Publicatiedatum: 27 maart 2025
Universiteit: Vrije Universiteit Amsterdam

PATIENT CENTERED MANAGEMENT OF ANTERIOR SHOULDER INSTABILITY

Samenvatting

voorspellend waren voor een succesvolle terugkeer naar sport, dat waren een zogenaamde ‘Anterior Labral Periosteal Sleeve Avulsion’ (ALPSA) en een benige Bankart laesie.
Hoofdstuk 6 presenteert de resultaten van een vergelijkbare studie als in hoofdstuk 5, echter gaat het om een vorm van OBR, een open Latarjet procedure. Er werden geen prognostische factoren gevonden die voorspellend zijn voor geen terugkeer naar sport. Desalniettemin onthulde het wel dat atleten die deelnamen aan sporten waarbij de schouder veel belast wordt door bovenhandse bewegingen, botsingen, en plotselinge stops, vaker niet terug konden keren naar sport.

Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de redenen van patiënten om niet terug te keren naar sport na een ABR en OLP, de meest uitgevoerde operaties voor de behandeling van schouderinstabiliteit. De aanleiding hiervoor was dat het voor deze studie niet duidelijk was wat de reden was dat 3-40% van de patiënten in de huidige literatuur niet terugkeren. Deze studie liet zien dat het merendeel van de patiënten die niet terugkeert (70%) na deze operaties dat doet door een redenen die niet schouder functie afhankelijk is, zoals angst voor (recidiverende) schouderdislocaties, gebrek aan motivatie of een verandering in persoonlijke prioriteiten.

In hoofdstuk 8 werd het protocol voor een multicenter gerandomiseerde nationale studie (RCT) gepresenteerd, de MATASI TRIAL. In die RCT zal gekeken worden naar het effect van angst reducerende nabehandelingsmethoden op de kinesiofobie van patiënten met schouderinstabiliteit, zoals naar voren kwam in de studie gepresenteerd in hoofdstuk 2. Meerdere Nederlandse ziekenhuizen en klinieken zullen meedoen aan deze studie, waar ongeveer 100 patiënten voor nodig zijn blijkt uit de sample size berekening. De primaire uitkomst is angst voor (recidiverende) dislocatie en dit zal op 6 weken, 12 weken, 24 weken en 48 weken bekeken worden. Daarnaast zal er op 48 weken een functionele Magnetic Resonance Imaging (MRI) gemaakt worden, de zogeheten functionele hersenscan, waarbij hersenactiviteit gemeten wordt. In hoofdstuk 9 wordt verder ingegaan op de inhoud van het nabehandelingsprotocol waar de ‘experimentele’ groep mee zal revalideren.

Hoofdstuk 9 gaat over de studie die onderzocht heeft welke modaliteiten er in het rehabilitatieprotocol moeten zitten volgens internationale schouderexperts. In een viertal rondes werd gevraagd welke interventies als belangrijk werden geacht, wat na die rondes door de onderzoekers is omgevormd naar een consensus rehabilitatieprotocol (REPRO-protocol). In dit protocol is specifiek aandacht voor angst reducerende vormen van behandeling, aangezien het in de studies van hoofdstuk 2, 7 en in toenemende mate in de recente literatuur naar voren komt dat patiënten deze angst ervaren.
In hoofdstuk 10 wordt teruggekeken op alle uitgevoerde studies naar patiëntgerichte zorg van schouderinstabiliteit in dit proefschrift. De onderzoeksvragen van de introductie worden beantwoord, er wordt gereflecteerd op het onderwerp en er worden aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek. Dit samen schetst het toekomstig perspectief van onderzoek naar de zorg van schouderinstabiliteit.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten