Deel dit project
Holistic Integration of Desktop Virtual Reality Technology in Higher Education
Samenvatting
Dit proefschrift gaat over een terugkerend probleem binnen technologieondersteund onderwijs: veelbelovende technologieën kunnen in een specifieke onderwijssetting waardevol zijn, maar worden niet vanzelf op een betekenisvolle, duurzame en schaalbare manier onderdeel van de dagelijkse onderwijspraktijk. De kernvraag is daarom niet alleen of een technologie op zichzelf werkt, maar hoe docenten en instellingen het gebruik ervan doelgericht kunnen vormgeven, uitvoeren, evalueren en organiseren. Dit probleem wordt onderzocht via ontwerpgericht onderzoek naar DVR-verrijkte presentatietechnologie, Edison, in synchroon universitair onderwijs. Daarbij staat centraal welke ontwerpvoorwaarden nodig zijn om deze technologie betekenisvol te integreren, zowel in de onderwijspraktijk als op organisatieniveau (Euler & Sloane, 2014; McKenney & Reeves, 2019; The Design-Based Research Collective, 2003).
Deel I: Probleemanalyse en verkenning
Het eerste deel van het proefschrift richt zich op de vraag wat betekenisvolle integratie van DVR-verrijkte presentatietechnologie vraagt binnen het hoger onderwijs. Hiervoor zijn perspectieven verzameld van verschillende belanghebbenden die betrokken zijn bij onderwijs, technologie en institutionele ondersteuning. Hoofdstuk 1 beschrijft een Group Concept Mapping-studie in twee universitaire contexten: een afstandsuniversiteit en een universiteit met voornamelijk contactonderwijs. Deze onderzoeksmethode maakt het mogelijk om ideeën van belanghebbenden systematisch te verzamelen, te ordenen en te beoordelen (Kane & Rosas, 2018; Rosas & Kane, 2012). De studie onderscheidt vijf voorwaarden: Evaluatie, Institutionele Randvoorwaarden, Onderhoud en Training, Studentgerelateerde Randvoorwaarden, en Affordances en Infrastructuur. De belanghebbenden beoordeelden deze voorwaarden over het algemeen als zowel belangrijk als haalbaar. Vooral Onderhoud en Training en Institutionele Randvoorwaarden kwamen naar voren als vroege prioriteiten.
In Hoofdstuk 2 wordt de probleemverkenning verdiept via een interviewstudie binnen één afstandsuniversiteit. In deze studie is onderzocht hoe docenten, mediaontwerpers en institutionele managers beschrijven wat nodig is om DVR-tools onderwijskundig doelgericht te gebruiken in de dagelijkse onderwijspraktijk. De interviews leidden tot vijf thema’s: Context, Technologie, Pedagogiek, Waarden en Management. Deze thema’s laten zien dat betekenisvolle integratie niet alleen afhangt van wat de technologie mogelijk maakt, maar ook van de context waarin zij wordt gebruikt, de pedagogische keuzes die ermee worden gemaakt, de waarden die het gebruik rechtvaardigen, en de manier waarop de instelling dit proces organiseert. In dit hoofdstuk worden deze inzichten uitgewerkt in twee praktische mechanismen. Het eerste is een driepuntsaudit van hardware, software en expertise van medewerkers. Het tweede is een waarden-gericht ontwerptraject, waarin technologische mogelijkheden worden verbonden aan onderwijskundige doelen en mogelijke risico’s worden beoordeeld via Values-Aligned Risk Evaluation.
Samen laten Hoofdstuk 1 en 2 zien welke criteria en voorwaarden gefaciliteerd moeten worden om DVR-verrijkte presentatietechnologie op universitair niveau betekenisvol, duurzaam en schaalbaar te integreren. Daarmee vormt Deel I de basis voor het ontwerp, de evaluatie en de theoretische uitwerking in de rest van het proefschrift.
Deel II: Ontwerp en constructie
Hoofdstuk 3 bouwt voort op de voorwaarden uit Deel I. Het hoofdstuk beschrijft het ontwerp en de verfijning van Technology-Specific Instructional templates, of TSI-templates, voor DVR-verrijkte presentaties in online afstandsonderwijs in het hoger onderwijs. In samenwerking met betrokkenen bij onderwijsontwerp, technologie en institutionele ondersteuning zijn drie templates ontwikkeld en gevalideerd als haalbare en pedagogisch passende presentatieformats: een slidepresentatie, een 3D-modelpresentatie en een virtuele-omgevingpresentatie. Deze templates sluiten aan bij bekende presentatievormen, maar maken ook doelgericht gebruik van de specifieke mogelijkheden van DVR-technologie. Het hoofdstuk laat zien dat bij het ontwerpen van DVR-verrijkte presentaties onderscheid nodig is tussen kennisdoelen en affectieve doelen, zoals situationele interesse en intrinsieke motivatie. Ontwerpkeuzes, zoals zichtbaarheid van de docent, cueing, achtergrondontwerp en cameragebruik, moeten worden afgestemd op het beoogde leerdoel. Daarnaast staat het beheersen van cognitieve belasting centraal. DVR kan presentaties visueel rijker maken, maar te veel visuele effecten, beweging of afleiding kunnen het leren verstoren. Daarom zijn gerichte aandachtsturing, segmentatie, samenhang en een rustig ontwerp belangrijk (Mayer, 2005; Mayer & Moreno, 2003; Sweller, 1994, 2010). Tot slot laat het hoofdstuk zien dat haalbaarheid in de praktijk vraagt om meer dan een goed ontwerp. Docenten hebben training, voorbereiding en oefening nodig, en in veel gevallen ook technische ondersteuning tijdens live colleges. Zo blijft de extra praktische werkbelasting beheersbaar binnen de dagelijkse onderwijspraktijk (May et al., 2009; May & Finch, 2009; Murray et al., 2010).
Deel III: Evaluatie en reflectie
In Deel III worden DVR-verrijkte presentaties getest in authentieke onderwijssettings. Hoofdstuk 4 beschrijft drie kleinschalige pilots binnen een afstandsuniversiteit, waarin een DVR-verrijkte presentatietemplate wordt vergeleken met traditionele videoconferentie tijdens synchrone online colleges. De pilots richten zich op kenniswinst, cognitieve belasting en intrinsieke motivatie (Deci & Ryan, 1985; Leppink et al., 2013; Ryan & Deci, 2000; Sweller, 1994). De resultaten laten vooral zien dat de verschillen tussen de condities grotendeels niet significant zijn. Eén afzonderlijk resultaat wijst op een lagere intrinsieke Cognitive Load in de VR-verrijkte conditie. Daarmee ondersteunen de pilots de haalbaarheid en lokale bruikbaarheid van DVR-verrijkte presentaties, maar leveren zij nog geen bewijs dat deze vorm beter werkt dan traditionele videoconferentie.
In Hoofdstuk 5 is de evaluatie uitgebreid naar drie universiteiten. Daarbij zijn stakeholderbeschrijvingen vergeleken over drie hardwareopstellingen heen: minimaal, middelcomplex en geavanceerd. De analyse, gebaseerd op Normalisation Process Theory, richtte zich op hoe betrokkenen de waarde van DVR-verrijkte presentatietechnologie begrijpen en welke voorwaarden zij nodig achten voor routinematig gebruik. De bevindingen laten zien dat de onderwijskundige onderbouwing belangrijker wordt naarmate de technische opstelling complexer is. Minimale opstellingen worden vooral gezien als praktische verbetering van online colleges, terwijl middelgrote en geavanceerde opstellingen duidelijkere onderwijsdoelen, hogere productiekwaliteit, meer ondersteuning en betere organisatorische voorwaarden vragen (May & Finch, 2009; May et al., 2009; Murray et al., 2010).
Samen laten Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 zien dat betekenisvolle integratie beter wordt ondersteund wanneer instellingen onderscheid maken tussen verschillende opstellingsniveaus en implementatiescenario’s. Wat haalbaar, waardevol en duurzaam is, hangt sterk af van de context waarin DVR-verrijkte presentaties worden gebruikt.
Deel IV: Theoretisch inzicht
Hoofdstuk 6 presenteert het Holistic Integration of Technology in Education Framework, of HITE Framework. Dit framework biedt een eerste uitwerking van de organisatorische voorwaarden die betekenisvolle, contextgevoelige, duurzame en schaalbare integratie van technologie in het onderwijs ondersteunen. Het HITE Framework is ontwikkeld op basis van de empirische inzichten uit de Group Concept Mapping-studie en de interviewstudie, en is verbonden met onderzoek naar technologieondersteund leren, organisatieverandering en implementatieprocessen (Chambers et al., 2013; May et al., 2009). Het framework bestaat uit vijf dimensies: Technologie, Pedagogiek, Context, Waarden en Management.
Management heeft binnen het framework een coördinerende rol. Het gaat daarbij om het afstemmen van de andere dimensies via planning, middelen, bestuur, evaluatie en borging. Zo biedt het HITE Framework een structuur om technologie-integratie systematisch te onderzoeken, te bespreken en verder te ontwikkelen. Het hoofdstuk laat ook zien dat vervolgonderzoek nodig is om de dimensies verder te vertalen naar praktische ondersteuning en te toetsen in andere onderwijscontexten.
Algemene discussie
Voor betekenisvolle, duurzame en schaalbare integratie van DVR-verrijkte presentaties in het hoger onderwijs worden in dit proefschrift drie ontwerpvoorwaarden geformuleerd. Ten eerste moet het onderwijskundige doel van de technologie expliciet worden gemaakt, bijvoorbeeld via TSI-templates. Ten tweede moeten kennisdoelen en affectieve doelen, zoals situationele interesse en intrinsieke motivatie, goed op elkaar worden afgestemd. Ten derde moeten zowel cognitieve belasting als praktische werkbelasting beheersbaar blijven, zodat het gebruik van de technologie uitvoerbaar blijft binnen de dagelijkse onderwijspraktijk (Mayer & Moreno, 2003; McKenney & Reeves, 2019; Ryan & Deci, 2000; Sweller, 1994).
Daarnaast laat het onderzoek in dit proeschrift zien dat betekenisvolle integratie niet alleen om een goed ontwerp vraagt, maar ook om institutionele coördinatie. De vijf syntheseproposities benadrukken het belang van een gedeeld onderwijskundig doel, afstemming tussen institutionele voorwaarden, een werkbare balans tussen ondersteuning en autonomie, voortdurende evaluatie, en Waarden als richtinggevende randvoorwaarden voor duurzame integratie (Coburn, 2003; May & Finch, 2009; Murray et al., 2010; Orlikowski, 2000).
De belangrijkste bijdragen van dit proefschrift zijn de TSI-templates en het HITE Framework. De templates verbinden onderwijskundig doel, technische inrichting en uitvoering. Het HITE Framework biedt een bredere structuur om Technologie, Pedagogiek, Context, Waarden en Management op elkaar af te stemmen wanneer technologie betekenisvol, duurzaam en schaalbaar onderdeel moet worden van onderwijspraktijken (Jabareen, 2009; Penuel et al., 2011).
Tot slot worden op dissertatieniveau beperkingen en richtingen voor vervolgonderzoek benoemd. Vooral longitudinaal en vergelijkend onderzoek is nodig om vast te stellen of TSI-Templates en de HITE-frameworkdimensies betekenisvolle, duurzame en schaalbare integratie ook op langere termijn, in andere onderwijscontexten en buiten de onderzochte instellingen kunnen ondersteunen. Daarnaast is verdere toetsing nodig van de vraag hoe de templates en frameworkdimensies kunnen worden geoperationaliseerd voor gebruik buiten de onderzochte instellingen (McKenney & Reeves, 2019; Penuel et al., 2011).
Bekijk ook deze proefschriften
Lifelong Impact of Congenital Heart Disease
ESSAYS ON AUTOMATION, TRADE, AND INDUSTRIAL POLICY
Boosting Electrochemical Syngas Production with Exsolved Nanoparticles in Solid Oxide Cells
Antibody-Conjugated Liposomes for Cancer Immunotherapy
Improving the prognostication of lower respiratory tract infections in general practice
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















