Publicatiedatum: 23 juni 2026
Universiteit: Radboud Universiteit

Situational Models of Bias

Samenvatting

Hoewel ze sterk verschillen in inhoud en voorspellingen, beschouwen traditionele modellen van attitudes ze als eigenschap van mensen. De culturele en persoonlijke leergeschiedenis van mensen verankert associaties tussen sociale groepen en concepten in het brein, wat onvermijdelijk het denken, voelen en handelen vormgeeft. Althans, theoretisch. Een groeiend aantal empirische studies toont aan dat de intergroup attitudes van mensen slechts zwak samenhangen met intergroepgedrag. Zo voorspellen de attitudes van mensen ten opzichte van zwarte mensen, bijvoorbeeld, slechts zwak hoe zij zich tegenover zwarte mensen gedragen. Tegenover deze traditionele modellen staat een recenter ontwikkeld model, het 'Bias of Crowds' model, dat impliciete vooroordelen herdefinieert als een eigenschap van situaties of omgevingen. Het model stelt dat geaggregeerde impliciete attitudes de gedeelde culturele kennis weerspiegelen die toegankelijk is in een situatie of omgeving. Vervolgens weerspiegelen regionaal geaggregeerde impliciete attitudes de gedeelde culturele kennis die toegankelijk is in een bepaalde regio, oftewel de lokale sociale en culturele omgeving. In dit proefschrift heb ik meerdere empirische voorspellingen van het Bias of Crowds model onderzocht met als doel het model te verfijnen en ons begrip te verbeteren van hoe omgevingen impliciete attitudes vormgeven.

In Hoofdstuk 2 heb ik empirisch bewijs voor het Bias of Crowds model besproken, bestaande studies geïntegreerd in een coherente psychologische theorie en falsifieerbare voorspellingen afgeleid uit het model. Dit hoofdstuk vat alle empirische hoofdstukken samen die in dit proefschrift zijn gepresenteerd en sluit af met ideeën voor toekomstig onderzoek. Ik heb de belangrijkste voorspellingen van het model uiteengezet. Ten eerste, als regionaal geaggregeerde impliciete bias-scores de lokale sociale en culturele omgeving weerspiegelen, zouden ze ook het systeem moeten weerspiegelen dat deze omgeving heeft gecreëerd. Historische ongelijkheden zouden lokale sociale en culturele omgevingen kunnen hebben gecreëerd die de ongelijkheid rechtvaardigden. Dit creëerde op zijn beurt normen, stereotypen, wetten en instellingen die de lokale sociale en culturele omgeving in stand hielden, lang nadat de ongelijkheid was verdwenen. Ten tweede, kenmerken van de omgeving die negatieve of stereotiepe mentale inhoud toegankelijker maken, zouden moeten leiden tot een toename van regionaal geaggregeerde impliciete bias-scores. Ten derde, als regionaal geaggregeerde bias de lokale sociale en culturele omgeving weerspiegelt, dan zouden veranderingen in de sociale en culturele omgeving veranderingen in geaggregeerde bias moeten veroorzaken. In de volgende hoofdstukken heb ik deze belangrijkste voorspellingen onderzocht.

In Hoofdstuk 3 onderzocht ik het verband tussen historische 'sundown towns' en vooroordelen. Sundown towns zijn plaatsen in de Verenigde Staten die historisch gezien de bewegingsvrijheid of vestiging van raciale en etnische minderheden beperkten. Als de lokale sociale en culturele omgeving in historische sundown towns zich door de tijd heen heeft voortgezet, verwachtte ik dat de historische aanwezigheid van een sundown town in een regio samenhangt met een hoger niveau van hedendaagse vooroordelen ten opzichte van zwarte en witte Amerikanen. Hier combineerde ik historische databases over sundown towns in de Verenigde Staten met de geolocatiegegevens van de IAT van 1,3 miljoen Amerikanen. Ik ontdekte dat de historische aanwezigheid van sundown towns in een regio samenhangt met een hoger niveau van hedendaagse vooroordelen. Deze bevinding toont aan dat ik de overblijfselen van ongelijkheden uit het verre verleden nog steeds kan waarnemen.

In Hoofdstuk 4 onderzocht ik het verband tussen de historische aanwezigheid van kostscholen voor inheemse Amerikanen en vooroordelen jegens inheemse Amerikanen. Kostscholen voor inheemse Amerikanen hadden als expliciet doel inheemse Amerikaanse kinderen te assimileren in de witte Amerikaanse cultuur. Op basis van de bevindingen in hoofdstuk 3 en ander onderzoek voorspelde ik dat de historische aanwezigheid van een kostschool in een regio zou samenhangen met een hoger niveau van hedendaagse vooroordelen. Met behulp van de gegevens van bijna 300.000 mensen ontdekte ik echter dat regio's waar historisch gezien kostscholen voor inheemse Amerikanen waren gevestigd, juist een lager niveau van hedendaagse vooroordelen vertoonden. Ik plaatste deze bevindingen in een historische context en beargumenteerde dat culturele assimilatie in kostscholen voor inheemse Amerikanen (in tegenstelling tot de uitroeiing van inheemse Amerikanen als volk) het egalitaire standpunt van die tijd weerspiegelde. De aanwezigheid van een kostschool kan daarom een meer egalitaire lokale cultuur hebben weerspiegeld, die mogelijk in de loop der tijd is blijven bestaan door middel van verschillende psychologische processen, waaronder positief intergroepscontact. Deze studie suggereerde dus dat het verband tussen historische ongelijkheden en hedendaagse vooroordelen afhangt van de historische interpretatie van de ongelijkheid, en niet van hoe de ongelijkheid vandaag de dag wordt bekeken.

In Hoofdstuk 5 heb ik vervolgens onderzocht of intergroepscontact op regionaal niveau samenhangt met lagere niveaus van discriminatie tussen groepen. Hiervoor combineerde ik GPS-gegevens van 9,6 miljoen Amerikanen met gegevens over vooroordelen van 1,3 miljoen Amerikanen ten opzichte van witte en zwarte Amerikanen. In lijn met het mechanisme dat in Hoofdstuk 4 is beschreven, vond ik dat regio's met meer intergroepscontact lagere niveaus van vooroordelen vertonen. Deze studie ondersteunt intergroepscontact als een potentieel mechanisme waardoor een cultuur van egalitarisme in de loop der tijd heeft kunnen voortbestaan.

In Hoofdstuk 6 onderzocht ik het verband tussen de historische aanwezigheid van de Ku Klux Klan (KKK), hedendaagse opvattingen over witte en zwarte Amerikanen en hedendaagse activiteiten van witte supremacisten. Ik verwachtte dat de historische aanwezigheid van de KKK samenhangt met hogere niveaus van hedendaagse vooroordelen en meer hedendaagse activiteiten van witte supremacisten. Hoewel de historische aanwezigheid van de KKK inderdaad samenhangt met meer hedendaagse activiteiten van witte supremacisten, hangt deze ook samen met lagere niveaus van hedendaagse raciale vooroordelen. Ik beargumenteerde dat dit een tegenreactie laat zien: na de veroordeling van de Klan-leider voor de verkrachting en moord op een witte vrouw, wilden mensen zich van de KKK distantiëren en verschoven ze naar egalitarisme.

De geschiedenis wordt vaak herdacht in onze fysieke omgeving, met straten, scholen en universiteiten vernoemd naar historische figuren en monumenten ter nagedachtenis aan het verleden. In hoofdstuk 7 onderzocht ik de effecten van de aanwezigheid en verwijdering van Confederatie-monumenten, die de pro-slavernijzijde van de Amerikaanse Burgeroorlog herdenken, op vooroordelen. In Studie 1 onderzocht ik eerst of de aanwezigheid van een Confederatie-monument verband hield met hogere niveaus van vooroordelen ten opzichte van zwarte versus witte Amerikanen. Vervolgens gebruikte ik longitudinale modellen om het causale effect van de verwijdering van een Confederatie-monument op geaggregeerde vooroordelen binnen regio's te schatten. De correlationele, noch de longitudinale analyses brachten echter een betrouwbaar effect van Confederatie-monumenten op raciale vooroordelen aan het licht. Een verband tussen beide variabelen werd niet gevonden. In Studie 2 heb ik deelnemers willekeurig toegewezen aan een conditie waarin ze werden blootgesteld aan monumenten ter ere van de Confederatie of aan een passieve controleconditie, maar ik vond geen significant effect van blootstelling aan monumenten ter ere van de Confederatie op vooroordelen. In Studie 3 heb ik een within-subject design gebruikt, waarbij deelnemers eerst vragenlijsten over raciale vooroordelen invulden, vervolgens werden blootgesteld aan monumenten ter ere van de Confederatie en ten slotte de vragenlijsten over raciale vooroordelen opnieuw invulden. Ook hier heb ik geen significant effect van blootstelling aan monumenten ter ere van de Confederatie op vooroordelen waargenomen. Ten slotte heb ik in Studie 4 een veldexperiment uitgevoerd waarbij deelnemers vragenlijsten invulden voor een monument (versus een visueel vergelijkbaar controle-monument), maar ook hier vond ik geen significant effect van blootstelling aan monumenten op raciale vooroordelen. Ik concludeerde dat fysieke herinneringen aan historische ongelijkheden geen causaal effect hebben op vooroordelen.

Als regionaal geaggregeerde vooroordelen de lokale sociale en culturele omgeving weerspiegelen, dan zouden veranderingen in de sociale en culturele omgeving veranderingen in geaggregeerde vooroordelen moeten veroorzaken. In hoofdstuk 8 en 9 heb ik dit idee getest voor twee verschillende veranderingen in de sociale en culturele omgeving. In hoofdstuk 8 testte ik het causale effect van de Black Lives Matter-protesten van 2020 op vooroordelen. De BLM-protesten van 2020 waren een grootschalige maatschappelijke beweging tegen politiegeweld en structureel racisme. Ik gebruikte data van Project Implicit van bijna 400.000 mensen om de dagelijkse veranderingen in geaggregeerde scores voor impliciete vooroordelen te volgen en ontdekte dat er een significante daling was in impliciete en expliciete vooroordelen na het begin van de BLM-protesten van 2020. Ik gebruikte causale modellen en balancerende gewichten (Balancing Weights) om het causale effect van de BLM-protesten van 2020 te schatten en ontdekte dat de protesten een causaal effect hadden op impliciete, maar niet op expliciete raciale vooroordelen. Deze studie leverde eerste bewijs dat veranderingen in de sociale en culturele omgeving veranderingen in impliciete vooroordelen veroorzaken.

In hoofdstuk 9 onderzocht ik of Kerstmis verband hield met veranderingen in vooroordelen. Bestaand onderzoek toont aan dat blootstelling aan religieuze symbolen – zoals wijdverbreid is tijdens Kerstmis – verband houdt met zowel hogere als lagere niveaus van vooroordelen tussen groepen. In mijn onderzoek met IAT data van Project Implicit, verzameld bij meer dan vier miljoen witte Amerikanen, vond ik dat Kerstmis (vergeleken met de anderen dagen van het jaar) gepaard ging met een toename van vooroordelen tegen zwarte mensen, Arabieren en mensen met een donkere huidskleur. Daarnaast constateerde ik een afname van vooroordelen tegen het jodendom, de islam en homoseksuelen. In Studie 2, waarbij dezelfde personen met Kerstmis en een week later werden gevolgd, vond ik een toename van vooroordelen tegen homoseksuelen en geen verandering in vooroordelen tegen Arabieren. De effecten van maatschappelijke gebeurtenissen kunnen dus verschillen afhankelijk van het sociale en culturele klimaat in dat jaar, en het samenvoegen van gegevens over meerdere jaren is mogelijk niet geschikt voor sommige onderzoeksvragen.

Het model van de 'Bias of Crowds' is een causale theorie die voorspelt dat omgevingsfactoren impliciete vooroordelen veroorzaken. Hoewel het in de psychologie vrijwel onbekend is, heeft het trekken van causale conclusies uit niet-experimentele studies, zoals de studies die in dit proefschrift worden gepresenteerd, een lange geschiedenis in de economie en de politicologie. Daar zijn diverse instrumenten ontwikkeld om te helpen bij het schatten van causale effecten uit niet-experimentele ontwerpen. In hoofdstuk 10 heb ik een handleiding gegeven voor twee van deze instrumenten: Directed Acyclic Graphs (DAGs) en Balancing Weights. Dit hoofdstuk bevatte eenvoudig aanpasbare R-code en introduceerde de lezer op een toegankelijke manier in de terminologie van causale inferentie. Gerichte acyclische grafieken zijn een instrument waarmee onderzoekers hun causale model kunnen visualiseren en een wiskundige basis kunnen bieden voor het identificeren van een causaal effect. Balancerende gewichten zijn een instrument waarmee onderzoekers causale effecten kunnen schatten voor veelvoorkomende causale structuren. Als impliciete vooroordelen de sociale en culturele omgeving weerspiegelen, moeten interventies die gericht zijn op het verminderen van vooroordelen de sociale en culturele omgeving veranderen.

In hoofdstuk 11 besprak ik het Bias of Crowds model vanuit een beleidsperspectief en benadrukte ik beleidsaanbevelingen om de effecten van historische ongelijkheden tegen te gaan, sociale narratieven vorm te geven en de fysieke omgeving te veranderen als efficiënte manieren om vooringenomenheid tussen groepen te verminderen.

Alles bij elkaar genomen biedt dit proefschrift een grondig onderzoek naar de belangrijkste voorspellingen van het Bias of Crowds model. Dit onderzoek omvat de zeven empirische hoofdstukken in dit proefschrift, twee overzichtsartikelen, een methodologisch artikel en vele andere lopende (of ten tijde van de verdediging afgeronde) onderzoeksprojecten. Ten eerste concludeer ik dat historische ongelijkheden samenhangen met hedendaagse vooringenomenheid, maar dat de vorm die deze samenhang aanneemt afhangt van de historische interpretatie van de ongelijkheid. Ten tweede concludeer ik dat de fysieke omgeving een minder belangrijke rol speelt bij het activeren en in stand houden van impliciete vooringenomenheid dan de sociale en culturele omgeving. Ten derde concludeer ik dat impliciete vooringenomenheid verandert naarmate de sociale en culturele omgeving verandert. Ik hoop dat dit proefschrift onderzoekers inspireert om niet langer te vragen wat impliciete vooroordelen zijn, maar in plaats daarvan discussies op gang te brengen over wanneer en waar impliciete vooroordelen zich voordoen.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten