Publicatiedatum: 27 maart 2025
Universiteit: Vrije Universiteit Amsterdam

PATIENT CENTERED MANAGEMENT OF ANTERIOR SHOULDER INSTABILITY

Samenvatting

Dit proefschrift is tot stand gekomen met als doel meer inzicht te krijgen in patiëntgerichte zorg van anterieure schouderinstabiliteit. In hoofdstuk 1 werd een algemene introductie gegeven op het onderwerp schouderinstabiliteit, de pathofysiologie daarvan en de huidige conservatieve en chirurgische behandelopties. Tevens worden in hoofdstuk 1 de onderzoeksvragen van dit proefschrift gepresenteerd.

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de patiëntperspectieven rondom de conservatieve en chirurgie behandelmethoden, middels online focusgroepen. Belangrijk aan deze studie was dat het in gesprek gaan met patiënten zorgprofessionals veel inzichten kan geven over hoe een patiënt een behandeling ervaart en welke onderwerpen wel en niet belangrijk gevonden worden. De belangrijkste bevinding was dat patiënten die behandeld waren voor schouderinstabiliteit vier onderwerpen het meest benoemden, namelijk angst voor recidiverende schouderdislocatie, preoperatieve begeleiding, communicatie tussen (orthopedische) chirurgen en fysiotherapeuten en de behoefte voor een consistent postoperatief revalidatieprotocol. Hoofdstuk 3 bouwt verder op de resultaten van de studie die in hoofdstuk 2 gepresenteerd zijn, met name de angst die patiënten met (een voorgeschiedenis van) schouderinstabiliteit ervaren zowel voor als na de behandeling. Er was tot aan de start van deze studie nog geen schaal die de bewegingsangst van patiënten met schouderinstabiliteit in kaart brengt. Daarvoor vroegen we aan de schouder gespecialiseerde fysiotherapeuten en orthopedisch chirurgen of ze wilde meedenken met het aanpassen van de TAMPA schaal voor kinesiofobie, origineel ontwikkelt voor patiënten met chronische lage rugpijn. Daaruit kwam een 18-delige vragenlijst voort die in de MATASI TRIAL (hoofdstuk 8) gevalideerd zal gaan worden. Met deze vragenlijst kunnen zowel patiënten als zorgprofessionals mogelijk meer grip op het onderwerp krijgen en hebben ze daarmee een eerste diagnostische tool in handen voor het diagnosticeren van deze bewegingsangst.

Hoofdstuk 4 geeft een kritisch overzicht van de huidige literatuur omtrent het chirurgisch beleid op het moment dat een patiënt recidiverende instabiliteit heeft na een eerste artroscopische labrum repair (ALR). Daarbij werd een secundaire ALR vergeleken met een secundaire open benige reconstructie (OBR). Tevens werd gekeken hoe die uitkomsten zich verhielden tot een primaire OBR. De belangrijkste bevinding van deze studie was dat een primaire OBR betere uitkomsten liet zien dan wanneer een OBR uitgevoerd was na een ‘gefaalde’ primaire ALR.

In hoofdstuk 5 wordt gekeken naar welke factoren voorspellend zijn voor geen terugkeer naar sport na een artroscopische Bankart repair (ABR). Dit was belangrijk om te onderzoeken omdat in de huidige literatuur 3-40% van de patiënten niet of niet succesvol terugkeert naar sport na een ABR, waarbij succesvolle terugkeer vaak gedefinieerd wordt als een terugkeer naar hetzelfde of een hoger niveau van sport. De uitkomst was dat botverlies van het glenoid en bovenhands gebruik van de schouder tijdens werk voorspellend waren dat patiënten niet terugkeerden naar sport na een ABR. Kijkend naar de voorspellende factoren voor geen succesvolle terugkeer naar sport, waren dat preoperatieve Body Mass Index (BMI) en preoperatief professioneel niveau van sport. Daarentegen werden ook twee factoren gevonden die juist voorspellend waren voor een succesvolle terugkeer naar sport, dat waren een zogenaamde ‘Anterior Labral Periosteal Sleeve Avulsion’ (ALPSA) en een benige Bankart laesie.

Hoofdstuk 6 presenteert de resultaten van een vergelijkbare studie als in hoofdstuk 5, echter gaat het om een vorm van OBR, een open Latarjet procedure. Er werden geen prognostische factoren gevonden die voorspellend zijn voor geen terugkeer naar sport. Desalniettemin onthulde het wel dat atleten die deelnamen aan sporten waarbij de schouder veel belast wordt door bovenhandse bewegingen, botsingen, en plotselinge stops, vaker niet terug konden keren naar sport.

Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de redenen van patiënten om niet terug te keren naar sport na een ABR en OLP, de meest uitgevoerde operaties voor de behandeling van schouderinstabiliteit. De aanleiding hiervoor was dat het voor deze studie niet duidelijk was wat de reden was dat 3-40% van de patiënten in de huidige literatuur niet terugkeren. Deze studie liet zien dat het merendeel van de patiënten die niet terugkeert (70%) na deze operaties dat doet door een redenen die niet schouder functie afhankelijk is, zoals angst voor (recidiverende) schouderdislocaties, gebrek aan motivatie of een verandering in persoonlijke prioriteiten.

In hoofdstuk 8 werd het protocol voor een multicenter gerandomiseerde nationale studie (RCT) gepresenteerd, de MATASI TRIAL. In die RCT zal gekeken worden naar het effect van angst reducerende nabehandelingsmethoden op de kinesiofobie van patiënten met schouderinstabiliteit, zoals naar voren kwam in de studie gepresenteerd in hoofdstuk 2. Meerdere Nederlandse ziekenhuizen en klinieken zullen meedoen aan deze studie, waar ongeveer 100 patiënten voor nodig zijn blijkt uit de sample size berekening. De primaire uitkomst is angst voor (recidiverende) dislocatie en dit zal op 6 weken, 12 weken, 24 weken en 48 weken bekeken worden. Daarnaast zal er op 48 weken een functionele Magnetic Resonance Imaging (MRI) gemaakt worden, de zogeheten functionele hersenscan, waarbij hersenactiviteit gemeten wordt. In hoofdstuk 9 wordt verder ingegaan op de inhoud van het nabehandelingsprotocol waar de ‘experimentele’ groep mee zal revalideren.

Hoofdstuk 9 gaat over de studie die onderzocht heeft welke modaliteiten er in het rehabilitatieprotocol moeten zitten volgens internationale schouderexperts. In een viertal rondes werd gevraagd welke interventies als belangrijk werden geacht, wat na die rondes door de onderzoekers is omgevormd naar een consensus rehabilitatieprotocol (REPRO-protocol). In dit protocol is specifiek aandacht voor angst reducerende vormen van behandeling, aangezien het in de studies van hoofdstuk 2, 7 en in toenemende mate in de recente literatuur naar voren komt dat patiënten deze angst ervaren.

In hoofdstuk 10 wordt teruggekeken op alle uitgevoerde studies naar patiëntgerichte zorg van schouderinstabiliteit in dit proefschrift. De onderzoeksvragen van de introductie worden beantwoord, er wordt gereflecteerd op het onderwerp en er worden aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek. Dit samen schetst het toekomstig perspectief van onderzoek naar de zorg van schouderinstabiliteit.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten