Annemiek Hermans
Charged Encounters
F’s en bijbehorende kabels geen harde barrières vormen voor aanwezigheid of verplaatsing. De hypothese van brede habitatvermijding kan daarmee worden verworpen, terwijl ruimte blijft voor subtielere gedragsveranderingen. Het proefschrift richt zich vervolgens op gecontroleerde laboratoriumexperimenten die levensfase specifieke gedragsveranderingen onderzoeken bij realistische blootstellings-cenario’s. Hoofdstuk 4 onderzoekt de embryonale ontwikkeling van de stekelrog (Raja clavata) onder chronische blootstelling aan AC-EMV. Er werden geen effecten gevonden op uitkomstsucces, uitkomstgewicht of ontwikkelingsduur, maar wel een sterke toename in embryoactiviteit (150%), wat kan wijzen op verhoogde energiekosten en predatierisico. Bij de uitgekomen dieren werden significante maar beperkte biometrische verschillen (5–11%) vastgesteld. Hoofdstuk 5 volgt deze individuen in het juveniele stadium en vergelijkt hen met de hondshaai (Scyliorhinus canicula). Juveniele die tijdens de embryonale ontwikkeling waren blootgesteld, vertoonden geen verschillen in stress of zwemgedrag ten opzichte van de controlegroep, en alle individuen leken in goede gezondheid. Deze resultaten geven aan dat vroege blootstelling niet heeft geleid tot duidelijke beperkingen in het juveniele stadium voor beide soorten. Er blijft echter een kennislacune bestaan met betrekking tot effecten op foerageren, navigatie en interacties met soortgenoten, en benadrukt dat subtiele gedragsveranderingen mogelijk niet voortduren in volgende levensstadia. Hoofdstuk 6 onderzoekt de gedragsresponsen van volwassen hondshaaien die werden blootgesteld aan ruimtelijke gradiënten van veld-relevante EMV’s, waarmee de ervaring van het kruisen van een SPC werd gesimuleerd. Elk individu fungeerde als zijn eigen controle, en zowel AC- als DC-blootstellingen waren onderdeel van de proef. Er werd geen bewijs gevonden voor stressgedrag, aantrekking, vermijding of veranderingen in ruimtegebruik. Echter, onder DC-blootstelling verminderden de haaien hun activiteit met ~ 25%pt., wat wijst op een subtiele maar statistisch significante verandering in activiteitpatronen. Deze resultaten suggereren dat SPC’s geen gedragsmatige barrières vormen, maar dat met name DC-velden de bewegingsdynamiek kunnen beïnvloeden. In Hoofdstuk 7 is hetzelfde experimentele als in Hoofdstuk 6 uitgevoerd met de stekelrog (Raja clavata), waardoor een directe interspecifieke vergelijking mogelijk wordt. Net als bij de haaien vertoonden de roggen geen aantrekking of vermijding, geen duidelijke tekenen van stress en geen veranderingen in ruimtegebruik. Hidden Markov-modellering (HMM) toonde echter kleine maar statistisch significante geslacht specifieke reacties: vrouwtjes waren minder (~15%pt.) inactief en vertoonden meer transitiegedrag onder AC-blootstelling, terwijl mannetjes meer inactief waren (~14%pt.) onder zowel AC- als DC-condities, telkens vergeleken met de controleproeven. Deze bevindingen laten zien dat zelfs wanneer reacties subtiel zijn, gedragsmatige effecten kunnen verschillen tussen soorten en tussen de seksen, wat de beperkingen onderstreept van het extrapoleren van onderzoeksresultaten op basis van één modelsoort. Hoofdstuk 8 onderzoekt of EMV het habitatgebruik beïnvloedt van juveniele hondshaaien in een ronde voorkeursopstelling met kwadranten die een combinatie boden van met mosselen bedekt versus kaal substraat en met en zonder EMV-blootstelling. Er werden geen verschillen in substraatkeuze of ruimtegebruik gevonden, maar HMM-analyse toonde een significante maar subtiele toename in inactiviteit (5-6%pt.) in het kwadrant met zowel mosselen als EMV-blootstelling. Dit experiment levert aanvullend bewijs dat EMF waarschijnlijk niet leidt tot habitatvermijding op kleine ruimtelijke schaal, zelfs wanneer biologisch relevante habitatkenmerken aanwezig zijn. Dit onderstreept het belang van het onderzoeken van meer subtiele gedragsveranderingen in een natuurlijke setting. Hoofdstuk 9 integreert deze empirische bevindingen binnen het ERA-raamwerk en beantwoordt de oorspronkelijke onderzoeksvragen. Ten eerste bevestigt het dat EMV-blootstellingsniveaus in zee over het algemeen lager zijn dan die in veel experimentele studies worden gebruikt, maar dat zij een hoge temporele variabiliteit tonen. Daarnaast wordt benadrukt dat zowel de ruimtelijke omvang als de kans op blootstelling naar verwachting zullen toenemen met de verdere ontwikkeling van offshore windenergie. Ten tweede laat het zien dat gedragseffecten, waar aanwezig, subtiel zijn, levensfase-afhankelijk en soort- en geslachtsspecifiek, zonder aanwijzingen voor sterke afschrikking- of barrière effecten. Ten derde toont het aan dat het risico met name zit in het feit dat EMV een chronische, langdurige stressor is die over decennia en op grote ruimtelijke schaal aanwezig is, terwijl kennis over mogelijke habituatie ontbreekt. De ERA resulteert in risico coëfficiënten van 4,5-11,5 voor embryonale ontwikkeling en 9-32,5 voor lokaal verblijf bij AC, en 333-667 voor lokaal verblijf en 200-400 voor migratie bij DC. Gezien de heterogeniteit in reacties tussen soorten introduceert Hoofdstuk 9 een Relative Vulnerability Assessment (RVA), gebaseerd op levensgeschiedeniskenmerken om te identificeren welke rog en haai soorten het meest kwetsbaar zijn voor EMV-blootstelling. Dit raamwerk toont dat ovipare, benthische en residente soorten, zoals grote roggen, een hogere risicogroep vormen voor de levensfasen embryonale ontwikkeling en lokaal verblijf. Daarentegen lopen de meeste haaiensoorten, die meer migrerend zijn, vooral risico tijdens migratie. De RVA maakt interspecifieke verschillen inzichtelijk, identificeert belangrijke kennislacunes en biedt een transparant instrument voor het prioriteren van toekomstig onderzoek en het informeren van natuurbeheer. Algemene conclusies en implicaties: Gezamenlijk laat dit proefschrift zien dat EMV van SPC migratieroutes niet blokkeren, geen sterke acute stressreacties veroorzaken en niet leiden tot grootschalig habitatverlies voor benthische elasmobranchen in de Noordzee. Desondanks treden er subtiele, contextafhankelijke gedragsmatige effecten op, die variëren per levensfase, soort en geslacht. Omdat EMV een chronische stressor is die over lange temporele en ruimtelijke schalen werkzaam is, kunnen zelfs kleine veranderingen op individueel niveau zich in de tijd opstapelen en interageren met andere antropogene drukfactoren.
| Publicatiedatum | 28 augustus 2026 |
| Universiteit | Wageningen University |
| Auteur | Annemiek Hermans |
| DOI nummer | 10.18174/681260 |