Deel dit project
Learning to Teach in Elementary Education
Samenvatting
Tabel 1 van alle in dit onderzoek gebruikte groepen, met gemiddelde scores op de voor- en nameting, SD, significantie en effectgrootte op alle ICALT schalen: Veilig klimaat, Efficiënte lesorganisatie, Duidelijke instructie, Activeren van de les, Afstemmen op verschillen, Aanleren van leerstrategieën, Gemiddelde effectgrootte.
Driedelige interventie (replicatiestudie): n = 171. Nameting M (SD): 2.73 (.38), 2.34 (.58), 2.41 (.52), 2.20 (.62), 1.79 (.88), 1.80 (.82). Voormeting M (SD): 2.52 (.51), 2.03 (.63), 2.07 (.62), 1.76 (.72), 1.32 (.90), 1.31 (.82). Verschil ES en Sig.: .33 (.01), .38 (.00), .40 (.00), .55 (.00), .38 (.00), .51 (.00). Gemiddelde effectgrootte: .43.
Driedelige interventie: n = 101. Nameting M (SD): 2.68 (.44), 2.26 (.57), 2.32 (.55), 2.08 (.62), 1.67 (.91), 1.69 (.81). Voormeting M (SD): 2.53 (.48), 2.03 (.63), 2.08 (.65), 1.73 (.66), 1.33 (.88), 1.29 (.77). Verschil ES en Sig.: .82 (.00), .98 (.00), .91 (.00), 1.09 (.00), 1.07 (.00), 1.12 (.00). Gemiddelde effectgrootte: 1.00. Deze tabel is gedeeltelijk eerder gepubliceerd in Studies in Educational Evaluation (Tas, Houtveen, Van de Grift, & Willemsen, 2018) en in Journal of Personal Capital and Community (JPCC) (Tas, Houtveen, & Van de Grift, 2019). In JPCC zijn deze ICALT-gemiddelden gepubliceerd met de scores van 0 tot en met 3, conform het gebruik aan de Hogeschool in Utrecht. SD en ES zijn berekend.
Vierdelige interventie: n = 135. Nameting M (SD): 2.63 (.45), 2.23 (.52), 2.31 (.60), 2.30 (.55), 2.04 (.61), 1.70 (.85), 1.69 (.70). Voormeting M (SD): 1.71 (.63), 1.77 (.61), 1.28 (.77), .82 (.79), .86 (.78). Verschil ES en Sig.: .47 (.00), .51 (.00), .59 (.00), .66 (.00), .53 (.00), .60 (.00). Gemiddelde effectgrootte: .56.
Controlegroep (‘Business as usual’): n = 63. Nameting M (SD): 2.27 (.64), 1.80 (.52), 1.87 (.59), 1.33 (.59), .50 (.64), .88 (.62). Voormeting M (SD): 2.27 (.58), 1.73 (.61), 1.76 (.60), 1.27 (.59), .47 (.58), .74 (.57). Verschil Sig.: .97, .49, .35, .60, .80, .16.
Algemene conclusies
De belangrijkste conclusie uit deze dissertatie is dat de groei van de leerkrachtvaardigheden van de groep pabostudenten die leerden lesgeven met een begeleidingsaanpak bestaande uit: (1) lesobservatie en de toewijzing van het passende fasegerichte lesformulier; (2) het daadwerkelijke gebruik van het passende fasegerichte lesformulier; (3) taakgerichte mentorfeedback toegespitst op de ontwikkelingsfase van de student, in combinatie met (4) het aanbieden van wetenschappelijke theorie over effectieve leerkrachtvaardigheden en deze theorie afstemmen op de lespraktijk van de student, middelgrote tot grote effectgroottes liet zien, vergeleken met pabostudenten die niet met deze aanpak leerden lesgeven.
Daarnaast liet de groei van de leerkrachtvaardigheden van een groep pabostudenten die leerde lesgeven met een driedelige begeleidingsaanpak, bestaande uit: (1) lesobservatie met een gestandaardiseerd, betrouwbaar en valide observatie-instrument en de toewijzing van het passende fasegerichte lesformulier; (2) het gebruik van het passende fasegerichte lesformulier in de praktijk; (3) taakgerichte mentorfeedback toegespitst op de ontwikkelingsfase van de student, maar zonder het aanbod van wetenschappelijke theorie over effectief lesgeven en de afstemming van deze theorie op de lespraktijk, gemeten in effectmaten, een kleine groei zien op vier ICALT-schalen en een middelgrote groei op twee schalen. Deze driedelige versie van de begeleidingsaanpak liet in een replicatiestudie bij een andere groep studenten een vergelijkbare groei zien.
Verder zagen we bij pabostudenten uit de controlegroep voor wie leren lesgeven ‘business as usual’ was, slechts een kleine groei van hun leerkrachtvaardigheden, gemeten in effectgrootte, op de schalen: ‘Het geven van duidelijke en gestructureerde instructie’ (.19) en ‘Het aanleren van leerstrategieën’ (.24). Op basis van deze bevindingen kunnen we concluderen dat het inderdaad mogelijk is gebleken om de kwaliteit van de leerkrachtvaardigheden van pabostudenten te verhogen met beide versies van de begeleidingsaanpak en de bijbehorende fasegerichte lesformulieren.
Wetenschappelijke bijdrage
In deze dissertatie zijn verschillende wetenschappelijke bijdragen geleverd. Ten eerste lijkt er, ondanks een sterk appel op pabo’s om de kwaliteit van lesgeven van hun studenten te verbeteren, bij pabo’s weinig bekend te zijn over het niveau van de objectief te observeren leerkrachtvaardigheden van hun studenten. Dit onderzoek zou daarom beschouwd kunnen worden als een pioniersstudie en biedt inzicht in de objectieve kwaliteit van de leerkrachtvaardigheden.
Ten tweede liet een eerste veldexperiment met een quasi-experimenteel design met voor- en nameting een middelgrote en grote groei van leerkrachtvaardigheden (gemeten in effectgrootte) zien bij de studenten in de experimentele groep, in vergelijking met de groei van de leerkrachtvaardigheden in de controlegroep. Een tweede veldexperiment met een driedelige versie van de begeleidingsaanpak liet de helft aan effectgroottes zien van wat met de vierdelige begeleidingsaanpak bereikt was. Het belangrijkste verschil tussen de twee versies van de begeleidingsaanpak is het weglaten van het vierde onderdeel waarin wetenschappelijke theorie over effectieve leerkrachtvaardigheden aangeboden wordt en afgestemd wordt met de lespraktijk van de student in de stage. Wanneer dit vierde begeleidingsonderdeel wordt weggelaten, is de beschikbare wetenschappelijke kennis over effectieve leerkrachtvaardigheden niet effectief afgestemd op de praktijk van de pabostudenten. Hoewel vanwege het ontbreken van een controlegroep bij de twee laatste veldexperimenten voorzichtigheid geboden is bij het leggen van causale relaties, is het waarschijnlijk dat het weglaten van het laatste begeleidingsonderdeel van invloed is op het verlies in effectgrootte bij het leren lesgeven met de driedelige begeleidingsaanpak.
Ten derde dragen deze bevindingen ook bij aan de beschikbaarheid van wetenschappelijk bewijs voor het datagestuurde feedbackmodel. Zoals reeds beschreven, blijkt het model bij het professionaliseren van leraren in verschillende onderzoeken effectief. De in dit onderzoek beschreven versies van de begeleidingsaanpak verschillen in intensiteit van het gebruik van de componenten van het datagestuurde feedbackmodel. In beide versies wordt de afstemming tussen beide leeromgevingen van de student tot stand gebracht met het gestandaardiseerde, valide en betrouwbare observatie-instrument ICALT en worden data van lesobservatie gebruikt voor het geven van taakgerichte feedback op geoefende leerkrachtvaardigheden. Beide versies van de begeleidingsaanpak waarin gebruik gemaakt is van datagestuurde feedback bleken effectief te zijn in de training van pabostudenten. Echter, het in zijn geheel implementeren van het datagestuurde feedbackmodel in de begeleidingsaanpak, inclusief het gebruik van de vierde stap waarbij de theorie verder wordt afgestemd op de praktijk van de studenten, lijkt het meest effectief.
Beperkingen van het onderzoek
Deze studie heeft enkele beperkingen. Ten eerste zijn de veldexperimenten uitgevoerd binnen de bestaande onderwijspraktijk. Dit vraagt bij de uitvoering om betrokkenheid van zowel de pabo als de stagescholen. Studenten krijgen in vaste ‘pabogroepen’ onderwijs. Omdat het op pabo’s niet wenselijk is om binnen één specifieke ‘pabogroep’ afwijkende leerinhouden aan te bieden, zijn er verschillende ‘pabogroepen’ aan deze studie toegewezen. Hierdoor was een ad random toewijzen van studenten over de groepen niet mogelijk. Daarnaast is stagetoewijzing op de pabo een complex proces waarbij studenten volgens gemaakte afspraken met de schoolbesturen verdeeld dienen te worden. Om bij het eerste veldexperiment te kunnen garanderen dat de studenten uit de controlegroep geen enkel element van de interventie zouden krijgen, is besloten om deze groep buiten de pabo te plaatsen waar de interventie geïmplementeerd zou worden. De controlegroep is geplaatst bij vergelijkbare pabo’s die bovendien door de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie) met minimaal een voldoende geaccrediteerd zijn.
Een tweede beperking is dat het gebruikte onderzoeksdesign bij het tweede en derde veldexperiment bestond uit een enkele groep met voor- en nameting. Vanwege het ontbreken van een controlegroep is het daardoor niet mogelijk om causale verbanden te leggen. Wel konden de resultaten worden vergeleken met de resultaten die gevonden waren bij het voorgaande quasi-experiment. De derde beperking vormen de relatief kleine samples die gebruikt zijn in de drie veldexperimenten.
Suggesties voor aanvullend onderzoek
Voor zover bij ons bekend, is er nauwelijks onderzoek beschikbaar naar het daadwerkelijk geobserveerde niveau van leerkrachtvaardigheden van pabostudenten tijdens hun initiële opleiding. Deze pioniersfase van het onderzoeksprogramma heeft een eerste inzicht gegeven in de mogelijkheden om de kwaliteit van het lesgeven van pabostudenten te verbeteren. De volgende stap in dit onderzoeksprogramma is het uitvoeren van gerandomiseerde gecontroleerde experimenten voor het verkrijgen van meer gedetailleerde kennis over de voortgang van de leerkrachtvaardigheden van pabostudenten, die leren lesgeven met deze begeleidingsaanpak.
Wat betreft de repliceerbaarheid zijn de gevonden resultaten van de driestappen begeleidingsaanpak voldoende bevestigd in een replicatiestudie. Het is echter ook aan te bevelen om een replicatiestudie met de vierdelige begeleidingsaanpak uit te voeren. Bovendien zou een studie naar de ontwikkeling van leerkrachtvaardigheden van pabostudenten met een focus op de verschillende opleidingsjaren een bijdrage kunnen leveren aan kennis hoe de leerkrachtvaardigheden zich tijdens de opleiding ontwikkelen. Een longitudinale studie van de groei van leerkrachtvaardigheden van start tot certificering kan inzicht geven in hoe de ontwikkeling verloopt gedurende de opleiding. Daarbij kan ook gedacht worden aan onderzoek naar de ontwikkeling van leerkrachtvaardigheden van pabostudenten in de verschillende opleidingsprogramma’s.
Vanwege het dringende lerarentekort en het zoveel mogelijk voorkomen van studentuitval worden pabo’s aangemoedigd om met flexibele opleidingsroutes aan te sluiten bij verschillen in leeftijd, vooropleiding en eventuele eerder verworven vaardigheden van studenten (Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, 2019). Om pabo’s te kunnen adviseren over de vormgeving van dergelijke programma’s is het van belang om de mogelijke verschillen in de ontwikkeling van leerkrachtvaardigheden van studenten uit deze opleidingsroutes te onderzoeken. Dit is bij uitstek het geval voor een groeiende groep geselecteerde hoogopgeleide ‘collega’s in opleiding’, de zogenaamde ‘Zijinstroom’, die vanwege het huidige en dringende lerarentekort in Nederland tijdens hun training al een nominatie op een school hebben (Ministerie van OCW, 2016). Dit geldt ook voor een andere groeiende groep hoogopgeleide deeltijdstudenten, die studie en werk combineren en de mogelijkheid krijgen om hun opleiding te versnellen. Het is van groot belang om te kijken of het inderdaad mogelijk is om de kwaliteit van lesgeven van deze studenten te verbeteren in een zo kort mogelijke studie- en trainingstijd.
Implicaties voor de onderwijspraktijk
Uit dit onderzoek volgen enkele implicaties voor de onderwijspraktijk. Aangezien pabo’s en stagescholen in Nederland worden aangespoord tot ‘Samen opleiden’ om de kwaliteit van lesgeven van pabostudenten te verhogen (Ministerie van OCW, 2020), is het verbeteren van de begeleidingsaanpak bij het leren lesgeven zeer wenselijk. Zoals reeds beschreven, bestaat het gangbare begeleidingsinstrument bij het leren lesgeven in Nederland over het algemeen uit één lesvoorbereidingsformulier dat de professionele ontwikkeling van de student gedurende de opleiding onvoldoende lijkt te ondersteunen. Ook voor mentoren lijkt er weinig ondersteuning te zijn voor het objectief observeren van lessen van studenten. Dit bemoeilijkt het geven van taakgerichte feedback toegespitst op de ontwikkelingsfase van de student.
De pabo’s en stagescholen zijn ondertussen op zoek naar manieren om in partnerschap hun beide leeromgevingen beter op elkaar af te stemmen en om daarbij hun studenten en de mentoren effectiever te kunnen ondersteunen. Onze beschrijving van het ontwerp van de begeleidingsaanpak, met de bijbehorende fasegerichte lesformulieren, kan Nederlandse pabo’s inspireren bij hun gezamenlijke inspanning om de kwaliteit van lesgeven van hun studenten te verbeteren.
In deze begeleidingsaanpak heeft de samenwerking tussen de pabo en de stagescholen de vorm van een professionele leergemeenschap (Stoll & Louis, 2007). In deze leergemeenschap hanteren beide opleidingspartners een gezamenlijk kader van wat als ‘goed onderwijs’ kan worden beschouwd en op basis waarvan alle docenten nauw samenwerken om de kwaliteit van het onderwijs van hun pabostudenten en hun eigen docenten te verbeteren (Levin & Fullan, 2008).
Deze onderlinge afstemming in de professionele leergemeenschap is in ons onderzoek tot stand gekomen door gebruik te maken van het datagestuurde feedbackmodel (Houtveen, 2018a), waarbij observatie, feedback en effectief datagebruik centraal staan. Aan de hand van dit model wordt de ontwikkeling van de leerkrachtvaardigheden van de studenten zoals beschreven geobserveerd met een gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar observatie-instrument, waarin de kennisbasis van effectief leerkrachtgedrag geoperationaliseerd is. We hebben een projectteam opgezet dat allereerst een digitale infrastructuur creëerde, waarin de data van lesobservatie konden worden ingevoerd. Hiermee waren alle gegevens direct zichtbaar voor alle betrokken opleiders en de student. Het projectteam verzorgde tevens de communicatie tussen alle gebruikersgroepen, zodat de onderdelen van de begeleidingsaanpak konden worden uitgevoerd zoals bedoeld was. Stagecoördinatoren, die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het opleiden op hun school, observeerden lessen van de studenten aan de start van de stage en voerden hun scores in het digitale systeem in. Op basis van deze scores wezen de stagecoördinatoren het passend lesformulier toe. Dat lesformulier vormde de basis voor de lesvoorbereiding van de student en de te oefenen leerkrachtvaardigheden die centraal stonden in de stage. Op deze manier werd ook de mentor ondersteund bij het geven van objectieve en taakgerichte feedback op de leerkrachtvaardigheden die de student op dat moment aan het oefenen was.
Gezien de bevindingen van dit onderzoek is het raadzaam om alle vier de onderdelen van de begeleidingsaanpak te implementeren, inclusief het aanbieden van de wetenschappelijke theorie over effectieve leerkrachtvaardigheden en het afstemmen van deze theorie op de lespraktijk van de student. Dit impliceert dat het aanleren van leerkrachtvaardigheden inderdaad het best verder kan worden ondersteund door het aanbieden van beschikbare wetenschappelijke theorie over effectieve leerkrachtvaardigheden in alle opleidingsjaren van de pabo. In ons geval is deze verdere afstemming onder meer tot stand gekomen door de begeleiding van pabostudenten bij het schrijven van een ontwikkelplan. De studenten verwerkten de data van de lesobservatie door te beschrijven welke leerkrachtvaardigheden inmiddels beheerst werden en welke leerkrachtvaardigheden nog verder konden worden geoefend. Deze activiteiten zouden kunnen worden geïntegreerd in het reeds bestaande pabocurriculum, bijvoorbeeld in de theorievakken en in de zogenaamde counselingbijeenkomsten (zie periode van zelfreflectie in hoofdstuk 2).
De training van alle betrokken opleiders in de theoretische achtergrond van het observatie-, feedback- en lesvoorbereidingsinstrument en in het correct uitvoeren van de begeleidingsaanpak zelf, bleek een essentiële stap in het bereiken van overeenstemming bij het observeren en scoren van leerkrachtvaardigheden, in het maken van afspraken over hoe lessen moeten worden voorbereid en over hoe effectieve feedback gegeven moet worden. Deze trainingsprogramma’s in de professionele leergemeenschap droegen daarmee bij aan een ‘shared sense of purpose’ (Hord, 2004), waarbij alle opleiders in dit samenwerkingsproces van elkaar konden leren (Louis, Kruse, & Bryk, 1995).
Om het eindresultaat kort te omschrijven, heeft deze dissertatie drie krachtige aspecten van de nieuwe begeleidingsaanpak beschreven. Ten eerste draagt deze aanpak bij aan de verbetering van de kwaliteit van lesgeven van pabostudenten. Ten tweede biedt de aanpak, stevig verankerd in de structuur van een professionele leergemeenschap, een goed leerklimaat voor de verdere professionalisering van alle betrokken opleiders. Ten derde geeft de aanpak inzicht in de objectief geobserveerde leerkrachtvaardigheden van pabostudenten en in de scoringskwaliteit van de stagecoördinatoren, die beide van belang zijn bij het verbeteren van de opleidingssituatie. Op basis van deze positieve bevindingen hebben de bovenschoolse besturen en het management van de pabo ertoe besloten om de vierdelige begeleidingsaanpak volledig in het nieuwe curriculum op te nemen. Deze curriculumvernieuwing is op dit moment in volle gang.
Bekijk ook deze proefschriften
Piecing Together the Kidney Organoid Puzzle:
Turning towards Suffering
Advanced bronchoscopic techniques for diagnosing interstitial lung disease
Advancing Brain MRI Analysis in Aging and Disease with Deep Learning
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















