Deel dit project
How to Turn the Tide?
Samenvatting
Het beschermen van kinderen die te maken hebben met kindermishandeling is een belangrijke, maar ingewikkelde uitdaging. Hoe kunnen we het tij keren voor deze kinderen en ze zo goed mogelijk beschermen? Het Nederlandse jeugdbeschermingssysteem speelt hierin een cruciale rol. Het doel van de jeugdbescherming is te zorgen voor een veilige en ondersteunende omgeving voor deze kwetsbare kinderen. Dit proefschrift richt zich op de vraag of de betrokkenheid van jeugdbescherming bijdraagt aan de veiligheid van kinderen en hen in staat stelt om hun ontwikkeling voort te zetten op een gezonde manier.
Het Nederlandse jeugdbeschermingssysteem heeft als doel om de veiligheid en het welzijn van kinderen te vergroten in situaties waar hun ontwikkeling wordt bedreigd, zoals in gevallen van kindermishandeling. Wanneer er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van een kind, kan er een kinderbeschermingsmaatregel opgelegd worden door de rechter, zoals een ondertoezichtstelling (OTS) eventueel in combinatie met een uithuisplaatsing (UHP). Gezinnen die betrokken raken bij een gecertificeerde instelling (GI) onder een dergelijke maatregel, krijgen een jeugdbeschermer toegewezen die hen begeleidt. De jeugdbeschermer ondersteunt in het creëren van een veiligere omgeving voor de kinderen in het gezin. Hij/zij heeft een regiefunctie en helpt met het regelen van adequate hulp en monitort de voortgang. Naast de formele kinderbeschermingsmaatregelen kunnen gezinnen ook hulp ontvangen op vrijwillige basis. Hierbij zijn gezinnen zelf bereid om hulp te accepteren zonder dat een juridische maatregel nodig is. Zowel in het gedwongen als vrijwillige kader kan het type hulp, de kwaliteit, de intensiteit en duur van de hulp sterk verschillen afhankelijk van de situatie.
Dit proefschrift heeft drie doelen: 1) onderzoeken welke mechanismen de relatie tussen kindermishandeling en antisociaal gedrag bij jongeren kunnen verklaren; 2) onderzoeken hoe de jeugdbescherming ouders kan ondersteunen bij het zorgen voor veiligheid en het vergroten van het welzijn van kinderen en of er verschillen zijn tussen gedwongen en vrijwillige hulpverlening; 3) begrijpen hoe veranderingen binnen gezinnen eruitzien en hoe ondersteuning verbeterd kan worden. Hieronder worden eerst de gebruikte datasets aangestipt waarna de belangrijkste bevindingen van dit proefschrift worden besproken, gevolgd door implicaties voor de praktijk.
Unieke dataset
Om bovenstaande doelen te onderzoeken, is gebruik gemaakt van twee unieke datasets. Deze datasets zijn bijzonder omdat de data is verzameld vanuit het perspectief van jongeren (ISRD-3/cohortstudie VJI) en hun ouders (cohortstudie VJI). Bovendien onderscheiden deze datasets zich omdat in beide studies een grote groep jongeren en/of ouders is betrokken. Dit is bijzonder waardevol bij het onderzoeken van kwetsbare groepen die te maken hebben met kindermishandeling.
De eerste dataset betreft een longitudinale cohortstudie naar geweld in gezinnen (Steketee et al., 2020; Steketee & Doelman, 2022). In deze studie werden gezinnen gevolgd die ofwel gemeld waren bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van kindermishandeling, of die een traject startten bij een gecertificeerde instelling (GI) in het kader van een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel. De gezinnen werden gedurende anderhalf jaar gevolgd, waarbij ouders en jongeren op drie momenten rapporteerden over het geweld in het gezin, de opvoeding, en hun welzijn. De studie richtte zich op de vraag hoe het over de tijd met deze gezinnen ging en in hoeverre de veiligheid en het welzijn van kinderen en ouders veranderde gedurende deze periode. Daarnaast werd er met een subgroep ouders een diepte-interview gehouden over hun persoonlijke ervaringen met de gedwongen maatregel en de impact daarvan op hun situatie.
De tweede dataset betreft een grootschalige internationale studie naar delinquent gedrag van jongeren, de International Self-Report Study on Delinquency (ISRD). In deze studie werd een grote groep jongeren in de leeftijd van 12-16 jaar bevraagd over delinquent gedrag en verschillende aspecten van hun thuissituatie. In totaal namen jongeren uit 35 landen wereldwijd deel aan deze studie, maar voor het huidige proefschrift zijn jongeren uit 9 West-Europese landen geselecteerd om een vergelijkbare groep te creëren. Dit resulteerde in een groep van bijna 25.000 jongeren. Op basis van deze verschillende steekproeven en de studies in dit proefschrift zijn een aantal belangrijke conclusies te trekken die van belang zijn voor onderzoek naar en praktijk van de jeugdbescherming.
Belangrijkste conclusies
1. Verband tussen kindermishandeling en delinquent gedrag is te verklaren door zowel individuele als omgevingsfactoren
De impact van kindermishandeling is groot. Het zelf meemaken van fysieke kindermishandeling (zowel direct als indirect) vergroot de kans dat kinderen later in hun leven delinquent gedrag vertonen. Bijzonder is dat het niet alleen gaat om geweldsdelicten, maar ook om andersoortige delicten (zoals vernieling). Dit suggereert dat het meemaken van geweld niet alleen leidt tot geweld, maar ook tot antisociaal gedrag in het algemeen. Slachtofferschap kan dus ten grondslag liggen aan later daderschap in het algemeen (delinquent gedrag). Dit suggereert dat interventies voor delinquente jongeren zich niet alleen moeten focussen op het voorkomen van recidive, maar ook op het aanpakken van eventueel onderliggend slachtofferschap door kindermishandeling.
Daarnaast blijkt dat zowel individuele factoren (zelfbeheersing en moraliteit) als contextuele factoren (blootstelling aan criminogene omgevingen) het verband tussen het meemaken van kindermishandeling en later delinquent gedrag deels verklaren. In andere woorden, een onveilige thuissituatie lijkt samen te hangen met een verminderde zelfbeheersing, verlaagde morele waarden met betrekking tot (anti)sociaal gedrag en een hogere blootstelling aan omgevingen die crimineel gedrag kunnen uitlokken. Dit hangt samen met crimineel gedrag. Deze bevindingen helpen ons beter te begrijpen waarom sommige jongeren die opgroeien in onveilige gezinssituaties crimineel gedrag vertonen.
2. Betrokkenheid jeugdbescherming leidt tot herstel, met ruimte voor verbetering
De resultaten in dit proefschrift laten zien dat een kinderbeschermingsmaatregel bijdraagt aan positieve veranderingen in gezinnen, hoewel er nog ruimte is voor verdere verbetering. Bij gezinnen die betrokken zijn bij jeugdbescherming zijn over de tijd veranderingen zichtbaar op meerdere gebieden. Ouders en kinderen rapporteren 1,5 jaar na de start van de kinderbeschermingsmaatregel minder incidenten van kindermishandeling. Ook is het welzijn van kinderen na 1,5 jaar verhoogd: het percentage kinderen met posttraumatische stress (PTS)-symptomen in de (sub)klinische range is aanzienlijk gedaald en ouders rapporteren minder opvoedstress. Ondanks dat ouders zelf erg verschillen in hun algemene kijk op de resultaten van de kinderbeschermingsmaatregel, variërend van erg positief tot erg negatief, noemen veel ouders toch een aantal punten waarop hun gezinssituatie positief is veranderd. Toch blijft geweld in veel gezinnen een probleem, en kindermishandeling komt in deze gezinnen vaak nog steeds voor. Daarnaast blijven opvoedstress en PTS-symptomen bij kinderen, ondanks een verbetering, nog steeds hoger dan wat normaal is in de Nederlandse bevolking.
3. Er is geen verschil tussen gezinnen met gedwongen en vrijwillige hulpverlening
De verbeteringen op het gebied van kindveiligheid, opvoedstress, en PTS-symptomen bij kinderen zijn vergelijkbaar bij gezinnen die hulp ontvingen in het vrijwillige kader (na melding bij VT) en in het gedwongen kader (OTS maatregel). Dat wil zeggen, de mate waarin verbeteringen optreden is niet verschillend tussen gezinnen mét en zonder een kinderbeschermingsmaatregel. Bij gezinnen die vrijwillige hulp ontvangen zien we verbeteringen op dezelfde vlakken, maar zien we ook dat in veel gezinnen het geweld nog voortduurt en dat de problemen van ouders en kinderen onvoldoende afnemen. Een kinderbeschermingsmaatregel wordt in principe alleen ingezet wanneer ouders niet openstaan voor hulp en de inzet van vrijwillige hulp niet meer toereikend is. Ook zien we dat de problematiek van de gezinnen waar een kinderbeschermingsmaatregel geldt (gedwongen hulp) gemiddeld ernstiger is bij de start van het hulpverleningstraject. Deze gezinnen rapporteren gemiddeld meer opvoedingsproblemen en een lager welzijn bij kinderen dan gezinnen die hulp ontvangen in het vrijwillige kader. Gezien deze verschillen en mogelijke uitdagingen in de groep waar gedwongen hulp is opgelegd, is het positief dat er verbeteringen optreden in deze groep, en dat dit niet verschilt met het vrijwillige kader. Dit betekent dat voor sommige gezinnen ondersteuning binnen een gedwongen kader een effectieve benadering kan zijn.
Professionals die zelf werkzaam zijn in het veld noemen verschillende redenen die kunnen verklaren waarom vergelijkbare resultaten worden behaald bij gezinnen met en zonder kinderbeschermingsmaatregel, zoals de 'breekijzer'-functie bij het gedwongen kader, volharding van hulpverleners, betere training in het bespreken van huiselijk geweld, en een coördinerende rol bij het regelen van zorg. Ook kan de mate van dwang die ouders ervaren sterk afwijken van de daadwerkelijke status van de verkregen hulp. Gedwongen hulp hoeft niet zo ervaren te worden wanneer ouders intrinsiek gemotiveerd zijn voor de hulp. Omgekeerd kunnen ouders zich gedwongen voelen om hulp te accepteren, ondanks de vrijwillige aard van de hulp.
4. Veranderprocessen binnen gezinnen zijn complex
Om meer inzicht te krijgen in de veranderprocessen binnen gezinnen onderzochten we de longitudinale associaties tussen geweld, opvoedstress, en PTS-symptomen van kinderen binnen gezinnen, in plaats van te kijken naar gemiddelden bij gezinnen met en zonder een kinderbeschermingsmaatregel. We ontdekten dat wanneer geweld in een gezin afneemt, dit niet gepaard gaat met een afname van opvoedstress en PTS-symptomen bij kinderen over de tijd (een jaar én anderhalf jaar later). Met andere woorden, opvoedstress en PTS-symptomen bij kinderen verbeteren niet wanneer het geweld in een gezin afneemt. Blijkbaar spelen andere factoren, zoals veerkracht, bepaalde contextuele factoren of andere gezinsdynamieken, een grotere rol bij het verbeteren van welzijn dan een afname van geweld alleen. Dit suggereert dat de veranderprocessen binnen gezinnen complex zijn, complexer dan de processen die we waarnemen op gemiddeld niveau. Deze complexiteit vereist zorg die specifiek is afgestemd op de unieke behoeften van elk gezin, wat kan verklaren waarom verbeteringen niet in alle gezinnen voldoende zijn.
Daarnaast is verandering moeilijk te bereiken zonder afstemming tussen ouders en professionals. Het is essentieel dat ouders en professionals aan het begin van de jeugdbeschermingsbetrokkenheid overeenstemming bereiken over de probleemdefinitie en de doelen die nagestreefd worden. Zonder deze afstemming kunnen ouders andere verwachtingen hebben. Dit maakt het moeilijk om verandering te bereiken en kan leiden tot gevoelens van machteloosheid, het gevoel geen regie te hebben, en lagere waardering van de resultaten. Het vergroot de kloof tussen wat ouders voelen dat ze nodig hebben en de daadwerkelijk geboden hulp, en het maakt het lastiger voor ouders om hun eigen vooruitgang te zien. De beginfase na de start van een kinderbeschermingsmaatregel is dus erg belangrijk: hierin moet consensus worden bereikt over de problemen die moeten worden aangepakt. Om dit te bereiken is een grondige en gedeelde analyse van de problematiek die speelt in een gezin en hoe problemen elkaar in stand houden essentieel. De afstemming met professionals kan echter bemoeilijkt worden wanneer ouders moeite hebben om hun eigen gedrag te evalueren. Het afstemmen tussen ouders en professionals over de aard van de problemen en de nodige interventies blijft cruciaal gedurende het hele ondersteuningsproces, niet alleen in de beginfase. Uit interviews blijkt dat in de gezinnen veel kan veranderen in de loop van de tijd, wat betekent dat probleemanalyses en gestelde doelen regelmatig bijgesteld moeten worden. Professionals moeten er daarom voor zorgen dat ouders betrokken blijven gedurende het gehele proces van hulpverlening.
Implicaties voor de praktijk
De bevindingen in dit proefschrift hebben verschillende implicaties voor beleidsmakers en professionals in de jeugdbeschermingssector. Ten eerste onderstrepen de verschillende studies in deze dissertatie opnieuw dat geweld in gezinnen lastig te stoppen is. Gespecialiseerde en langdurige zorg is nodig om de veiligheid van kinderen duurzaam te kunnen waarborgen. Veel gezinnen die betrokken zijn bij jeugdbescherming hebben te maken met meerdere hulpverleningsorganisaties, wat soms leidt tot problematische coördinatie en daardoor inadequate hulp. Effectieve samenwerking tussen de professionals en organisaties in het veld is dus cruciaal. Dit geldt ook voor een zorgvuldige triage van het type geweld en de rol van het geweld in gezinnen. Het is ook cruciaal dat professionals voortdurend alert blijven op signalen van geweld in het gezin, zelfs wanneer er al hulp is. Dit vraagt om een proactieve houding van professionals om geweld en de impact ervan bespreekbaar te maken, ook tijdens de periode wanneer een kinderbeschermingsmaatregel geldt. Professionals moeten voortdurend getraind worden om de kindermishandeling, en de onderliggende factoren, openlijk te bespreken en daarmee een eerste stap te zetten naar het waarborgen van de veiligheid van kinderen. De methode Signs of Safety sluit aan bij deze behoefte door het gezin actief te betrekken bij het proces van kinderbescherming en een coöperatief partnerschap aan te gaan met ouders.
Ten tweede is er in Nederland een aanhoudende discussie over de vraag of een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel nog moet worden opgelegd aan gezinnen. Deze discussie is nauw verbonden met het ‘Toekomstscenario kind en gezinsbescherming’, waarin wordt toegewerkt naar een nieuwe benadering waarin de preventie van gedwongen hulp centraal staat. Op basis van dit proefschrift kan geconcludeerd worden dat er gelijke resultaten te zien zijn bij gezinnen die hulp ontvangen in een gedwongen en vrijwillige context. Dit ondanks de moeilijk bereikbare groep, de complexiteit van problematiek en uitdagingen met betrekking tot de motivatie in het geval van een gedwongen maatregel. Op basis van de interviews met ouders, kunnen we echter veronderstellen dat wanneer ouders en professionals op één lijn liggen wat betreft de problematiek, de bijbehorende doelen voor het traject en de verwachtingen, ouders meer betrokken en gemotiveerd zijn gedurende het gehele gedwongen traject. En grotere motivatie is daarop weer gerelateerd aan betere uitkomsten.
Het bereiken van overeenstemming met ouders vormt een complexe uitdaging voor professionals. Hoe kun je de betrokkenheid van ouders verhogen en ouders ondersteunen, wanneer zij zelf andere prioriteiten of behoeften hebben? Dit vereist het integreren van meerdere perspectieven en het beheren van conflicterende belangen op een manier dat elke partij zich ondersteund en gehoord voelt. Motiverende gesprekstechnieken kunnen effectief zijn om de afstemming tussen ouders en professionals te bereiken en om ouders te motiveren om gemeenschappelijke doelen te bereiken. Voor de juiste verwachtingen bij ouders is het daarnaast cruciaal dat jeugdbeschermers transparant zijn over hun rol, en de rol van de verschillende andere betrokken professionals. Dit is nu vaak nog onduidelijk bij ouders.
Tot slot benadrukken de studies in deze dissertatie hoe complex de processen van verandering die binnen gezinnen plaatsvinden zijn. Dit onderstreept opnieuw het belang van een gezinsgerichte benadering met zorg op maat. Achter de onveiligheid van kinderen ligt vaak een opeenstapeling van problemen, zoals mentale problemen bij ouders, verslaving, financiële problematiek, complexe scheidingen, enzovoorts. Elk gezin is uniek en heeft een specifieke combinatie van deze factoren, wat een aanpak op maat vereist. Gepersonaliseerde zorg en interventies die inspelen op de holistische behoefte van gezinnen zijn cruciaal om effectief aan de specifieke behoeften en omstandigheden van gezinnen te voldoen.
Sterke punten, beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek
De conclusies van dit proefschrift zijn gebaseerd op vier empirische studies met uiteenlopende opzetten, waaronder zowel een klinische, als een steekproef uit de normale populatie. Een van de sterke punten is de longitudinale studie met zelfrapportagegegevens van ouders en kinderen over een langere periode, wat inzicht geeft in de dynamiek binnen gezinnen. De aanvulling van kwalitatieve data biedt een geïntegreerde blik op de ervaringen van ouders. Het onderzoek heeft gebruik gemaakt van de ervaringen van zowel moeders als vaders. Beperkingen zijn onder andere het gebruik van een enkele informant, een selectief aantal uitkomstmaten, en het niet in acht nemen van de heterogeniteit binnen de kinderbeschermingspopulatie. Toekomstig onderzoek zou baat hebben bij een multi-informant strategie, het opnemen van extra factoren zoals geestelijke gezondheid van ouders en het onderzoeken van veranderingen over kortere tijdsintervallen. Bij toekomstig onderzoek is het daarnaast van belang om de diverse problematiek en de verschillende situaties waarmee gezinnen in de jeugdbescherming te maken hebben, in overweging te nemen. Zo kunnen gerichtere interventie strategieën ontwikkeld worden.
Conclusie
Jeugdbescherming heeft de cruciale, maar moeilijke taak om kinderen veilig te houden en te beschermen tegen alles wat hun ontwikkeling bedreigt. Gezinnen die het jeugdbeschermingssysteem betreden, kampen vaak met problemen op meerdere levensgebieden, die allemaal invloed hebben op de ontwikkeling van hun kinderen. Keert het tij voor deze gezinnen wanneer zij hulp ontvangen? Het huidige proefschrift geeft een hoopvolle boodschap en toont aan dat voor gezinnen waar sprake is van kindermishandeling, verschillende aspecten in de loop van de tijd verbeteren, zoals een afname van kindermishandeling, vermindering van PTS-symptomen bij kinderen en opvoedstress. Deze verbeteringen zijn gelijk voor het vrijwillige en gedwongen kader. Hoewel dit bemoedigend is, zien we dat problematiek na 1,5 jaar niet is opgelost. Verandering is complex en moeilijk te realiseren zonder afstemming tussen ouders en professionals. Het verkrijgen van een optimale samenwerking met ouders is een uitdagende taak voor jeugdbeschermingsmedewerkers. Daarom is het essentieel te blijven investeren in professionalisering op dit gebied, ouders en jeugdbeschermingsmedewerkers staan immers samen rond het kind. Alles moet in het werk worden gesteld om het tij te keren.
Notes
1 In het huidige proefschrift wordt onder kindermishandeling niet alleen directe vormen van kindermishandeling (slachtofferschap) verstaan, maar ook indirecte vormen van kindermishandeling, namelijk het getuige zijn van geweld tussen ouders.
2 De kinderbeschermingsmaatregel waarin ouders ontzet worden uit hun gezag wordt in deze dissertatie buiten beschouwing gelaten.
Bekijk ook deze proefschriften
Structure-Preserving Data-Driven Methods for Modeling Turbulent Flows
Molecular insights into the role of VRS5 in tillering and lateral spikelet development in barley
Gamma Knife Radiosurgery for Skull Base Tumors
Reimagining petrochemical clusters by defossilising chemical building blocks
Microbial stabilization and protein functionality of plant-based liquids using pulsed electric fields
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















