Publicatiedatum: 7 september 2020
Universiteit: Vrije Universiteit Amsterdam
ISBN: 978-94-6380-868-2

Muscle and protein in the ICU

Samenvatting

Onder andere door vetinfiltratie kan een spier minder kracht uitoefenen en gaat de kwaliteit van spieren achteruit. Op CT-scans is spierkwaliteit te meten met de dichtheid van spierweefsels. In de studie beschreven in hoofdstuk vier hebben we gevonden dat een lage spierdichtheid op CT-scans geassocieerd is met een hoger risico op overlijden tot 6 maanden na de dag van opname, onafhankelijk van de spiermassa, BMI en ziekte-ernst. Lage spierdichtheid is geassocieerd met vetinfiltratie in spieren en daarmee ook met laaggradige ontsteking en insulineresistentie. Mogelijk speelt dit een rol bij de gevonden associatie, maar het precieze mechanisme moet nog verder worden onderzocht.
BIA is een snelle, niet invasieve en veilige methode om lichaamssamenstelling te meten. Omdat CT-scans niet geschikt zijn voor routine- en vervolgmetingen kan een ‘bedside’-methode als BIA uitkomst bieden. In hoofdstuk vijf wordt een studie beschreven waarin we hebben onderzocht of BIA dezelfde patiënten met lage spiermassa kan identificeren als CT-scans. Wij vonden dat BIA de patiënten met een lage spiermassa op CT-scan goed kon identificeren. Echter, omdat er voor het berekenen van spiermassa formules worden gebruikt die niet gevalideerd zijn bij intensive care patiënten moeten resultaten voorzichtig worden geïnterpreteerd. We vonden dat absolute waarden van spiermassa gemeten met BIA en CT dan ook niet goed overeen komen. Mogelijk wordt dit verklaard doordat de twee methoden een schatting geven van andere spieren (skeletspier bij CT-scans tegenover alle spieren bij BIA), door het gebruik van formules die niet voor IC patiënten gevalideerd zijn, en het ontbreken van betrouwbare gegevens over het gewicht van patiënten. Bij beide methoden speelt tevens de invloed van vochttoediening mee, welke BIA formules onbetrouwbaar kan maken en het analyseren van CT-scans moeilijk kan maken.

Voeding op de intensive care
Er bestaat veel controverse over hoe intensive care patiënten het beste gevoed kunnen worden. Met name de optimale eiwit-inname in de vroege fase van ziekte is onduidelijk en verschillende studies hierover laten conflicterende resultaten zien. De huidige richtlijnen zijn vaak gebaseerd op studies met een lage niveau van bewijs. In hoofdstuk zes presenteren we een studie waarin we de associatie tussen eiwit-inname vroeg tijdens de intensive care opname en het risico op overlijden in het ziekenhuis hebben onderzocht. Een eiwit-inname van >1.2 g/kg/dag op opnamedag 4 was geassocieerd met een 23% lager risico op overlijden dan bij patiënten met een lagere eiwit-inname. Deze associatie vonden we alleen bij patiënten die niet teveel energie (calorieën) kregen (<110% van hun energiebehoefte) en die niet septisch waren. Daarnaast vonden we het laagste risico op overlijden bij patiënten die slechts 80-90% van hun energiebehoefte kregen. Mogelijk hebben patiënten hier baat bij omdat er bij ziekte een verhoogde endogene energieproductie is en patiënten teveel calorieën binnenkrijgen wanneer zij hiernaast 100% van hun energiebehoefte krijgen. Dit kan insulineresistentie, gastro-intestinale intolerantie, onderdrukking van autofagie en het refeeding-syndroom tot gevolg hebben. Bij niet-septische patiënten zou een hoge eiwit-inname een positief effect kunnen hebben mits een te hoge energie-inname wordt vermeden. Een observationele studie als deze kan echter een dergelijke causale relatie niet aantonen. Het bereiken van een hoge eiwit-inname zonder dat er teveel calorieën worden gegeven is lastig. Veel enterale voedingen bevatten 40-63 gram eiwit per 1000kcal, waardoor al snel teveel energie wordt gegeven als een hoog eiwit doel nagestreefd wordt. We hebben onderzocht of bij gebruik van een nieuwe enterale voeding met een hoge eiwit/energie ratio (82 gram eiwit per 1000kcal) het eiwit doel gehaald kan worden zonder teveel energie toe te dienen. Het eiwit in deze voeding bestond uit gehydrolyseerde wei-eiwitten. De resultaten van deze studie worden beschreven in hoofdstuk zeven. In deze studie haalde 95% van de patiënten het eiwitdoel van >1.2 g/kg/dag, vergeleken met 65% bij gepaarde historische controlepatiënten. De voeding werd goed getolereerd. Deze voeding lijkt dus een goede optie om hoge eiwit-inname doelen te behalen terwijl het geven van teveel energie wordt vermeden. Tevens vonden we dat de concentraties van vrijwel alle aminozuren in 4 dagen naar normale waarden stegen. Dit suggereert dat de gehydrolyseerde wei-eiwitten in de voeding goed werden opgenomen.
Recente literatuur laat zien dat er mogelijk specifieke patiëntengroepen zijn die meer baat hebben bij een hoge eiwit-inname. In hoofdstuk acht worden de resultaten van een studie beschreven waarin we hebben gekeken naar de associatie tussen eiwit-inname en het risico op overlijden specifiek bij patiënten die werden opgenomen met een lage spiermassa en -kwaliteit. Bij deze patiënten vonden we dat een eiwit-inname van >1.2 g/kg/dag op dag 2-4 was geassocieerd met een 20% lager risico op overlijden tot 6 maanden na de dag van opname, terwijl deze associatie er niet was bij patiënten met een normale spiermassa en -kwaliteit. Patiënten met een lage spiermassa hebben mogelijk baat bij de hoge eiwit-inname omdat zij minder spiereiwit beschikbaar hebben voor herstel van hun ziekte. Aan de andere kant hebben patiënten met een lage spierkwaliteit door vetinfiltratie mogelijk meer weerstand tegen anabolisme en hierdoor meer eiwit nodig om anabool te worden. Dit zal echter prospectief moeten worden getoetst. De belangrijkste conclusie is dat we met deze studie een groep patiënten hebben geïdentificeerd die mogelijk baat heeft bij een hoge eiwit-inname. Hiermee hebben we de eerste stappen gezet op weg naar gepersonaliseerde voeding op de intensive care.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten