Publicatiedatum: 18 mei 2026
Universiteit: Universiteit van Amsterdam
ISBN: 978-94-6534-259-7

Physicians’ flourishing

Samenvatting

Hoofdstuk 1 introduceert het concept “floreren” van artsen, geoperationaliseerd als gevoelens van professionele voldoening en het vermogen om compassievol te handelen, als het centrale thema van dit proefschrift. In dit hoofdstuk beschrijf ik hoe beide elementen momenteel onder druk staan en zoom ik in op perfectionisme/zelfkritiek en het negeren van zelfzorg als twee dominante culturele uitdagingen voor het floreren van artsen. Vanuit deze problematiek introduceer ik ‘welzijnsculturen’ als het theoretisch kader van waaruit het onderwerp van dit proefschrift wordt bestudeerd. Welzijnsculturen kunnen worden gedefinieerd als “een set van normatieve waarden, houdingen en gedragingen die zelfzorg, persoonlijke en professionele groei, en compassie voor collega’s, patiënten en zichzelf bevorderen.” Welzijnsculturen blijken een belangrijke voorspeller van zowel de professionele voldoening van artsen als hun vermogen om compassievolle patiëntenzorg te leveren. Er bestaan nog aanzienlijke kennishiaten ten aanzien van het floreren van artsen binnen de context van welzijnsculturen. Er is meer inzicht nodig in hoe elementen van deze culturen bijdragen aan het floreren van artsen — zowel bij specialisten als bij artsen in opleiding tot medisch specialist. Bovendien is er nog weinig onderzoek gedaan naar welzijnsculturen in relatie tot het floreren van artsen in de Nederlandse zorgcontext. Daarom luidt de overkoepelende onderzoeksvraag van dit proefschrift:

Welke rol spelen elementen van welzijnsculturen in de professionele voldoening en het compassievol handelen van Nederlandse artsen?

Door deze onderzoeksvraag te beantwoorden, beoogt dit proefschrift handvatten te bieden voor het versterken van welzijnsculturen binnen de geneeskunde en de medisch-specialistische vervolgopleiding, met als doel bij te dragen aan een professioneel voldane, duurzaam inzetbare en goed functionerende beroepsgroep van artsen.

Om de onderzoekskloof rond professionele voldoening en haar determinanten onder Nederlandse artsen te overbruggen, biedt hoofdstuk 2 een holistisch perspectief op het welzijn van Nederlandse artsen, met specifieke aandacht voor de ervaren professionele voldoening. Met behulp van een online survey onder 374 geregistreerde cardiologen onderzochten we hoe zij hun positieve (professionele voldoening) en negatieve (werkuitputting en interpersoonlijke distantie) werkgerelateerde welzijn ervaren en welke culturele en andere factoren dit welzijn beïnvloeden. We gebruikten frequentieanalyses om de scores op de drie welzijnsindicatoren weer te geven en voerden drie multipele regressieanalyses uit om de determinanten ervan in kaart te brengen. De resultaten toonden aan dat Nederlandse cardiologen relatief veel professionele voldoening ervaren met betekenisvolle interacties met patiënten als sterkste voorspeller. Daarnaast werd professionele voldoening positief beïnvloed door een goede ‘person-job fit’, hoge persoonlijke veerkracht, en een gevoel van autonomie en betrokkenheid bij managementbesluiten. Negatieve welzijnsuitkomsten bleken vooral samen te hangen met werkdruk, werk-privébalans en een negatieve teamsfeer. Deze bevindingen benadrukken vooral het belang van investeren in energiebronnen voor artsen, zoals het versterken van professionele autonomie en het bevorderen van bevredigende arts-patiëntinteracties.

Hoewel investeren in energiegevende hulpbronnen een effectieve strategie lijkt om het floreren van artsen te bevorderen, laat het eerste hoofdstuk ook zien dat het minstens zo belangrijk is om bewust te zijn van culturele uitdagingen binnen het beroep. In hun streven naar hoogwaardige patiëntenzorg ontwikkelen artsen vaak perfectionistische denkpatronen, een zelfkritische houding en weinig zelfverdraagzaamheid. Zowel perfectionisme als zelfkritiek worden in verband gebracht met burn-out klachten. Een mildere houding ten opzichte van zichzelf — zelfvriendelijkheid — blijkt daarentegen een beschermende werking te hebben tegen stress en burn-out. Zelfvriendelijkheid verwijst naar een vriendelijke, ondersteunende en begripvolle houding tegenover zichzelf, in plaats van hard en veroordelend te zijn. Hoewel er veel bewijs is dat zelfvriendelijkheid samenhangt met minder burn-out onder artsen, is er tot op heden weinig bekend over de relatie tussen zelfvriendelijkheid en het ervaren van professionele voldoening.

Hoofdstuk 3 onderzocht daarom in hoeverre een mildere houding ten opzichte van zichzelf (zelfvriendelijkheid) samenhangt met professionele voldoening, en of deze relatie wordt gemedieerd door persoonlijke veerkracht en werk-privébalans (twee mediatoren geselecteerd op basis van relevante literatuur). We gebruikten dezelfde steekproef als in hoofdstuk 2 en voerden een parallelle mediatieanalyse uit met de SPSS-macro PROCESS v3.5 van Hayes. De bevindingen tonen aan dat Nederlandse cardiologen matige niveaus van zelfvriendelijkheid rapporteerden, en dat zelfvriendelijke cardiologen meer professionele voldoening ervoeren. Dit verband werd deels verklaard doordat zij veerkrachtiger waren en beter in staat hun werk-privébalans te bewaken. We speculeerden dat veerkrachtige artsen meer ruimte en tijd vinden om positieve gevoelens en kansen op het werk te ervaren – beide belangrijke indicatoren van professionele voldoening. Daarnaast wijzen onze bevindingen erop dat zelfvriendelijkheid mogelijk samenhangt met vaardigheden op het gebied van zelfzorg, wat artsen beter in staat stelt de negatieve impact van werk op hun privéleven te reduceren. Zelfvriendelijkheid is een trainbare vaardigheid, die ontwikkeld kan worden via oefeningen in effectief bewezen zelfcompassietrainingen.

Zowel artsen als zorgorganisaties die verantwoordelijk zijn voor het welzijn van hun medewerkers, zouden deze trainingen kunnen opnemen in hun welzijnsbeleid. De resultaten van dit onderzoek suggereren bovendien dat artsen in veeleisende werkomgevingen, waarin productiviteit en efficiëntie centraal staan, vriendelijker naar zichzelf mogen zijn — in plaats van hard en veroordelend. Dit komt hun welzijn én uiteindelijk de kwaliteit van de patiëntenzorg ten goede. Zelfvriendelijkheid wordt vaak genoemd als voorwaarde voor het tonen van compassie naar anderen. Omdat compassie jegens patiënten cruciaal is voor hoogwaardige zorg, komt meer zelfvriendelijkheid niet alleen artsen ten goede, maar ook hun patiënten. Compassievolle zorgverlening is echter geen vanzelfsprekendheid. Sommige opleiders tonen meer compassie dan anderen. Onderzoek wijst uit dat persoonlijke kenmerken, ervaringen en eigenschappen samenhangen met de mate waarin artsen compassievol gedrag tonen naar patiënten. Een van de mogelijke kenmerken zou gender kunnen zijn. Omdat rolmodellen cruciaal zijn voor het aanleren van compassievolle zorgverlening bij medisch specialisten in opleiding, en het grotendeels toeval is welke rolmodellen een aios tijdens haar of zijn opleiding tegenkomt, is meer inzicht in de rol van gender hierin wenselijk.

In hoofdstuk 4 analyseerden we 12.416 opleidingsevaluaties (SETQ) die door aios voor 2399 medisch specialisten in 22 Nederlandse ziekenhuizen werden ingevuld. Aan de hand van beschrijvende statistiek onderzochten we in hoeverre aios tijdens hun opleiding observeerden dat opleiders compassievol gedrag toonden richting patiënten en hun families. Daarnaast bouwden en testten we een multivariaat algemeen lineair model (ALM) om de relatie te onderzoeken tussen het waargenomen compassievol gedrag van opleiders en hun status als rolmodel. De resultaten toonden aan dat aios daadwerkelijk het compassievol gedrag van supervisoren in de praktijk observeren, wat suggereert dat voorbeeldgedrag vertonen – d.w.z. een rolmodel zijn - een effectieve strategie kan zijn om aios te leren hoe een compassievolle zorgverlener te zijn. Het demonstreren van compassie in de praktijk door supervisoren kan dus bijdragen aan het floreren van toekomstige artsen als compassievolle zorgverleners. Vrouwelijke opleiders scoorden iets hoger dan hun mannelijke collega’s op zowel het tonen van compassievol gedrag als het gezien worden als rolmodel. Opvallend was echter dat wanneer mannelijke opleiders compassie toonden, dit sterker bijdroeg aan hun status om als rolmodel gezien te worden dan wanneer vrouwelijke opleiders hetzelfde gedrag vertoonden. Deze bevindingen dragen bij aan het groeiende inzicht dat de medische professie niet genderneutraal is. Over het geheel genomen benadrukt dit hoofdstuk dat compassie wordt gezien en gewaardeerd door aios, wat het belang onderstreept van het bewustzijn van opleiders over de impact van hun gedrag richting patiënten en hun families. Diversiteit binnen stafgroepen — zoals variatie in de gendersamenstelling van de groep — zou een praktische en waardevolle strategie kunnen zijn om een breed scala aan compassievaardigheden over te dragen aan toekomstige artsen. Verder onderzoek zou zich kunnen richten op het kwalitatief ontrafelen van verschillen in compassievol gedrag tussen (vrouwelijke en mannelijke) opleiders. Deze inzichten kunnen worden gebruikt bij de ontwikkeling van train-de-trainer-programma’s en het integreren van compassieonderwijs in de medische vervolgopleiding.

De voorgaande hoofdstukken onderzochten op kwantitatieve wijze de relatie tussen diverse elementen van welzijnsculturen en het floreren van artsen: collegialiteit en teamsfeer, psychologische veiligheid, zelfvriendelijkheid en een gezonde werk-privébalans. Een belangrijk maar in de literatuur onderbelicht element van welzijnsculturen is ervaren waardering. Het was onduidelijk hoe waardering op het werk zich manifesteert voor aios, en wat de impact hiervan is op hun professionele vervulling en de mogelijkheid om compassievolle zorg te leveren. Aios bevinden zich in de unieke positie door volwaardig onderdeel te zijn van het zorgteam en tegelijkertijd nog in opleiding te zijn. Hun ervaringen kunnen dan ook verschillen van die van medisch specialisten. Gezien de grote personele uitdagingen, zoals de uitstroomproblematiek, binnen de medische vervolgopleidingen, is het nodig om diepgaand te onderzoeken hoe waardering zich manifesteert in de ogen van aios, en hoe deze waardering bijdraagt aan hun floreren als arts.

Daarom verkenden we in hoofdstuk 5, op basis van open interviews met een mix van 12 mannelijk en vrouwelijke aios uit verschillende specialismen, opleidingsjaren en regio’s in Nederland, hoe aios waardering op het werk ervaren en hoe dit hun professionele voldoening beïnvloedt. De resultaten laten zien dat het gevoel gewaardeerd te worden— gezien en gehoord worden als uniek persoon — essentieel is voor professionele voldoening en het leveren van compassievolle zorg. Aios beschreven hun ervaringen rondom waardering op het werk vanuit drie narratieven: als opleideling, arts/collega en medewerker. Het dominante narratief was afhankelijk van persoonlijke voorkeuren, opleidingsjaar, medisch specialisme, eerdere ervaringen en andere contextuele factoren. In het algemeen gaven aios aan dat het gevoel van waardering sterker was wanneer zij gewaardeerd werden voor iets dat zij zelf belangrijk vonden, en wanneer waardering op een onverwacht moment werd geuit. Volgens de aios verlaagde (de ervaring van) waardering hun stresslevels, vergrootte het hun gevoelens van zelfvertrouwen en trots, versterkte het hun motivatie en betrokkenheid, en gaf het hen het gevoel daadwerkelijk bij te dragen aan de kwaliteit van leven van patiënten. Deze factoren dragen allen positief bij aan hun professionele voldoening en vermogen om compassievolle zorg te leveren.

Samenvattend heeft dit proefschrift onderzocht of en hoe elementen van ‘culturen van welzijn’ invloed hebben op het floreren van Nederlandse artsen – of, meer specifiek, op hun professionele voldoening en hun vermogen om compassievol te handelen. Hoofdstuk 6 geeft een antwoord op deze vraag door te betogen dat welzijnsculturen een rol spelen in het floreren van artsen via drie overlappende thema’s. Elementen van welzijnsculturen kunnen artsen helpen om (1) ‘Betekenis in werk’ te vinden, en (2) hen én hun organisaties te ondersteunen bij het herstellen en bevorderen van ‘Vriendelijkheid op de werkvloer’. Op een meer systemisch niveau concluderen we dat (3) het centraal stellen van ‘Menselijke verbindingen in de zorgpraktijk’ zeer waarschijnlijk het floreren van artsen bevordert en bijdraagt aan het waarborgen van (duurzame) zorgsystemen die in staat zijn hoogwaardige patiëntenzorg te leveren. Met andere woorden, op basis van onze verkenning van welzijnsculturen, concluderen we dat het tijd is om het relationele model in de gezondheidszorg opnieuw te prioriteren, vorm te geven en te versterken. Om dit te realiseren heb ik drie mogelijk behulpzame strategieën voorgesteld: 1) (Stimuleer artsen en andere zorgverleners om te) investeren in interpersoonlijke relaties met zowel patiënten als collega’s, 2) Voer expliciet het gesprek over de kernwaarden van zorgprofessionals, en 3) Integreer leiderschapsstrategieën die gericht zijn op het normaliseren van (zelf-)vriendelijkheid in de medische praktijk en in de vervolgopleiding van artsen.

Ik hoop dat de inzichten uit dit proefschrift hun weg blijven vinden naar de praktijk en dat leden van de beroepsgroep de moed voelen en de middelen vinden om gezamenlijk een cultuur te creëren die betekenis en vriendelijkheid stimuleert en de mens(elijke waarden) weer centraal stelt. Want uiteindelijk kost het niks om vriendelijk te zijn naar elkaar.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten