Deel dit project
Physical (in)activity, nutritional status and muscle status in older adults
Samenvatting
Ouder worden wordt gekenmerkt door een toename van ziekten, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en geriatrische syndromen. Een gezondheidsdomein dat specifiek van belang is voor ouderen is de spierstatus. Spierstatus kan gemeten worden door de spiermassa, spierkracht en de fysieke prestaties te beoordelen. Een slechte spierstatus, gedefinieerd door beperkingen of tekorten in de kwaliteit en kwantiteit van de spier, kan al optreden voordat er daadwerkelijk functionele problemen zijn. De beoordeling van de spierstatus kan daarom dus gebruikt worden als een “signaalmeting” om zo individuen op te sporen die risico lopen op functionele problemen en het verlies van onafhankelijkheid.
In het algemeen is het bekend dat ziekten en geriatrische syndromen kunnen worden voorkomen, vertraagd of zelfs behandeld door middel van een gezonde levensstijl, bijvoorbeeld door het minimaliseren van sedentair gedrag (zitten of liggen), door fysiek actief te zijn en door een gezond dieet aan te houden om zo een goede voedingsstatus te behouden. Het doel van mijn proefschrift was om verschillende aspecten van de relatie tussen objectief gemeten sedentair gedrag, fysieke activiteit, voedingsstatus en spierstatus in verschillende ouderen populaties te beschrijven. Allereerst in relatief gezonde ouderen, gevolgd door ouderen opgenomen in de geriatrische revalidatie. Begrip van deze relaties kan toekomstige interventie studies informeren hoe spierstatus kan worden behouden, wat een voorbode is voor het behoud van functioneren, onafhankelijk leven en actief meedoen in de maatschappij.
Deel I, het objectief meten van sedentair gedrag en fysieke activiteit, was gericht op het onderzoeken van de relaties tussen objectief gemeten sedentair gedrag en fysieke activiteit met mortaliteit (Hoofdstuk 2) en spierstatus (Hoofdstuk 3). Onze systematische literatuuronderzoeken lieten zien dat een objectief laag gemeten hoeveelheid van sedentair gedrag en een hoge hoeveelheid fysieke activiteit geassocieerd zijn met minder mortaliteit en een betere spierstatus bij thuiswonende ouderen. In een algemene populatie vonden wij dat associaties tussen objectief gemeten sedentair gedrag en fysieke activiteit en spierstatus afhankelijk waren van leeftijd (Hoofdstuk 4). In volwassenen van jong tot middelbare leeftijd vonden wij een relatie met handknijpkracht, terwijl in ouderen een associatie met loopsnelheid werd gevonden. Zowel de volwassenen van jong tot middelbare leeftijd, als de ouderen, konden hun fysieke activiteit niet nauwkeurig inschatten, wat het belang van objectieve meetmethoden onderstreept.
Deel II, de objectieve beoordeling van de voedingsstatus, was gericht op het in kaart brengen van het vóórkomen van ondervoeding en hoe ondervoeding geassocieerd is met spierstatus. Volgens één van de nieuwste definities voor ondervoeding, de ESPEN 2015 definitie, was de prevalentie van ondervoeding afhankelijk van de kenmerken van de bestudeerde populatie. De prevalentiecijfers werden hoger, naarmate de kwetsbaarheid van de populatie toenam (Hoofdstuk 5). Bovendien bleek in Hoofdstuk 6 dat ondervoeding geassocieerd is met een lagere spierkracht en fysieke functie. Het beschrijven van de relaties tussen ondervoeding en spierstatus valideren het gebruik van deze objectieve meetmethode van ondervoeding in de klinische praktijk.
Deel III, de objectieve beoordeling van spierstatus, keek naar de trajecten en beoordeling van maten die spierstatus meten. De ontwikkeling van spierstatus maten over tijd werd beschreven door verschillende tests voor spierstatus te gebruiken. Zo werd er gebruik gemaakt van een tandem stand test, een loopsnelheid test, de zit-sta-test en het meten van de handknijpkracht. De verschillende trajecten die de ontwikkeling van deze maten van spierstatus over tijd weergeven waren erg heterogeen en bovendien was er weinig overlap tussen de verschillende tests (Hoofdstuk 7). Dit geeft aan dat de verschillende maten van spierstatus verschillende domeinen representeren. In Hoofdstuk 8 vergeleken we gestandaardiseerde, in het lab gemeten loopsnelheid met loopsnelheid gemeten in het dagelijks leven. Deze twee maten van loopsnelheid waren slechts minimaal met elkaar gecorreleerd. Beide maten van loopsnelheid vertoonden robuuste metingen over één jaar tijd. Dit resultaat gaf aan dat het meten van de loopsnelheid in het laboratorium en in het dagelijks leven verschillende constructen zijn. De meerwaarde van het meten van loopsnelheid in het dagelijks leven moet echter nog worden onderzocht.
In deel IV werden de onderlinge relaties tussen sedentair gedrag, fysieke activiteit, voedingsstatus en spierstatus in de klinische praktijk beschreven. Een campagne genaamd “Ending PJ Paralysis” of “Stop Pyjama Paralyse” moedigde 145 opgenomen patiënten in de geriatrische revalidatie aan om fysiek méér actief te zijn. In Hoofdstuk 9 waren meer ziekten, depressieve klachten, slechter fysiek en functioneel functioneren en ondervoeding geassocieerd met méér sedentair gedrag en minder fysieke activiteit. Deze maten kunnen worden gebruikt om specifieke patiënten te identificeren, die dus risico lopen op fysieke inactiviteit gedurende hun ziekenhuisopname. Mogelijk zullen deze patiënten ook het meest profiteren van interventies, gericht op het verbeteren van de fysieke activiteit. In Hoofdstuk 10 bleek dat patiënten extreem inactief waren en dat patronen van inactiviteit niet afhankelijk waren van de ‘Stop Pyjama Paralyse’ interventie. In patiënten met een laag fysiek en functioneel functioneren bij opname zagen we dat weinig inactiviteit en veel fysieke activiteit geassocieerd waren met een verbeterd fysiek en functioneel functioneren gedurende de duur van de revalidatie. Dit laat zien dat zelfs in erg inactieve patiënten, meer fysieke activiteit voordelig lijkt te zijn.
Kortom, mijn proefschrift onderschrijft dat objectief gemeten sedentair gedrag, fysieke activiteit en voedingsstatus, belangrijke potentiële aangrijpingspunten zijn om spierstatus te verbeteren. Specifieke adviezen over bijvoorbeeld de duur van fysieke activiteit is echter nog gelimiteerd. In het bijzonder voor ouderen gedurende een kwetsbare periode in het leven (zoals een opname in de geriatrische revalidatie). Toekomstige onderzoeken zullen tegelijkertijd sedentair gedrag, fysieke activiteit, voedingsstatus en spierstatus moeten gaan meten om de onderlinge relaties beter te begrijpen. Zo zijn er ook specifieke interventie studies nodig om de impact op functie en onafhankelijkheid te onderzoeken. Om de positieve effecten van minder sedentair gedrag, meer fysieke activiteit en een goede voedingsstatus op spierstatus te beschrijven, is een objectieve manier van meten hard nodig. Zo komen we één stap dichter bij onze beslissingen in de klinische praktijk en kunnen we in de toekomst patiëntgerichte adviezen geven: laten we voor meer objectieve metingen in de klinische praktijk gaan!
Bekijk ook deze proefschriften
Managing water excess and deficit in agriculture
Dear Diary: Advances in Experience Sampling Methodology Studies
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















