Deel dit project
Vasoplegia after Heart Failure Surgery
Samenvatting
Hartfalen is een chronisch ziekte met hoge mortaliteit en morbiditeit. Voor geselecteerde patiënten met hartfalen in stadium C en D is operatieve behandeling bewezen effectief. Een chirurgische ingreep is echter niet zonder risico's. Vasoplegie, een subtype van vasodilatoire shock, is een ernstige complicatie die kan optreden na een hartoperatie. Deze complicatie wordt vaker gezien bij patiënten met dan bij patiënten zonder hartfalen. Het wordt veroorzaakt door inactivering van vasoconstrictie- en activering van vasodilatatiemechanismen. Het doel van het onderzoek zoals beschreven in dit proefschrift was om meer inzicht te krijgen in de incidentie en risicofactoren van vasoplegie na hartfalenchirurgie. Daarnaast werden de gevolgen van deze complicatie, zowel in de eerste fase na de operatie als tijdens de lange termijn follow-up bestudeerd. Tot slot werden de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het verhoogde risico op vasoplegie in deze patiëntenpopulatie onderzocht.
In de algemene inleiding van dit proefschrift (hoofdstuk 1) werd een overzicht gegeven van de definitie, epidemiologie, pathofysiologie en behandeling van vasoplegie na hartfalenchirurgie. We stelden dat de kenmerken van hartfalenpatiënten hen vatbaarder maken voor het ontwikkelen van vasoplegie. Eerder werd vasoplegie na hartfalenchirurgie alleen bestudeerd na harttransplantatie en implantatie van een left ventricular assist device (LVAD, ook wel steunhart genoemd). In deze populaties werd vasoplegie geassocieerd met een slechtere klinische uitkomst.
In hoofdstuk 2 werd de incidentie, overleving en voorspellers van vasoplegie bij patiënten die hartfalenchirurgie ondergingen onderzocht. Vasoplegie werd gedefinieerd als de continue behoefte aan vasopressoren (noradrenaline ≥0,2 µg/kg/min en/of terlipressine (elke dosis)) in combinatie met een cardiac index ≥2,2 l/min/m2 gedurende tenminste 12 opeenvolgende uren, beginnend tijdens de eerste 3 dagen postoperatief. In totaal werden 225 hartfalenpatiënten met een linker ventrikel ejectiefractie (LVEF) ≤35% geïncludeerd, die chirurgisch een linker ventrikel reconstructie, CorCap of LVAD implantatie ondergingen. De incidentie van vasoplegie was 29%. Slechts 71% van de vasoplege patiënten overleefden de eerste 90 dagen na de operatie, vergeleken met 91% van de niet-vasoplege patiënten. Preoperatieve anemie en een hogere thyroxinespiegel waren geassocieerd met een verhoogd risico op vasoplegie. Daarentegen verminderden een hogere creatinineklaring en het gebruik van bètablokkers het risico op vasoplegie. Er werd een risicomodel voorgesteld om het risico op postoperatieve vasoplegie te beoordelen. Dit model had een redelijk onderscheidend vermogen om patiënten met een risico op vasoplegie te identificeren, door ze te verdelen in 3 risicocategorieën: 1) laag risico (<25%), 2) intermediair risico (25-50%) en 3) hoog risico (>50%).
Bekijk ook deze proefschriften
Structure-Preserving Data-Driven Methods for Modeling Turbulent Flows
Molecular insights into the role of VRS5 in tillering and lateral spikelet development in barley
Gamma Knife Radiosurgery for Skull Base Tumors
Reimagining petrochemical clusters by defossilising chemical building blocks
Microbial stabilization and protein functionality of plant-based liquids using pulsed electric fields
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















