Deel dit project
Minds, meals and motivations
Samenvatting
Veel oudere volwassenen zijn gemotiveerd om hun gezondheid te verbeteren, zeker als het gaat om het behoud van hun geheugen en denkvermogen. Toch blijkt het in de praktijk niet eenvoudig om leefstijlveranderingen vol te houden. Dit proefschrift onderzoekt hoe oudere volwassenen omgaan met leefstijlinterventies gericht op het verminderen van het risico op dementie, hoe zij deze interventies ervaren en in hoeverre zij leefstijlveranderingen daadwerkelijk in hun dagelijks leven weten te integreren. De FINGER-NL leefstijlinterventie, waarin wordt onderzocht wat het effect is van leefstijlverandering op cognitieve gezondheid, vormt hierbij de centrale casus binnen een gecontroleerde onderzoekssetting. De bevindingen uit deze studie worden verbonden met inzichten uit de reguliere diëtistische praktijk in de eerstelijnszorg.
Leefstijlverandering wordt breed gezien als een belangrijke pijler voor gezondheid op lange termijn en speelt ook een rol in cognitieve gezondheid. Hoewel wetenschappelijk onderbouwde leefstijlaanbevelingen beschikbaar zijn en multidomeininterventies in gecontroleerde settings veelbelovende effecten laten zien, blijkt het voor veel mensen lastig om deze aanbevelingen om te zetten in blijvende gewoonten in het dagelijks leven. Deze spanning wordt relevanter in het licht van vergrijzing en een toenemende ziektelast. Dit proefschrift laat zien dat motivatie hierbij een belangrijke rol speelt, maar op zichzelf onvoldoende is voor duurzame gedragsverandering. Daarom wordt onderzocht welke factoren betrokkenheid beïnvloeden, hoe gedragsverandering zich ontwikkelt in de tijd en onder welke voorwaarden veranderingen behouden blijven.
Het onderzoek bestaat uit twee samenhangende lijnen (‘Tracks’). De eerste lijn (Hoofdstuk 2–5) richt zich op de ervaringen van deelnemers binnen de multidomeininterventie van FINGER-NL. De tweede lijn (Hoofdstuk 6–8) plaatst deze inzichten in de context van de dagelijkse zorgpraktijk en bestudeert leefstijlverandering vanuit het perspectief van diëtisten en hun patiënten.
Hoofdstuk 2 laat zien waarom oudere volwassenen deelnemen aan de FINGER-NL interventie en welke factoren zij verwachten dat hun betrokkenheid beïnvloeden. Deelname wordt vooral gedreven door persoonlijke relevantie, met name de wens om cognitieve gezondheid te behouden of te verbeteren. Zorgen over dementie en ervaringen in de directe omgeving spelen hierbij een belangrijke rol. Algemene interesse in gezondheid blijkt minder bepalend. De kennis over risicoreductie van dementie is doorgaans beperkt en gebaseerd op persoonlijke ervaringen. Deelnemers benoemen daarnaast verwachte barrières en ondersteuningsbehoeften.
Hoofdstuk 3 laat zien hoe deelnemers één jaar na de start van de interventie hun betrokkenheid en naleving van de richtlijnlijnen ervaren. In plaats van een stabiel patroon blijkt betrokkenheid een dynamisch proces, dat zich in de tijd ontwikkelt en sterk verschilt tussen personen. In de hoog-intensieve (HI) groep verandert motivatie gaandeweg, onder invloed van ervaren barrières en, soms, de positieve effecten van nieuw aangeleerde gewoonten. Met name in de domeinen voeding en lichamelijke activiteit worden de meeste veranderingen gerapporteerde. Dit zou samen kunnen hangen met het feit dat deze gebieden voor deelnemers herkenbaar zijn en aansluiten bij bestaande ideeën over wat ‘gezond leven’ inhoudt. Deelnemers maken daarbij bewuste keuzes in welke onderdelen van de interventie zij actief volgen. Juist deze mogelijkheid tot selectieve deelname, ondersteund door begeleiding, lijkt hen te helpen om veranderingen in te passen in hun dagelijks leven. In de laag-intensieve (LI) groep wordt het gebrek aan begeleiding vaker als een gemis ervaren, hoewel sommige deelnemers op eigen initiatief veranderingen in gang zetten. De meeste deelnemers waren zich bewust van hun groepsindeling, en wie in de LI-groep zat, rapporteerde soms enige teleurstelling over de beperkte ondersteuning. Wat beide groepen gemeen hebben, is dat deelnemers voortdurend afwegingen maken tussen wat wenselijk is en wat in hun persoonlijke situatie haalbaar blijkt.
Hoofdstuk 4 verdiept dit beeld door de ontwikkeling van betrokkenheid over twee jaar te analyseren. De analyse onderscheidt zes verschillende participatietrajecten, die uiteenlopen van aanvankelijk enthousiasme met later afnemende betrokkenheid tot geleidelijke, stabiele integratie van leefstijlveranderingen in het dagelijks leven. Deze trajecten laten zien dat gedragsverandering geen lineair proces is, maar wordt beïnvloed door wat mensen in hun leven meemaken. In beide groepen worden trajecten onderbroken door ingrijpende levensgebeurtenissen. Gestructureerde begeleiding en regelmatig contact ondersteunen het behoud van betrokkenheid in de HI-group, terwijl informatie alleen in de LI-groep vaak onvoldoende blijkt. Duurzame verandering vraagt daarmee om ondersteuning die kan meebewegen met veranderende omstandigheden.
Hoofdstuk 5 bouwt voort op de inzichten uit hoofdstukken 2-4 en onderzoekt hoe motivatie en overtuigingen rond dementierisico samenhangen met leefstijlgerelateerde risicofactoren bij aanvang van de studie. De resultaten laten zien dat slechts een beperkt aantal psychologische factoren verband houdt met specifieke leefstijldomeinen, en dat deze verbanden bovendien wisselend zijn. Over het algemeen blijken motivatie en overtuigingen in dit geval slechts een zwakke voorspeller van daadwerkelijk gedrag te zijn. Interessant is dat de aanwezigheid van leefstijlgerelateerde risicofactoren sterker samenhangt met sociodemografische kenmerken dan met individuele motivatie of overtuigingen. Dit bevestigt dat leefstijlgedrag niet alleen een kwestie is van willen, maar sterk verweven is met gewoonten en sociale context.
Om deze bevindingen te begrijpen in de context van de dagelijkse zorg, verschuift de tweede onderzoekslijn naar de eerstelijnspraktijk. Het startpunt in Hoofdstuk 6 is een methodologische analyse van leefstijlinterventies gericht op obesitas, met de vraag welke factoren daadwerkelijk bijdragen aan succesvol gewichtsverlies. Met behulp van Qualitative Comparative Analysis (QCA) wordt zichtbaar dat succesvol gewichtsverlies voortkomt uit specifieke combinaties van interventiecomponenten. De analyse laat zien dat positieve uitkomsten vooral optreden wanneer voedingsverandering, lichamelijke activiteit en gedragsveranderingsstrategieën samen worden ingezet. Geen van de onderzochte interventie-elementen blijkt op zichzelf voldoende of noodzakelijk; het is juist de manier waarop ze samen worden toegepast die effectiviteit mogelijk maakt.
Hoofdstuk 7 zoomt in op de behandeling van volwassenen met obesitas door diëtisten in de eerstelijnszorg. Diëtisten benadrukken dat het opbouwen van een vertrouwensrelatie en het afstemmen van begeleiding op de individuele behoeften van de patiënt cruciaal zijn voor succes. Effectieve behandeling beperkt zich niet tot het geven van voedingsadvies; het gaat om een samenhangende combinatie van relatieopbouw, ondersteuning bij gedragsverandering en persoonlijke afstemming. De rol van de diëtist blijkt daarbij essentieel: door motiverend te begeleiden, het zelfvertrouwen en de zelfeffectiviteit van patiënten te versterken, en hen te helpen omgaan met barrières, kan duurzame verandering worden ondersteund.
Hoofdstuk 8 beschrijft hoe patiënten deze behandeling ervaren. Voor hen vormt gepersonaliseerde zorg de basis voor betrokkenheid en motivatie. Zich gehoord en begrepen voelen blijkt een voorwaarde om adviezen daadwerkelijk toe te passen in het dagelijks leven. De relatie met de diëtist speelt hierin een centrale rol. Patiënten benadrukken het belang van een benadering die verder gaat dan voedingsadvies alleen en ook aandacht heeft voor psychologische factoren en levenscontext. Praktisch, haalbaar en op maat gemaakt advies helpt om verandering vol te houden.
Hoofdstuk 9 brengt de bevindingen samen en geeft een helder beeld van wat nodig is voor effectieve leefstijlinterventies gericht op cognitieve gezondheid. Verandering van leefstijl is mogelijk, maar alleen wanneer interventies aansluiten bij het dagelijks leven van mensen en ruimte bieden voor flexibiliteit over de tijd. Zorgen over cognitieve achteruitgang en het risico op dementie blijken vaak een sterke motivatiebron, maar motivatie alleen is onvoldoende; duurzame gedragsverandering vereist passende ondersteuning, context en integratie in iemands dagelijks leven. Dagelijkse routines, beschikbare hulpbronnen en ingrijpende levensgebeurtenissen beïnvloeden sterk in hoeverre veranderingen kunnen worden volgehouden.
Er tekent zich een duidelijk verschil af tussen onderzoeksinterventies zoals FINGER-NL en de dagelijkse praktijk van diëtetische zorg. In gecontroleerde studies ligt de nadruk op structuur en standaardisatie, terwijl in de diëtistische behandeling juist flexibiliteit, maatwerk en langdurige professionele relaties cruciaal zijn om leefstijlverandering effectief te ondersteunen en zo cognitieve gezondheid te bevorderen.
Een intensieve interventie zoals FINGER-NL kan niet één-op-één worden overgenomen in de dagelijkse praktijk. Implementatie vraagt daarom om aanpassing: om kosten te beheersen en tegelijk effectief en relevant te blijven voor deelnemers. Tegelijkertijd zijn de onderliggende leefstijldomeinen (voeding, fysieke activiteit, cognitieve uitdaging en gedragsstrategieën) breder relevant dan enkel dementiepreventie. Voor toekomstbestendige interventies gericht op het behoud van cognitieve gezondheid betekent dit concreet: interventies ontwerpen die passen bij het dagelijks leven van deelnemers, gebruik van blended of digitale ondersteuning, en nauwe samenwerking tussen zorgprofessionals.
Bekijk ook deze proefschriften
Lifelong Impact of Congenital Heart Disease
Agroecological practices to improve smallholder farmers’ resilience to climatic variability
Strengthening the Foundations of Real-World Evidence
Holistic Integration of Desktop Virtual Reality Technology in Higher Education
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















