Deel dit project
Pride, Prejudice and Manchurian Heritage
Samenvatting
Toen Fitzpatrick in 2005 schreef over de Sovjet samenleving, had hij het over hoe vijftien jaar eerder, in 1990, “er nog steeds een gevoel heerste dat de 'Sovjet ideologie' door het regime opgedrongen werd aan een bevolking wiens individuele leden slechts passieve consumenten waren. Het is een grote stap vooruit dat het Stalinistisch subject uitgroeit tot 'een zelfstandige ideologische actor'.” Vijftien jaar later in 2020, bevinden de Noord-Korea studies zich weliswaar niet in exact dezelfde positie als Fitzpatrick’s beschrijving van de staat van de Sovjet studies, maar toch zijn zij niet helemaal vrij van die jaren '90 houding. Noord-Koreanen worden zelden beschreven als psychologisch complex en in staat om er verschillende, misschien zelfs contradictorische, ideeën, argumenten en identiteitskenmerken op na te kunnen houden. Er wordt zelden verondersteld dat zij, bijvoorbeeld, een sterke culturele affiniteit kunnen hebben met Noord-Korea, terwijl zij – zoals het geval is voor meer dan 30,000 'overloper-migranten' die sinds de late jaren '90 van Noord naar Zuid gevlucht zijn – zich vestigen in Zuid-Korea en voor dit land, dat hen onvoorwaardelijk de nationaliteit schonk, pattriotisme en affectie voelen. Er lijkt weinig belangstelling te zijn voor de vraag wat het eigenlijk betekent om Noord-Koreaan te zijn, hetzij geschiedkundig, hetzij in de 21e eeuw.
Dit proefschrift levert een bijdrage aan dit onderzoek. Het bevraagt de 'culturele identiteiten' (zonder deze specifieke term te gebruiken) van Noord-Koreanen die zich in Zuid-Korea gevestigd hebben. Bij aanvang van het derde decennium van de 21e eeuw, stelt het de volgende vragen: Wat betekent het Noord-Koreaan te zijn? Wat bepaalt het Noord-Koreaanse culturele zelfbeeld? En tenslotte, wat zijn de breuklijnen in de Noord-Koreaanse samenleving die de aantoonbare verschillen tussen dergelijke vormen van zelfbegrip in het tweede decennium van de 21e eeuw bepalen?
Het eerste hoofdstuk kijkt terug op de geschiedenis van het onderzoek naar Noord-Korea. De klemtoon ligt daarbij met name op de impact van de ingrijpende omwentelingen in de jaren '90 op het geheel van de Noord-Korea studies. Het hoofdstuk opent met een kroniek van de geschiedenis sinds 1945 van de context waarbinnen de onderzoekskaders voor de studie van Korea vorm kregen. Vervolgens kijkt het naar de huidige staat van het onderzoek en onderwijs betreffende Noord-Korea in Zuid-Korea. De tweede helft van het hoofdstuk gaat dieper in op publicaties binnen de Noord-Korea studies en hun auteurs. De kritische lezing van verschillende onderzoeksbenaderingen van de studie van Noord-Korea laat toe de intellectuele ontwikkeling van het gebied doorheen de tijd te belichten. Besluiten doet het hoofdstuk met een introductie van de onderzoeksmethode toegepast in dit proefschrift; enquêtes en interviews met Noord-Koreanen die zich in Zuid-Korea gevestigd hebben. Daarbij gaat het specifiek in op de theoretische en methodologische uitdagingen en de voornaamste vragen eigen aan dit soort onderzoek. Daardoor positioneert het dit onderzoek, en toont er het belang en de beleidsrelevantie van aan.
Het tweede hoofdstuk gaat in op de Koreaanse sociale context van het Noord-Korea onderzoek. Gezien het feit dat de inzet hoog is voor allebei de staten en inwoners op het Koreaanse schiereiland en de omliggende landen, hoeft het nauwelijks te verbazen dat in Zuid-Korea onderzoek over Noord-Korea - vooral daar waar het beleidsgericht is – politiek gecontesteerd is. De informatie armoede die het Noord-Koreaanse regime in stand houdt op het schiereiland, waardoor standpunten worden ingenomen op basis van beperkt bronnenmateriaal, draagt verder bij aan de polarisering. Tegen deze achtergrond schetst het tweede hoofdstuk de representaties van Noord-Korea en Noord-Koreanen in het zuiden, en wat het effect daarvan is op het algemene bewustzijn over het Noorden onder Zuid-Koreanen. Ik bespreek in detail twee onjuiste en problematische vooronderstellingen betreffende de groep overloper-migranten; namelijk, dat zij als zelf-selecterende groep automatisch sterke anti-regeringsgevoelens zouden hebben, en dat zij allen arme en laag opgeleide vertegenwoordigers van de Noord-Koreaanse onderklasse zouden zijn.
Na deze beschouwende aanloop, bespreekt het derde hoofdstuk de methodologie van de gestructureerde vragenlijsten en de semi-gestructureerde interviews die dit onderzoek onderbouwt, duikt het in de realiteit van de overloper-migranten gemeenschap in Zuid-Korea, en toont het aan de hand van de verworven kwantitatieve en kwalitatieve data onweerlegbaar de diversiteit van deze gemeenschap aan. Het hoofdstuk geeft zowel een vergelijkende analyse van de onderzoeksgroep in relatie tot de referentiegroep – de overloper-migranten gemeenschap in Zuid-Korea, die eind 2019 meer dan 33,000 personen bedroeg – als een argumentatie van de gebruikte onderzoeksvragen en overwegingen bij de methodologische beperkingen van dergelijk onderzoek.
In het vierde hoofdstuk komen de resultaten van het uitgevoerde onderzoek aan bod. Daarbij maak ik gebruik van beschrijvende statistieken – twijfelloos de enige gepaste manier gezien de (onvermijdelijk) niet-willekeurige wijze waarop de onderzoeksgroep werd samengesteld – gekoppeld aan een selectie citaten en anecdotes voortgekomen uit de individuele en groepsinterviews. Het hoofdstuk is onderverdeeld in drie delen: het eerste bekijkt het onderscheid tussen de ‘officiële’ en ‘reëele’ cultuur in Noord-Korea; het tweede bestudeert de ongelijke impact van de zogeheten ‘Mantsjoerijse erfenis’ bij de vorming van een individueel zelfbewustzijn onder gewone Noord-Koreanen; en het derde deel betreft de structurering van verschillen binnen de Noord-Koreaanse samenleving, specifiek de impact (of het gebrek daaraan) van zowel generationele als geografische factoren op individuele attitudes en opinies.
Uit het onderzoek blijkt dat het gewone Noord-Koreaanse volk de erg conservatieve en separatististische visie op ethniciteit en zelfbegrip van de centrale staat niet expliciet verwerpt, maar dat die visie slechts voorwaardelijk en gedeeltelijk geaccepteerd is, en altijd in combinatie met andere aspecten van gelijk of meer belang. Net als vele andere overheden, promoot ook de Noord-Koreaanse overheid een bepaald imago van zichzelf. In het Noord-Koreaanse geval is dat imago racistisch, en legt het als algemeen principe een naar binnen gekeerde ethnische groepsidentiteit op. Maar gewone burgers behouden altijd een zekere handelsbekwaamheid, de mogelijkheid om controle te nemen over hun persoonlijk leven. In dit specifieke geval betekent dit dat burgers de mogelijkheid bezitten vrijelijk hun eigen zelfbeeld te bepalen en tot inzichten te komen die niet enkel bepaald zijn door het door de overheid opgelegde socializeringsproces (via scholen en andere institutionele kaders), maar evenzeer gevormd zijn door diverse direct beleefde of indirect aangereikte levenservaringen.
Dit onderzoek toont dan ook aan dat de gemiddelde respondent niet onmiddellijk trots haalt uit ideologische aangelegenheden. Voor de meeste respondenten zijn ideologische onderwerpen geen prominente identiteitskenmerken. Pro forma ideologie in zijn meest brutale, botte, vanzelfsprekende vorm, vindt weinig weerklank. Trots op chuch'e en de Mt. Paektu bloedlijn is beperkt. Er is trots in 's lands anti-Japanse verzetsgeschiedenis – de Mantsjoerijse erfenis – maar op een lager niveau dan verwacht zou kunnen worden gezien de toon van de officiële cultuur en de inzichten van vele externe analyses van diezelfde officiële cultuur. Daartegenover valt een trots voor de Noord-Koreaanse kunst en in mindere mate voor Noord-Koreaanse sportprestaties op. De helft van de ondervraagden is trots op de Noord-Koreaanse kunst en litteratuur, en ook sportieve prestaties werden met trots bejegend, zij het op een beperktere schaal.
Natuurlijk verschillen de resultaten per cohort: de derde sub-sectie toont dat (1) ouderen en (2) migranten uit P'yongyang over het algemeen een grotere tevredenheid uitspreken over hun ‘Noord-Koreaan zijn’. Deze beide groepen lijken een sterker, minder gecontesteerd zelfbeeld te hebben, wat kan verklaard worden vanuit hun specifieke levenservaringen. In ieder geval voelen deze mensen zich goed bij de notie van het ‘Noord-Koreaan zijn doen’. Daar moet onmiddellijk aan toegevoegd worden dat het verschil tussen zij die tevredenheid uitspraken en zij die ontevreden waren, gering is. Bovenal komt tot uiting dat Noord-Korea voor niemand een erg aansprekende plaats was. Daartegenover staat dat, in tegenstelling met bestaand wetenschappelijk inzicht en voor wat betreft de themas van deze studie, dit onderzoek geen significant verschil vaststelt tussen grensbewoners en bewoners uit het binnenland.
De resultaten van dit onderzoek moeten met de nodige omzichtigheid gelezen worden. Onderzoek over Noord-Korea wordt sterk bemoeilijkt door de beperkingen waarbinnen het plaatsvindt. Resultaten kunnen beïnvloed worden door de zelf-selectie van de overloper-migranten gemeenschap; de bredere problematiek van sociale wenselijkheid; en/of de impact van het vaak zenuwslopende proces van het land verlaten, de transit door China, en de aankomst en inburgering in Zuid-Korea.
Toch loont het de moeite deze resultaten ernstig te nemen, niet enkel om wat het ons leert omtrent Noord-Korea – dit onderzoek ondersteunt de stelling dat onderzoek naar overloper-migranten informatief is met betrekking tot zowel de Noord-Koreaanse samenleving als de Noord-Koreaanse diaspora in het Zuiden – maar ook vanwege de informatie omtrent de inburgeringservaring, en de aanwijzingen die het aanreikt voor de toekomst. Reeds in 1998 waarschuwde Roy Richard Grinker dat de inburgering van overloper-migranten in Zuid-Korea schade zou oplopen bij het schokkende inzicht dat ‘het gangbare Zuid-Koreaanse aanvoelen was dat niets uit het Noorden de moeite van het bewaren waard was.’ De uitkomsten van dit onderzoek wijzen in de richting van wat als ‘waardevol’ ervaren wordt door de Noord-Koreaanse diaspora in Zuid-Korea.
Vertaald door: Caroline Kerkaert
Bekijk ook deze proefschriften
Imaging of Critical Limb Ischemia
Differential Deposition of Intramuscular and Abdominal Fat in Chicken
Platelets, Red Blood Cells, Fibrinogen and Endothelial Cells: Essential Components in Blood Clotting
Machine Learning for Breast Cancer Diagnosis in Developing Countries
Early Health Technology Assessment of Tissue-Engineered Heart Valves
Diclofenac-related Leakage of Experimental Anastomoses
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















