) wetgevingsprocedure. Dit blijkt niet alleen een kwestie van efficiëntie, ook de verhouding tussen de onderhandelaars en hun rol gedurende het proces zijn bepalende factoren in de keuze voor het wel of niet overgaan tot trilogen. Stromen 3 en 4 bevatten onderzoek dat zich richt op de gevolgen van trilogen, zowel voor het gehele wetgevingssysteem als binnen de instellingen zelf, zoals het EP en de Raad. Dit soort onderzoek laat zien dat het EP heeft geprobeerd zijn eigen invloed te vergroten via trilogen, terwijl er binnen de instellingen tevens een verschuiving van macht heeft plaatsvonden. Vooral de vertegenwoordigers binnen trilogen – dus het raadsvoorzitterschap voor de Raad en de rapporteur voor het EP – hebben hierdoor aan invloed gewonnen, ten koste van andere lidstaten en parlementsleden. Vragen over transparantie staan centraal in stroom 5, waarin onderzoek zich richt op de democratische kwaliteit van trilogen. Ondanks het beperkte aantal studies in deze stroom, zijn het toch vooral deze vragen die in het publieke debat over trilogen van groot belang zijn.

Tot slot bevat stroom 6 onderzoek dat kijkt naar het onderhandelingsproces an sich. Onderzoek met een expliciete focus op het onderhandelingsproces is pas in de afgelopen 10 jaar ontstaan en is tot nu toe vaak beschrijvend van aard gebleven. Zo toonden Roederer-Rynning en Greenwood (2015) dat trilogen niet alleen maar een serie van bijeenkomsten zijn, maar een complexe structuur kennen met drie dominante niveaus. Van formeel naar informeel zijn dit: “Politieke trilogen”, oftewel de formele triloog-bijeenkomsten, “technische trilogen”, waar politici het werk delegeren aan hun ambtenaren en medewerkers en waarin vaak over een groot deel van de wet wordt onderhandeld, en tot slot de “informele, (vaak) bilaterale bijeenkomsten” tussen de centrale actoren. Dit proefschrift stelt tevens het onderhandelingsproces centraal en situeert zich daarmee in stroom 6. Dit onderzoek bouwt voort op het bestaande, beschrijvende onderzoek, onder andere door bestaande theorieën over onderhandelingen toe te passen op trilogen, te testen en aan te vullen met nieuwe praktijkinzichten.

Hoofdstuk 3 zet het theoretische kader voor dit onderzoek uiteen. Het presenteert een analysemodel voor de studie van trilogen als zijnde onderhandelingen met vier aparte onderdelen: (1) het resultaat, (2) het proces, (3) de structurele factoren en (4) het institutionele kader.

Onderdeel 1, het resultaat, wordt in deze studie beoordeeld op basis van de volledigheid van het onderhandelingsresultaat, een concept dat vooral ontwikkeld is en gebruikt wordt in de literatuur over conflictbeslechting. De volledigheid van een resultaat wordt geconceptualiseerd op basis van een viervoudige indeling. De twee politieke factoren zijn (a) in hoeverre de oorspronkelijke posities van verschillende actoren terug zijn te vinden in het uiteindelijke resultaat en (b) de tevredenheid met het resultaat van de belangrijke actoren. Deze politieke factoren worden aangevuld met twee juridische factoren: (c) wat is de rechtskracht van de verschillende oorspronkelijke posities die terug te vinden zijn in het resultaat en (d) wat is de juridische deugdelijkheid van de wet. Zo ontstaat een viervoudige indeling om de wetten uit de vier casestudies te beoordelen.

Om te kunnen analyseren in hoeverre het onderhandelingsproces, onderdeel 2, invloed heeft op het resultaat, deelt dit onderzoek trilogen conceptueel op in drie factoren: (1) het onderhandelingsproces zelf, (2) structurele factoren en (3) institutionele factoren. Deze indeling komt voort uit een combinatie van drie verschillende theoretische perspectieven op onderhandelingen: (a) proces- en interactiebenaderingen, (b) structurele benaderingen en (c) institutionele analyses.

Onderzoek vanuit (a) een procesbenadering laat zien dat de interactie tussen onderhandelaars belangrijk is voor het al dan niet creëren en voortduren van onderlinge relaties, die vervolgens van invloed zijn op het resultaat. Volgens bestaande literatuur blijken vooral de frequentie en intensiteit van de sociale interactie van belang. Een hoge “interaction intensity” (interactie-intensiteit) kan het vertrouwen tussen de onderhandelaars verhogen, met positieve gevolgen voor het verdere verloop en resultaat van het onderhandelingsproces.

Naast de intensiteit van sociale interacties vormen de onderhandelingsarena’s, “de institutional venues”, een belangrijk tweede aspect van het onderhandelingsproces in trilogen. Bij trilogen zien we drie hiërarchisch georganiseerde niveaus, te weten: politieke trilogen, technische trilogen en informele, bilaterale onderhandelingen. Eerder onderzoek toont aan dat de arena-keuze een verandering in het onderhandelingsproces met zich meebrengt (Checkel, 2005; Conceição-Heldt, 2006; Elgström & Jönsson, 2000; Lewis, 2010). Het hiërarchisch niveau van onderhandelingen – en dus de arena – blijkt tevens een van de meest bepalende factoren voor het onderhandelingsgedrag (Ocran, 1984). Zo vinden onderhandelingen over Europese wetgeving vooral plaats in technische trilogen, aangezien zij vaak vragen om technische kennis over zeer specifieke onderwerpen, waarbij verschillende politieke, administratieve en hiërarchische niveaus meedoen. Een informele, bilaterale onderhandeling is, in dit geval, een minder geschikte en logische keuze.

De manier van onderhandelen, de “negotiation mode”, vormt het derde belangrijke aspect in een onderhandelingsproces. Bestaand onderzoek maakt gebruik van verschillende labels om het karakter van een onderhandeling te beschrijven. Deze labels laten zich rangschikken op een schaal tussen competitieve onderhandelingen aan de ene kant en coöperatieve onderhandelingen aan de andere kant, zoals confronterende, competitieve of harde onderhandelingen aan de ene kant, en herverdelende, integrerende en coöperatieve onderhandelingen aan de andere kant (Cutcher-Gershenfeld & Kochan, 2015; Greenhalgh & Chapman, 1998; Irmer & Druckman, 2009; Ocran, 1984; L. Thompson, 1990; Thompson et al., 2010). Voor de volledigheid van het resultaat is de manier van onderhandelen van enorm belang (Druckman, 1997; Hopmann, 1995; Irmer & Druckman, 2009; L. Thompson, 1990). Hoe coöperatiever een onderhandeling, hoe vollediger het resultaat, omdat onderhandelaars de posities en wensen van hun tegenhanger serieus nemen en bereid zijn deze in een overeenkomst te integreren.

Naast het proces zijn in een analyse van onderhandelingen ook structurele factoren en de institutionele omgeving van belang. Structurele factoren omvatten de posities en macht van de actoren en de relevantie en het karakter van de vraagstukken in een onderhandeling. Zowel deze factoren als ook de institutionele omgeving zijn meegenomen in deze studie. Weliswaar ligt de focus van dit onderzoek op het onderhandelingsproces, maar een analyse van onderhandelingen in trilogen zou niet volledig zijn als de andere factoren niet meegenomen worden. Voor een visueel overzicht van het analysemodel en de conceptualisatie van trilogen in de EU-praktijk, zie figuur 5 in hoofdstuk 3.

Uit de zojuist geschetste conceptualisatie vloeien negen hypothesen voort om (1) de sociale interactie tussen de onderhandelaars, (2) de arena gebruikt voor de onderhandelingen, (3) de manier van onderhandelen en (4) het onderhandelingsresultaat te onderzoeken:

Hypothese 1: Hoge intensiteit van sociale interactie leidt tot delegatie van onderhandelingen naar lagere hiërarchische niveaus.
Hypothese 2: Hoge intensiteit van sociale interactie door coalitievorming tussen onderhandelaars leidt tot informalisering van onderhandelingen.
Hypothesis 3: Hoge intensiteit van sociale interactie leidt tot coöperatieve vormen van onderhandeling.
Hypothese 4: Onderhandelingen op lagere hiërarchische niveaus leiden tot coöperatieve vormen van onderhandeling.
Hypothesis 5: Informalisering van onderhandelingen leidt tot coöperatieve vormen van onderhandeling.
Hypothesis 6: Onderhandelingen op lagere hiërarchische niveaus leiden tot een hogere juridische deugdelijkheid in het resultaat.
Hypothesis 7: Informalisering van onderhandelingen leidt tot lagere tevredenheid met het resultaat.
Hypothesis 8: Coöperatieve vormen van onderhandeling in informele arena’s leiden tot een sterkere integratie van oorspronkelijke posities in het resultaat.
Hypothesis 9: Coöperatieve vormen van onderhandeling op lagere hiërarchische niveaus leiden tot een hogere mate aan rechtskracht.

Hoofdstuk 4 introduceert de onderzoeksmethodiek en sluit daarmee deel één van het boek af. Om het onderhandelingsproces zorgvuldig te kunnen analyseren is gekozen voor de methodiek van “process tracing”. Process tracing maakt het mogelijk om zowel vragen over het ‘waarom’ als het ‘hoe’ te beantwoorden, omdat het de causale condities die een resultaat mogelijk maken blootlegt (Blatter & Haverland, 2014). Process tracing kan verschillende onderzoeksdoelen dienen, zoals het “testen” of “formuleren” van theorieën (Beach en Pedersen, 2013). Dit onderzoek heeft het eerste doel, het testen van een theorie, waarbij bestaande theorieën over trilogen en onderhandelingen aan de hand van de hypothesen worden getoetst. Voor een zorgvuldige process tracing analyse is een brede en gecombineerde basis aan bronnen belangrijk, zodat bevindingen over het proces via verschillende vormen van observatie belicht en onderbouwd kunnen worden. Blatter en Haverland (2014) opperen hiervoor drie (opeenvolgende) vormen van observatie: (1) het presenteren van een volledig verhaal, dat wordt aangevuld met (2) “smoking-gun evidence” als zijnde overtuigende signalen dat de veronderstelde causale verhoudingen bestaan en dat wordt gestaafd met (3) bekentenissen uit interviews met betrokkenen.

Dit onderzoek voldoet aan deze voorwaarden door twee hoofdbronnen van data te combineren, namelijk (1) documenten omtrent het onderhandelingsproces en (2) 43 interviews met betrokkenen die toegang hadden tot het onderhandelingsproces, verspreid over alle drie de instellingen. De documenten omvatten wetgevingsvoorstellen, algemene aanpakken van de Raad, zogenoemde “presidency reports”, ontwerpverslagen en verslagen van rapporteurs alsmede voorgestelde wijzingen door andere parlementsleden. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van zogenoemde “four column documents”. Dit zijn onderhandelingsdocumenten die de instellingen gebruiken tijdens het onderhandelingsproces om veranderingen en vooruitgang bij te houden. Deze tussentijdse procesnotities zijn daardoor bijzonder geschikt en waardevol voor het begrijpen van het onderhandelingsproces.

Dit onderzoek spitst zich toe op vier casussen, die gekozen zijn op basis van twee verschillende factoren: (1) de machtsrelatie tussen de verschillende onderhandelaars en hun betreffende instellingen en (2) de relevantie van de wet waarover onderhandeld wordt.

De keuze viel op vier wetgevingsprocessen:
a) De verordening betreffende de invoering van tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne,
b) De richtlijn betreffende de detachering van werknemers,
c) De verordening betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, en
d) De verordening inzake de governance van de energie-unie en de klimaataanpak.

Hoofdstuk 4 geeft gedetailleerd inzicht in zowel de keuze van casussen als de gebruikte data.

Deel 2 – Empirisch Onderzoek
Hoofdstukken 5 tot en met 8 omvatten elk een gedetailleerde analyse van een casus. Qua opbouw zijn de vier hoofdstukken gelijk: allereerst wordt het voorstel van de Europese Commissie toegelicht. Daarna volgt een overzicht van het totstandkomingsproces van het onderhandelingsmandaat, zowel in de Raad als in het EP. Dan volgt een uitgebreide beschrijving van het onderhandelingsproces aan de hand van de drie analyse-onderdelen, te weten: (1) intensiteit van sociale interactie, (2) gehanteerde onderhandelingsarena en (d) de manier(en) van onderhandelen. Hieronder volgt een korte toelichting van de hoofdinzichten per casus.

Hoofdstuk 5 beschrijft de verordening over de invoering van handelsmaatregelen voor Oekraïne. Deze casus toont een lage intensiteit van sociale interactie, waardoor weinig tot geen vertrouwen tussen de onderhandelaars kon ontstaan. Dit heeft ook te maken met een gebrek aan coalitievorming. De instellingen gaven de voorkeur aan onderhandelingen via de politieke triloog, wat ook verklaart waarom we geen variatie zien in onderhandelingsarena. Als gevolg van de keuze voor de politieke triloog, valt de manier van onderhandelen voornamelijk te kenmerken als “confronterend” en zien we geen coöperatief gedrag bij de onderhandelaars. Wat betreft het onderhandelingsresultaat blijken de hypothesen slechts gedeeltelijk correct: terwijl we relatief weinig oorspronkelijke posities terugzien in het resultaat, en ook de tevredenheid laag is, blijkt de juridische kwaliteit hoog. Deze bevinding valt onder andere te verklaren door het feit dat de onderhandeling in kwestie relatief kort duurde en de verordening niet erg complex was.

Hoofdstuk 6 analyseert de vorming van een richtlijn betreffende de detachering van werknemers; één van de belangrijkste onderhandelingen de afgelopen jaren. De onderhandelingen kenmerken zich door een hoge mate aan intensiteit in de sociale interactie en ook door de beslissing bij de start om niet over te gaan tot technische trilogen. Ook toont de analyse een samenhang tussen de intensiteit van de sociale interactie en de arena-keuze: de hoge intensiteit van interactie zette aan tot informalisering. Daarnaast was een verandering in de manier van onderhandelen zichtbaar, alhoewel opviel dat de meer coöperatieve manier van onderhandelen in informele arena’s niet werd overgedragen naar de politieke trilogen. Hierdoor bleef de invloed op het onderhandelingsresultaat beperkt: minder dan de helft van de oorspronkelijke posities zijn terug te vinden in het eindresultaat. De actoren bleken er echter wel tevreden mee. Deze casus laat daarmee zien dat het onderhandelingsproces de tevredenheid over het onderhandelingsresultaat niet op de manier beïnvloedt als verwacht. De juridische kwaliteit was wel laag, zoals verwacht gezien de veronderstelde causale relaties en het gebrek aan technisch trilogen.

Hoofdstuk 7 behandelt de verordening betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen. Voor het eerst hebben we hier te maken met een onderhandelingsproces dat alle mogelijke arena’s omvat, waarbij onderhandelingen zowel in politieke trilogen, in technische trilogen als in informele bijeenkomsten plaatsvinden. Dit komt mede door de complexe en technische aard van de verordening. We zien in het onderhandelingsproces een hoge intensiteit van sociale interactie, evenals verschillende manieren van onderhandelen. De hoge intensiteit van interactie heeft het verwachte gevolg: het vergrootte het vertrouwen, zowel op technisch niveau als tussen de hoofdactoren. Ook heeft de interactie invloed op de arena-keuze, waarbij veel onderwerpen gedelegeerd werden naar het technische niveau en naar informele onderhandelingen. Ook wat betreft de manier van onderhandelen is er een opmerkelijke dynamiek te zien: in technische trilogen en informele bijeenkomsten is er voornamelijk coöperatief gedrag, terwijl in politieke trilogen de onderhandelaars hoofzakelijk confronterend onderhandelden. Wat betreft het onderhandelingsresultaat zijn vele van de onderzoekshypothesen bevestigd. Zo leiden delegatie naar lagere hiërarchische niveaus en coöperatieve onderhandelingen tot hogere kwaliteit op zowel politiek als juridisch vlak. Daarentegen blijkt dat de confronterende manier van onderhandelen in politieke trilogen weinig invloed heeft op de kwaliteit van het onderhandelingsresultaat.

Hoofdstuk 8 analyseert het onderhandelingsproces voor de verordening inzake de governance van de energie-unie en de klimaataanpak. De analyse toont aan dat de causale relaties grotendeels werkten zoals verwacht. De intensiteit van interactie, ook hier voor een groot deel bepaald door onderliggende posities, heeft duidelijk invloed op de manier van onderhandelen, zowel in technische trilogen als in bilaterale, informele onderhandelingen. Verder blijkt dat de arena-keuze ook beïnvloed wordt door de sociale interactie: alleen door een hoge intensiteit van interactie werden informele, bilaterale onderhandelingen tussen de twee hoofdactoren mogelijk. Deze casus plaatst echter ook enkele vraagtekens bij de theoretische verwachtingen. Met name in politieke trilogen hadden was hier, ook op basis van de sociale interactie, een coöperatieve manier van onderhandelen verwacht. De praktijk laat echter een hoge mate aan institutionalisering van politieke trilogen zien. Wat betreft het onderhandelingsresultaat, is circa de helft van de belangrijke thema’s niet is opgelost via een compromis, maar kon de ene of de andere kant duidelijk de eigen positie doorzetten. Daarnaast is het resultaat hoge juridische kwaliteit, wat te verklaren valt door zowel de hoge intensiteit van interactie als de grote hoeveelheid technische trilogen.

Deel 3 – Bevindingen
Na de behandeling van de vier empirische casussen volgt in hoofdstukken 9 en 10 een samenvattende analyse en het antwoord op de onderzoeksvraag. De studie richtte zich op het beantwoorden van de vraag hoe het onderhandelingsproces in trilogen de Europese wetgeving beïnvloedt. Door allereerst het proces van onderhandelingen conceptueel te scheiden van andere factoren en vervolgens vier verschillende triloogonderhandelingen te analyseren, was het mogelijk om de specifieke invloed van het proces te identificeren. De analyse laat zien dat wat betreft de eerste belangrijke factor, sociale interactie, de interactie tussen rapporteur en voorzitter van de Raad het belangrijkst is. Deze interactie wordt bepaald door zowel de posities van deze actoren als de voorkeuren wat betreft het proces, oftewel de “procedural preferences”.

Verder laat de analyse zien dat trilogen, zoals verwacht, plaatsvinden in drie verschillende arena’s voor onderhandelingen: politieke trilogen, technische trilogen en informele onderhandelingen, maar dat niet alle onderhandelingen er ook daadwerkelijk gebruik van maken. In tegenstelling tot de verwachtingen, heeft de intensiteit van sociale interactie geen invloed op het al dan niet overgaan tot onderhandelingen op lagere hiërarchische niveaus. Een hoge intensiteit van sociale interactie leidt wel tot meer informalisering. De analyse toont verder dat het onderscheid tussen politieke en technische thema’s ambigu is, en dat de beslissing ‘welke vragen het beste in welk forum kunnen worden besproken’ in elke onderhandeling opnieuw moet worden genomen.

Een derde belangrijk aspect van het onderhandelingsproces vormt de manier van onderhandelen, oftewel de “negotiation mode”. De verwachtingen hierover worden bevestigd in de analyse: de manier van onderhandelen wordt beïnvloed door de sociale interactie alsmede de arena voor onderhandelingen.

Bij aanvang identificeerde dit onderzoek vier indicatoren voor de volledigheid van een wet: (1) de mate waarin oorspronkelijke posities terug te vinden zijn in het eindresultaat, (2) de tevredenheid met het resultaat, (3) de rechtskracht van posities en (4) de juridische deugdelijkheid. De analyse laat drie causale verbanden zien die het onderhandelingsresultaat en het onderhandelingsproces aan elkaar koppelen. Zo is de mate waarin oorspronkelijke posities in het resultaat terugkomen, gerelateerd aan de intensiteit van sociale interactie tussen de hoofdonderhandelaars. Ook zien we dat door een hoge mate van intensiteit in de sociale interactie de informalisering van onderhandelingen toeneemt. Dit komt doordat de vertrouwensrelatie tussen de actoren groeit, wat op zijn beurt aanzet tot informalisering. Omdat de onderhandelingen verschuiven richting een hiërarchisch lagere en meer informele arena, verandert ook de manier van onderhandelen: actoren tonen meer coöperatief gedrag. Daardoor neemt, zoals verwacht, het aantal oorspronkelijke posities dat terugkomt in het onderhandelingsresultaat tevens toe.

De analyse toont ten tweede een causaal verband tussen de rechtskracht van oorspronkelijke posities die zijn terug te vinden in de uiteindelijke wet en de delegatie van onderhandelingen richting hiërarchisch lagere niveaus. Terwijl het verwachte verband tussen sociale interactie en deze vorm van delegatie niet bevestigd is, had delegatie wel het verwachte effect. Door over te gaan tot onderhandelingen op lagere niveaus verandert de manier van onderhandelen namelijk ook: we zien meer coöperatief gedrag. De combinatie van coöperatief gedrag op hiërarchisch lagere niveaus leidt tot een hogere rechtskracht van posities in het onderhandelingsresultaat. Terwijl coöperatief gedrag op hoog politiek niveau vooral gericht is op het vinden van enige mate van compromis, toont de analyse dat er op lagere niveaus daadwerkelijk gewerkt wordt aan oplossingen die alle posities terug laten komen in de uiteindelijke wet.

Ten derde toont de analyse een verband tussen de juridische deugdelijkheid en de onderhandelingsarena’s. Ook hier zien we dat delegatie van onderhandelingen naar lagere niveaus een positief effect heeft op de kwaliteit. Door de delegatie besteden actoren namelijk meer tijd aan het onderhandelen en hebben de actoren vaak meer technische kennis van het onderwerp.

Concluderend toont deze analyse dus aan dat het onderhandelingsproces inderdaad invloed heeft op het onderhandelingsresultaat. Vooral de delegatie van onderhandelingen naar zowel lagere als meer informele arena’s blijkt buitengewoon belangrijk te zijn. De keuze voor delegatie wordt, op zijn beurt, beïnvloed door de (intensiteit van) sociale interactie. Het onderhandelingsproces in trilogen heeft dus onmiskenbaar invloed op Europese wetgeving: het proces telt! Alhoewel de ‘black box’ rondom trilogen nog niet helemaal weggenomen is, vervangt dit onderzoek een hoop onduidelijkheid door waardevolle inzichten die gestoeld zijn op de praktijk. Bovendien biedt deze studie voldoende aanknopingspunten voor het zetten van volgende stappen in het verkennen van onderhandelingen in trilogen.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten