Deel dit project
Children's rights and citizenship
Samenvatting
Inleiding
In een context waarbij wereldwijd steeds meer kinderen al op jonge leeftijd naar centra voor kinderopvang, voorschoolse educatie en naschoolse opvang gaan, is het belangrijk om deze kindercentra te erkennen als unieke voorzieningen waar universele kinderrechten, verantwoordelijkheden en democratische omgangsvormen voorgeleefd, doorleefd, geoefend en verder ontwikkeld kunnen worden. Dit is belangrijk voor kinderen, maar ook voor hun ouders, de gemeenschappen waar zij toe behoren, en de samenleving als geheel. In dit proefschrift hebben we de vraag behandeld hoe de concepten van kinderrechten en democratisch burgerschap op verschillende niveaus van het sociaalecologische systeem rondom jonge kinderen vorm gegeven kunnen worden en, toegespitst op kindercentra, kunnen bijdragen aan hun welzijn, inclusie, en socialisatie. Op deze wijze hebben we geprobeerd bij te dragen aan een pedagogisch vertoog van ‘empowerment’, het in hun kracht zetten, van kinderen. Tijdens het onderzoeksproces hebben we verschillende belanghebbenden bij het werk betrokken, waaronder kinderen zelf.
Vertrekpunt van het onderzoek waren de leidende principes van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) en de nadere uitleg dat deze universele rechten gelden voor alle kinderen van 0 tot 18 jaar, dus ook voor de allerjongste kinderen. Een eerste verkenning, in Hoofdstuk 1, bracht aan het licht dat binnen kindvoorzieningen een centraal vraagstuk is hoe het recht op bescherming moet worden afgewogen tegen de rechten op participatie, autonomie en eigenaarschap. Belangrijk hierbij is het beeld van het kind waar van uitgegaan wordt: zien we het kind vooral als behoeftig, nog niet competent en in-wording als burger (becoming) of zien we het kind nu al als competente burger (being), met behoeften maar ook met rechten, belangen, ervaringen, ideeën en toenemende capaciteiten?
Een tweede inzicht uit deze eerste verkenning is dat toepassing van een kinderrechtenperspectief in het kader van kindercentra altijd drieledig is: het gaat om zowel het recht op toegang tot kindvoorzieningen, de waarborging van rechten binnen die voorzieningen, als de verwezenlijking en verduurzaming van rechten via die voorzieningen, door wat deze voorzieningen bijdragen aan de ontwikkeling en vorming van kinderen en aan hun kansen in de samenleving. Toegepast in samenhang, kunnen kinderen in toegankelijke kindvoorzieningen hun rechten en verantwoordelijkheden op dagelijkse basis ervaren en oefenen, en door autonomie, keuzevrijheid en verantwoordelijkheid in de context van een groep te bevorderen, kunnen kinderen hun competenties verder versterken. De ogenschijnlijke tegenstelling tussen kinderen zien als beings en kinderen zien als becomings kan op deze manier worden overbrugd: door kinderen als burgers te behandelen en een balans te zoeken tussen bescherming en participatie, is burgerschap tegelijkertijd praktijk (being) en doel (becoming).
Als verdere uitwerking hiervan is in deze eerste verkenning onderscheid gemaakt tussen drie niveaus van democratisch burgerschap: de persoonlijk verantwoordelijke burger, de participatieve burger en de burger die zich bewust is van sociale rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid neemt voor anderen in de groep, de gemeenschap en wijdere samenleving. Mede in relatie tot het laatste, is hier ook ingegaan op een belangrijk kenmerk van de wijdere maatschappelijke context waarbinnen kindvoorzieningen vorm geven aan kinderrechten en burgerschap: de toenemende diversiteit naar sociale, culturele en religieuze achtergrond. Dit bracht een derde inzicht naar voren: toepassing van kinderrechten en principes van burgerschap in kindvoorzieningen omvat idealiter ook praktijken van verbinding (gericht op groepsvorming) en overbrugging (in relatie tot diversiteit).
Deze dissertatie
In vier deelonderzoeken hebben we op verschillende niveaus - van ideologie tot formeel beleid, en van organisatiekenmerken en pedagogisch beleid tot de ervaringen van het individuele kind – de vormgeving van kinderrechten en democratisch burgerschap bestudeerd. In deze deelonderzoeken hebben we geprobeerd een beeld te schetsen van wat een kinderrechten- en burgerschapsaanpak kan bijdragen aan het welbevinden van kinderen en hoe deze op schaal kan worden gebracht. Op deze wijze hebben we geprobeerd de contouren te schetsen van een op kinderrechten en burgerschapsprincipes gebaseerde pedagogiek in centra voor voor- en naschoolse opvang en educatie. De deelonderzoeken hebben een aantal inzichten opgeleverd, die hieronder kort worden samengevat.
Ideologisch discours en formele curricula
In het eerste onderzoek (Hoofdstuk 2) hebben we internationale, Europese en Nederlandse documentatie geanalyseerd om het ideologische en formele (wettelijke) discours rond de toepassing van kinderrechten en burgerschap in pedagogische voorzieningen zoals de kinderopvang in kaart te brengen, en de veranderingen daarin in de loop der jaren. Uit deze analyse kwam naar voren dat het internationale, meer ideologisch geörienteerde, discours aanvankelijk, in de jaren na ondertekening van het Internationale Kinderrechten Verdrag, veel directe verwijzingen naar kinderrechten omvatte (bijvoorbeeld het recht op, rechten in en nagestreefd via kinderopvang), en vanaf het jaar 2000 ook naar (democratisch) burgerschap. Andere begrippen als participatie van kinderen en ouders (in de zin van inspraak en meebeslissen), en de relatie met de gemeenschap, empowerment en agency van kinderen, en diversiteit en inclusie kwamen tevens veelvuldig aan de orde. In meer recente jaren bleek vooral participatie in internationale (beleids)documenten voor kinderopvang een kernbegrip en concrete uitwerking te zijn, naast nadruk op de rol van de gemeenschap. Het formele kwaliteitsraamwerk voor vroege opvang en educatie uit 2014, met de status van beleidsadvies, van de Europese Commissie (European Quality Framework), bleek een tamelijk compleet kader te bieden vanuit een kinderrechten- en democratisch burgerschapsperspectief, gebaseerd op een beeld van het kind als competente burger en eigenaar van het eigen ontwikkelings- en leerproces. Ook bleek het Europese kwaliteitskader het belang te benadrukken van kinder- (en ouder-) participatie in een context van diversiteit, betrokkenheid van de gemeenschap, en een pedagogiek van inclusie. Analyse van de formele wettelijke kaders voor kinderopvang, voorschoolse educatie en buitenschoolse opvang in Nederland gaf een ander beeld te zien. Noch in de wettelijke kwaliteitsregels, noch in de open geformuleerde vier pedagogische basisdoelen bleek systematische aandacht voor kinderrechten en burgerschap, ook niet in de concrete vorm van kinderparticipatie, betrokkenheid van de gemeenschap, en omgaan met diversiteit en inclusie. Concreet vorm en inhoud geven aan de pedagogische basisdoelen, al of niet vanuit een kinderrechten en burgerschapsbenadering, is in het Nederlandse stelsel van kinderopvang vooral een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van de aanbiedende organisaties.
Kinderrechten en burgerschap in de Nederlandse kinderopvang
In het tweede onderzoek (Hoofdstuk 3) onderzochten we of, in welke mate en hoe in de Nederlandse kinderopvang, peuteropvang, voorschoolse educatie en naschoolse opvang elementen van een kinderrechten- en burgerschapsbenadering momenteel worden toegepast; of toepassing hiervan verband houdt met het welzijn en de betrokkenheid van kinderen en de kwaliteit van hun sociale interacties. We maakten gebruik van data verzameld in het kader van de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang in de periode 2017-2019. Iets minder dan de helft van de kinderopvangorganisaties bleken, volgens centrummanagers, in hun missie en visie, opgetekend in de wettelijk verplichte pedagogische beleidsplannen, expliciet te verwijzen naar zowel kinderrechten als democratisch burgerschap. Een groter deel bleek òf naar kinderrechten òf naar democratisch burgerschap te verwijzen; de rest deed geen van beide of gaf aan het niet te weten. Verwijzen naar kinderrechten en burgerschap bleek zich te vertalen in meer aandacht voor kinderparticipatie en toepassing van een opendeurenbeleid (kinderen kunnen een deel van de dag vrij kiezen om in een andere groep te spelen; agency). Over de hele linie was er volgens pedagogisch medewerkers van de deelnemende organisaties veel aandacht voor goede relaties binnen de groepen en voor het bevorderen van positieve interacties tussen kinderen (in de zin van verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en de groep, en democratische conflicthantering; bonding). Openstaan voor en het overbruggen van diversiteit (bridging) bleek echter beperkt aandacht te krijgen in alle vormen van kinderopvang, en het aanbod aan activiteiten gericht op de gemeenschap of op sociaal-morele onderwerpen was zeer beperkt. Met betrekking tot kinderparticipatie, bleken de kindercentra kinderen vooral vormen van informele kinderparticipatie te hanteren door goed te luisteren naar kinderen en te observeren wat kinderen leuk vinden en daar rekening mee te houden. Er bleek over de hele linie weinig gebruik gemaakt te worden van meer formele en systematische kinderparticipatie, bijvoorbeeld in de vormen van kinderen (of hun ouders) regelmatig op gestructureerde wijze door middel van gesprekken of een vragenlijst om input te vragen. De resultaten lieten verder zien dat toepassing van directe meer geformaliseerde vormen van kinderparticipatie, dus direct met de kinderen zelf, samenhing met hoger welbevinden en grotere betrokkenheid van de kinderen en hogere kwaliteit van hun sociale interacties. Dit bleek ook te gelden voor andere kenmerken van een kinderrechten- en burgerschapsbenadering, zoals grotere keuzevrijheid via een opendeurenbeleid en het geven van verantwoordelijkheid aan kinderen bij het op een democratische manier omgaan met conflicten.
Child Voices: jonge kinderen over welzijn en inclusie
In het derde onderzoek (Hoofdstuk 4) onderzochten we hoe een op kinderrechten en burgerschapsprincipes gebaseerde pedagogiek in kindercentra door jonge kinderen zélf wordt ervaren. Het diepte-onderzoek werd uitgevoerd onder kinderen van 3 tot 6 jaar in centra voor dagopvang en buitenschoolse opvang in een cultureel diverse grootstedelijke context. Via een speciale methode die de verschillende ‘stemmen’ van kinderen oppikt en de veelvormige informatie als een mozaïek in elkaar schuift, bleek dat kinderen al op jonge leeftijd waardevolle informanten kunnen zijn en relevante informatie en nieuwe ideeën voor het pedagogisch beleid en vormgeving van de dagelijkse praktijk kunnen inbrengen, met name rond de thema’s identiteit, welbevinden en inclusie. De participatiemethode bestond uit verschillende activiteiten, zoals een door kinderen geleide rondleiding door het centrum, het maken van een identiteitskaart en het maken van foto’s ten behoeve van een groepsboek. De producten werden als input gebruikt voor gesprekken met de kinderen over hun identiteit, welbevinden, het gevoel ‘erbij te horen’, en de ontvangst en inclusie van nieuwe kinderen. Kinderen in de cultureel superdiverse context van het kindercentrum definieerden hun identiteit vooral in termen van de sociaal-fysieke ruimte van de groep waartoe zij behoorden, niet in termen van hun uiteenlopende sociale, culturele of talige achtergronden. Positief voor hun welbevinden en het gevoel erbij te horen was de continuïteit die zij ervoeren tussen de domeinen thuis, kinderopvang en school, die voor hen op natuurlijke wijze in elkaar overlopen. Belangrijk voor het welbevinden was volgens de kinderen ook de vrijheid om door de ruimte van het centrum te kunnen navigeren en zelf te kunnen kiezen met wie, en waar, zij zouden spelen (deel van het opendeurenbeleid van het centrum) en een zeker mate van flexibiliteit van het dagprogramma. Het onderzoek bevestigde dat activiteiten die binding en het overbrugging van verschillen bevorderen kunnen bijdragen aan het gevoel van inclusie. Kinderen ervoeren tijdens het onderzoeksproces dat ze ertoe doen (‘ik’), terwijl ze samen aan iets werken (‘wij’) ten dienste van een overkoepelend doel (‘zij, de anderen’) om als groep (‘onder ons’) bij elkaar te komen.
Een benadering van kinderrechten en democratisch burgerschap op schaal
Het vierde onderzoek (Hoofdstuk 5) betrof een case studie van een op grote schaal geïmplementeerd en effectief bevonden programma voor burgerschapsvorming in het basisonderwijs, De Vreedzame School, met als variant De Vreedzame Voorschool voor kinderopvang en voorschoolse educatie. Betrokken bij het onderzoek waren ontwikkelaars, uitvoerders en ouders van centra in wederom een cultureel diverse grootstedelijke omgeving. Op basis van documentenanalyse en gesprekken met betrokkenen is nagegaan wat de succesfactoren zijn van het programma en hoe deze op schaal kunnen worden gebracht en geïmplementeerd in kindercentra voor voorschoolse en naschoolse opvang en educatie. Het onderzoek bevestigde dat rechten en verantwoordelijkheden het beste kunnen worden uitgeoefend in een democratische ruimte, dat wil zeggen in een omgeving die wordt gekenmerkt door wederzijds respect tussen kinderen, tussen kinderen en professionals, en tussen professionals en ouders als basis voor effectief democratisch burgerschap. Belangrijke aspecten om mee te nemen bij implementatie van een kinderrechten- en burgerschapsperspectief in kindercentra zijn: een gemeenschapsoriëntatie waarbij de groep kinderen, het kindercentrum en de school als één continue democratische ruimte wordt gezien; een visie op brede burgerschapsvorming; lokale verankering; betrokkenheid van en ondersteuning van de implementatie door alle belanghebbenden; een herkenbare identiteit van de aanpak door het 'spreken van één taal' en het gebruik van dezelfde symbolen in het kindercentrum, de school en daarbuiten, in de wijk; het overdragen van verantwoordelijkheden naar kinderen vanaf jonge leeftijd - in overeenstemming met de zich ontwikkelende capaciteiten van het kind; de ondersteuning en professionalisering van de medewerkers; actief contact zoeken en communiceren met ouders en buurt, aansluiting zoeken bij wijkorganisaties en gemeenschapsgerichte programma's buiten het kindercentrum en de school en meebewegen met ontwikkelingen in de samenleving door bijvoorbeeld aan te sluiten bij actuele thema's als culturele polarisatie, kansengelijkheid en mediawijsheid. Op deze wijze hebben kinderen de mogelijkheid om te oefenen in een context van de eigen en andermans rechten, en om democratisch burgerschapsvaardigheden te praktiseren in een zinvolle context. De principes van een burgerschapsprogramma als De Vreedzame School, oorspronkelijk ontwikkeld voor het basisonderwijs, kunnen met enige aanpassingen ook succesvol worden geïmplementeerd en op schaal worden gebracht voor kindercentra.
Conclusies en aanbevelingen
Het onderzoek gerapporteerd in dit proefschrift ondersteunt de opvatting dat in de pedagogische context van kinderopvang participatie en inspraak van kinderen belangrijk zijn. Kinderen zijn waardevolle bronnen van informatie om de kwaliteit van opvang en onderwijs te verbeteren. Op deze manier zijn zij ook mede-eigenaar van hun eigen leer- en ontwikkelingsproces. Het recht van kinderen op participatie kan het beste worden gekaderd in een vertoog van kinderrechten en democratisch burgerschap, zich ontwikkelende capaciteiten, en autonomie in de context van onderlinge afhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Hierdoor ontstaat een ‘sterk’ beeld van het kind als competente co-creator en niet alleen als passieve ontvanger van zorg en educatie. In dit verband moet de balans tussen het recht op bescherming en het recht op participatie grondig worden overwogen. Het verdient aanbeveling om kwaliteitsconcepten die op een ‘beschermingsvisie’ zijn gebaseerd uit te breiden met een beeld van het kind als een competente burger met zich ontwikkelende capaciteiten om rechten uit te oefenen en verantwoordelijkheden te dragen. In lijn hiermee dient een wettelijk kwaliteitskader ingevoerd te worden dat de implementatie van systematische directe kinderparticipatie verplicht stelt, ook voor de jongsten, en daarvoor concrete richtlijnen geeft.
Een op kinderrechten en de principes van democratisch burgerschap gebaseerde pedagogiek mag niet worden verengd tot een al te romantische (individualistische) kijk op het kind als een unieke, competente persoon met volledige zelfbepaling, maar moet ook de (collectivistische) waarde van sociale verantwoordelijkheid jegens anderen inhouden, jegens leeftijdsgenoten, de groep en de bredere gemeenschap. Uit het huidige onderzoek blijkt dat het ondersteunen van individuele keuzevrijheid en sociale verantwoordelijkheid elkaar niet uitsluiten. Integendeel, in concrete pedagogische praktijken kunnen ze elkaar juist versterken door kinderen autonomie en keuzevrijheid te geven in gezamenlijke co-creatieve processen met anderen (leeftijdsgenoten, leraren, ouders, leden van de gemeenschap), met name in gezamenlijke maatschappelijke activiteiten die gericht zijn op de 'buitenwereld' van de lokale gemeenschap en de samenleving als geheel. Het opnemen van de waarde van verantwoordelijkheid jegens anderen in kwaliteitsconcepten en wettelijke kwaliteitskaders is mede aan te bevelen vanwege de publieke functie van het kinderopvangsysteem.
Dit proefschrift draagt op verschillende manieren bij aan de vertaling van een universeel kinderrechten- en democratisch burgerschapsperspectief in concrete pedagogische principes voor de vormgeving van ruimten, procedures en praktijken in de kinderopvang. We hebben laten zien hoe directe participatie van kinderen kan worden gerealiseerd door middel van speelse activiteiten met verschillende vormen van expressie, begeleid door open en semigestructureerde gesprekken. Indien goed geïmplementeerd, zullen dergelijke vormen van directe participatie waarschijnlijk bijdragen aan het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen, aan de kwaliteit van hun interacties met leeftijdsgenoten, en aan hun gevoel van verbondenheid en inclusie. Ook identificeerden we pedagogische praktijken die de keuzevrijheid en sociale verantwoordelijkheid van kinderen kunnen ondersteunen. Dit ging bijvoorbeeld over het belang om kinderen de vrijheid te geven om door de ruimte van het centrum te navigeren en te spelen met kinderen uit andere groepen, wat mogelijk indruist tegen het idee van strikte groepsstabiliteit en een vaste personele bezetting per groep (uit het oogpunt van bescherming). Verder ontdekten we het belang van collectief werk om de sociale verantwoordelijkheid van kinderen te ondersteunen en beschreven we concrete activiteiten voor het beoefenen van democratisch burgerschap, zoals groepsgesprekken onder leiding van kinderen en peer-mediatie bij conflictoplossing. In dit opzicht biedt het internationaal overeengekomen perspectief van universele kinderrechten en democratisch burgerschap, indien vertaald in concrete pedagogische richtlijnen, een 'inhoudsrijke' invulling en concrete uitwerking van het vierde pedagogische basisdoel van het wettelijke kwaliteitskader van de Nederlandse kinderopvang, namelijk de 'overdracht van de normen en waarden, en de cultuur van de samenleving'.
Ten slotte hebben we in dit proefschrift kritisch gekeken naar de Nederlandse benadering van de voor- en buitenschoolse opvang en educatie op nationaal beleidsniveau. De Nederlandse kinderopvang is de afgelopen decennia geëvolueerd van een systeem met een louter economische functie naar een pedagogische basisvoorziening met het potentieel bij te dragen aan de oplossing van urgente maatschappelijke vraagstukken, en staat aan de vooravond van de omvorming tot een universele, mogelijk grotendeels gratis voorziening voor alle kinderen en gezinnen. Wetgeving en kwaliteitsregulering hebben geen gelijke tred gehouden met deze ontwikkelingen. We raden daarom een fundamentele verandering van beleid aan. We pleiten voor verbreding van de momenteel dominante kwaliteitsconcepten en het wettelijke kwaliteitskader en inspectiesysteem die daar uit zijn voortgevloeid, door deze concepten aan te vullen en te verrijken met een kinderrechten- en democratisch burgerschapsperspectief. We pleiten ook voor de invoering van concrete nationale curriculumrichtlijnen die de doelen en normen specificeren van de socialisatieprocessen in de kinderopvang in het licht van een internationaal overeengekomen waardenbasis, ondersteund door een beeld van het kind als een burger met rechten en zich ontwikkelende capaciteiten om deze rechten uit te oefenen. Het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind en vooral de uitwerking daarvan in het Europese Kwaliteitsraamwerk bieden in dit verband goede aanknopingspunten.
Bekijk ook deze proefschriften
Improving North Sea biodiversity monitoring using novel molecular approaches
Omics Studies of Cardiometabolic and Skeletal Traits
Interaction between acute illness and malnutrition in children in sub-Saharan Africa and South Asia
The Balancing Act of Allogeneic Haematopoietic Stem Cell Transplantation
Charge Transport and Bubble Dynamics in Electrolysis Applications
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















