Deel dit project
Foraging in the farrowing room to stimulate feeding
Samenvatting
Biggen worden in de gangbare varkenshouderij op 3 tot 4 weken na hun geboorte plotseling gescheiden van hun moeder, waardoor ze geen melk meer kunnen drinken en zelfstandig voer moeten gaan eten. Dit proces wordt spenen genoemd, en gaat vaak samen met het overplaatsen van biggen (naar een ander hok of een ander bedrijf) en het samenvoegen met biggen opgegroeid bij andere zeugen. Deze abrupte veranderingen in voer, omgeving en sociale groep leiden tot veel stress, wat zich uit in slecht eten en groeien, diarree en het vertonen van stress-gerelateerde gedragingen, zoals staartbijten. Spenen wordt daarom vaak gezien als de meest stressvolle periode in het leven van een varken. Biggen die al geleerd hebben vast voer op te nemen voordat ze gespeend worden, eten en groeien beter na spenen, met name als ze veel van dit voer vóór spenen gegeten hebben. Een aanzienlijk deel van de biggen eet echter niet voor ze gespeend worden of slechts kleine hoeveelheden, ondanks dat ze het voer vroeg aangeboden krijgen. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken hoe biggen gestimuleerd kunnen worden om vast voer op te nemen vóór spenen. Verder is de invloed van het vroeg aanbieden van vast voer op gedrag, en het eten van vast voer op de darmfysiologie en darm microbiota nog grotendeels onbekend.
Dit proefschrift is opgedeeld in twee delen. In het eerste deel onderzochten we de effecten van het verstrekken van vast voer vanaf een jonge leeftijd op het gedrag en de (darm)fysiologie van de biggen. In het tweede deel van het proefschrift zijn verscheidene strategieën onderzocht om meer biggen aan het eten te krijgen en ook de hoeveelheid die ze eten vóór spenen te verhogen, om zo de aanpassing aan vast voer na spenen te vergemakkelijken. Dit werd gedaan door biggen meer mogelijkheden te geven om foerageergedrag te vertonen, zoals wroeten en kauwen. Onder meer natuurlijke omstandigheden foerageren biggen namelijk al vanaf een paar dagen na de geboorte en proberen ze hierbij verscheidene, deels vezelrijke voedselbronnen uit. In de gangbare varkenshouderij is de mogelijkheid tot foerageren echter beperkt, omdat er meestal geen geschikte wroetmaterialen aangeboden worden en de biggen slechts één type voer verstrekt krijgen. In dit proefschrift werd foerageren van biggen gestimuleerd door 1) het hok te verrijken met wroetmaterialen, afwisselende speeltjes en extra ruimte, 2) wroet-, kauw- en speel-materialen aan de voerbak te bevestigen zodat een ‘speel-voerbak’ ontstaat, 3) divers voer in de voerbak aan te bieden en 4) voer in de voerbak te verstoppen in zand om zo voedselzoekgedrag te bevorderen.
Verstrekken van vast voer vanaf jonge leeftijd
In hoofdstuk 2 en 3 werd onderzocht of het vroeg verstrekken (vanaf 2 dagen leeftijd) van vast voer met fermenteerbare vezels vóór spenen positief kan bijdragen aan de gedrags- en fysiologische ontwikkeling van biggen en zo problemen na spenen kan verminderen. Biggen die voer kregen vóór spenen groeiden 12% beter in de laatste week vóór spenen dan biggen die dit niet kregen, waardoor ze een 5% hoger speengewicht neigden te hebben (Hoofdstuk 2). In de twee weken na spenen verschilden de groepen niet in voeropname, groei, voerefficiëntie en diarree, maar aan het einde van deze twee weken waren de biggen die voer vóór spenen kregen wel 6% zwaarder en 10% uniformer in hun lichaamsgewicht. De groepen verschilden niet in een stress-marker in het bloed en in beschadigende gedragingen die geassocieerd worden met stress. We vonden dus geen aanwijzingen dat het verstrekken van vast voer vóór spenen het speenproces minder stressvol maakt. Het verstrekken van voer vóór spenen beïnvloedde het gedrag van de biggen in geringe mate, aangezien alleen de typen exploratiegedragingen verschilden tussen te groepen, waarbij biggen met voer vaker wroetgedrag in het hok lieten zien, maar minder vaak op mest of lucht kauwden dan biggen zonder voer. Net vóór spenen werd een deel van de biggen opgeofferd om het spijsverteringsstelsel en de darmmicrobiota te bestuderen (Hoofdstuk 3). Biggen die vóór spenen het voer aten dat ze aangeboden kregen, hadden een langere (9.6 ± 0.2 vs. 9.0 ± 0.2 meter) en zwaardere darm (484 ± 23 vs. 438 ± 14 gram zonder darminhoud) dan biggen zonder voer. Ook hadden ze een lagere pH in de blinde (6.3 ± 0.05 vs. 6.7 ± 0.06) en dikke darm (6.9 ± 0.08 vs. 7.2 ± 0.08) en een hogere concentratie van korte-keten vetzuren in de dikke darm (69.3 ± 12.4 vs. 41.2 ± 4.3 μmol/gram nat gewicht). Bovendien verschilden hun microbioom in de dikke darm vóór spenen, waarbij de microbiota van etende biggen geassocieerd kon worden met vezelrijk voer en de hoeveelheid voer die ze tot zich namen.
Een deel van de biggen in Hoofdstuk 2 kreeg na spenen een kleine hoeveelheid van het voer dat ze vóór spenen kregen (bekend voer) bovenop het voer verstrekt dat ze na spenen kregen (onbekend voer). We verwachtten dat door een kleine hoeveelheid bekend voer te verstrekken naast het onbekende voer, we de voeropname net na spenen zouden verbeteren en stress zouden verminderen. Het aanvullen van onbekend speenvoer met een kleine hoeveelheid bekend voer stimuleerde het exploreren van voer tot 3 keer, maar de voeropname was alleen 11% hoger tussen 9 en 14 dagen na spenen. Groei en diarree werden niet beïnvloed.
Foerageerstrategieën
In Hoofdstuk 4 tot en met 8 werd de effectiviteit van verschillende foerageerstrategieën in de kraamstal bepaald met een focus op de overgangsfase rondom spenen. Dit werd gemeten door het eetgedrag van biggen vóór spenen en hun aanpassingsvermogen na spenen, gereflecteerd in gedrag, huidkrassen en –schade, mestconsistentie en productiekenmerken te bestuderen.
In Hoofdstuk 4 werd een deel van het kraamhok verrijkt door wroetmaterialen (stro, zaagsel en turf) te verstrekken op de vloer en de biggen afwisselende speeltjes en extra ruimte te geven. Verrijking van het kraamhok zorgde voor een hogere voeropname vergeleken met kale hokken, welke dubbel zo hoog was in de laatste 2 dagen vóór spenen. De verrijking werd voortgezet na spenen en verhoogde in de periode na spenen de voeropname met 10%.
In Hoofdstuk 5 kregen biggen een reguliere voerbak of dezelfde voerbak met wroet-, kauw- en speelmaterialen eraan bevestigt. Hierdoor ontstond een speel-voerbak, waarmee biggen konden exploreren en spelen. De speel-voerbak werd inderdaad vaker en door meer biggen bezocht om te snuffelen, wroeten, kauwen en spelen dan een reguliere voerbak. De speel-voerbak zorgde echter niet voor een hogere voeropname dan de reguliere voerbak of voor meer etende biggen. Er werden wel meer ‘goede eters’ (biggen die op meerdere dagen als eter gescoord werden) gevonden als de speel-voerbak in plaats van een reguliere voerbak werd gegeven aan biggen van zeugen met een lage melkproductie. Ondanks dat alle biggen een gewone voerbak kregen na spenen, deden de biggen die een speel-voerbak hadden vóór spenen het aanzienlijk beter na spenen. In de twee weken na spenen aten ze 15% meer en groeiden ze 16% meer, was diarree 73% minder prevalent, 50% minder ernstig (vastere mestconsistentie) en 43% korter en hadden de biggen anderhalf keer minder huidkrassen. Ook waren er in deze groep minder biggen met oor- en staartschade.
In Hoofdstuk 6 werd het effect van een divers voeraanbod getest op het eetgedrag van biggen vóór spenen. De helft van de tomen kreeg gelijktijdig twee verschillende voeritems aangeboden en de andere helft van de tomen één van de voeritems, waaraan dagelijks een andere geur werd toegevoegd (vier geuren in totaal). De tomen met twee voeritems lieten meer voergericht gedrag zien: ze exploreerden het voer 2.6 keer zoveel, hadden meer goede eters, en aten 1.5 keer meer voer dan de tomen met één voeritem met afwisselende geuren. Het positieve effect van het aanbieden van meerdere voeritems op de vroege voeropname vóór spenen werd bevestigd in Hoofdstuk 7, waarin de biggen ook na spenen gevolgd werden.
In Hoofdstuk 7 werd aan de biggen één voeritem gegeven of gelijktijdig vier diverse voeritems. Tomen met een divers dieet exploreerden het voer 3 tot 19 keer meer, aten 5 keer meer en hadden aanzienlijk meer etende biggen tijdens de zoogperiode dan tomen met een monotoon dieet bestaande uit maar één voeritem. In tomen met een divers dieet aten namelijk dubbel zoveel biggen op 11 dagen leeftijd en aten alle biggen vóór spenen. Toch deden de biggen met het diverse dieet het niet beter na spenen, mogelijk omdat de behandeling na spenen niet werd voorgezet en ze dus ineens een monotoon dieet kregen. We verwachtten dat biggen op een divers dieet door de ervaring met diverse voeritems meer zouden eten van onbekend voer, maar vonden hier geen aanwijzingen voor. Dit werd onderzocht door de voeropname van het onbekende speenvoer te meten in de eerste uren en dagen na spenen (Hoofdstuk 7) en met behulp van gedragstesten waarin biggen werden blootgesteld aan onbekend voedsel, zoals kaas en chips (Hoofdstuk 8).
In Hoofdstuk 7 kreeg de helft van de tomen ook de mogelijkheid om voedselzoekgedrag te vertonen door in de ene voerbak in het hok voer te verstoppen in zand en in de andere voerbak in het hok voer aan te bieden zonder zand. Biggen exploreerden en aten vaker uit de voerbak met zand dan uit de voerbak zonder zand. De andere helft van de tomen kreeg twee voerbakken zonder zand erin. Tomen met de mogelijkheid tot voedselzoekgedrag exploreerden en aten het voer echter niet vaker dan tomen zonder mogelijkheid tot voedselzoekgedrag, maar hadden wel meer goede eters van regulier vast voer. Biggen die voor spenen de mogelijkheid hadden om voedselzoekgedrag te vertonen leken meer moeite te hebben met de speenovergang dan biggen zonder deze mogelijkheid. Dit werd weerspiegeld in 1.4 keer zoveel beschadigend en 2 keer zoveel agressief gedrag, meer krassen op de huid (5.6 ± 0.7 vs. 4.0 ± 0.6 krassen), en met name in de eerste twee dagen een 23% lagere voeropname en 44% lagere groei.
Ten slotte werd in Hoofdstuk 5 aangetoond dat de inname van vast voer vóór spenen niet alleen wordt gestimuleerd door exploratie (Hoofdstuk 4 tot en met 7), maar ook wordt gedreven door een lage energie inname van melk. In deze proef groeide de helft van de tomen op met een zeug op een gehalveerd voerniveau en de andere helft met een zeug op een normaal voerniveau. Biggen van zeugen op een gehalveerd voerniveau groeiden 20% minder hard vóór spenen en hadden daardoor een 12% lager speengewicht dan biggen van zeugen op een normaal voerniveau, doordat ze minder melk kregen en melk met een lager vetpercentage. Dit zorgde voor dubbel zoveel biggen dat at vóór spenen en een trend voor een dubbel zo hoge voeropname vóór spenen, en zorgde vervolgens ook voor een dubbel zo hoge voeropname in de eerste dagen na spenen. Hierdoor resulteerde spenen in deze groep niet in een groeidip (128 vs. -32 gram/dag in eerste twee dagen na spenen) en vertoonde deze groep minder oorbijten (0.4 ± 0.05 vs. 0.7 ± 0.10% van de tijd). Twee weken na spenen verschilden biggen van zeugen op een gehalveerd of normaal voerniveau niet meer in hun gewicht (10.18 ± 0.17 vs. 10.43 ± 0.14 kg). Dit suggereert dat tomen met een lage melkconsumptie de groeiachterstand die ze ontwikkelen tijdens de zoogperiode kunnen inhalen in de periode na spenen door meer vast voer vóór en na spenen te eten.
Conclusie
Het verstrekken van vast voer vanaf een jonge leeftijd in de kraamstal beïnvloedt het exploreergedrag van biggen en kan de groei-ontwikkeling van biggen voor en na spenen verbeteren. De aangepaste darmfysiologie en darmmicrobiota van etende biggen vóór spenen kan hierin een rol gespeeld hebben. Samenvattend ondersteunen de resultaten uit dit proefschrift dat het verstrekken en eten van vast voer vóór spenen de (darm)ontwikkeling van biggen kan versnellen.
De resultaten van dit proefschrift hebben bovendien geleid tot nieuwe voerstrategieën die het welzijn en de productiviteit van biggen kunnen verbeteren. Dit werd behaald door de ontwikkeling van natuurlijk exploratie-, spel- en eetgedrag van biggen te stimuleren vanaf een jonge leeftijd. De foerageerstrategieën in dit proefschrift stimuleerden allen het eetgedrag van zogende biggen, waarbij strategie 1 en 3 succesvoller waren in het bevorderen van voeropnamegedrag dan strategie 2 en 4. Niet alle strategieën bevorderden het aanpassingsvermogen van de biggen na spenen echter. Dit komt mogelijk omdat, behalve strategie 1, de strategieën niet voortgezet werden na spenen en er daardoor verlies van verrijking optrad. Desondanks zorgde de speel-voerbak vóór spenen voor een sterk verbeterd aanpassingsvermogen van biggen na spenen. Voor een goede prestatie van biggen na spenen is een geleidelijke overgang naar een dieet van vast voer belangrijk en lijken de huisvestingscondities vóór en na spenen op elkaar aan te moeten sluiten. Op basis van dit proefschrift kan worden gesteld dat biggen de mogelijkheid moeten krijgen om vanaf jonge leeftijd te foerageren en spelen, en deze mogelijkheid moeten behouden in de opgroeifases die volgen.
Bekijk ook deze proefschriften
Dear Diary: Advances in Experience Sampling Methodology Studies
Plant-Derived and Inspired Synthetic Molecules with Dual-Spectrum Activity
Managing water excess and deficit in agriculture
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















