Deel dit project
Teaching behavior in the context of honors education in higher education
Samenvatting
Doceergedrag in de context van honoursonderwijs in het hoger onderwijs
Docenten spelen middels hun doceergedrag een belangrijke rol in het ondersteunen van de leermotivatie van studenten. Toen dit promotieonderzoek begon, vormden honoursstudenten een nieuwe doelgroep binnen het hoger onderwijs. Het lesgeven aan honoursstudenten was voor docenten in het hoger onderwijs een nieuwe uitdaging. Deze uitdaging vergde een verdere ontwikkeling van hun doceergedrag om op een effectieve manier in te kunnen spelen op de behoeften van deze studentenpopulatie. Dit proefschrift gaat over honoursdocenten en hoe zij studenten ondersteunen in hun motivatie om te leren. Centraal staan behoefte-ondersteunende en behoefte-belemmerende doceergedragingen in hoger onderwijsprogramma’s voor honoursstudenten.
Hoofdstuk 1 introduceert het onderzoek naar doceergedrag vanuit de zelfdeterminatietheorie (SDT). Deze theorie is een brede macrotheorie over menselijke motivatie en gedrag die uitvoerig is onderzocht in de psychologie en in het onderwijs, met name in het basis- en voortgezet onderwijs. In dit proefschrift is deze theorie gebruikt om dimensies van doceergedrag te identificeren die bepalend zijn voor het ondersteunen van de intrinsieke motivatie van studenten in het honoursonderwijs. Doceergedrag dat de psychologische basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid ondersteunt, speelt een centrale rol in dit proefschrift.
Zoals beschreven in hoofdstuk 1, is het doel van dit proefschrift om een breder inzicht te verkrijgen in de context van honoursonderwijs en het gedrag van docenten om de intrinsieke motivatie van honoursstudenten voor leren te ondersteunen. Dit proefschrift omvat vier studies die tussen 2013 en 2020 in Nederland zijn uitgevoerd. Voorafgaand aan het bestuderen van doceergedrag in honoursonderwijs, werd in twee voorbereidende studies (hoofdstuk 2 en 3) de context van honoursonderwijs onderzocht en de factoren die het doceergedrag in deze setting beïnvloeden, zoals verwoord in de eerste onderzoeksvraag van dit proefschrift: Wat is de potentiële impact van contextuele factoren op het doceergedrag van honoursdocenten? (hoofdstuk 2 en 3). De centrale onderzoeksvraag van dit proefschrift is de tweede: Welke behoefte-ondersteunende en behoefte-belemmerende gedragingen rapporteren en demonstreren hoger onderwijsdocenten in het honoursonderwijs? (hoofdstuk 4 en 5).
Hoofdstuk 2 beschrijft een kwalitatief onderzoek waarin de contextuele factoren werden onderzocht bij de implementatie van extracurriculaire excellentieprogramma’s op vier verschillende hogescholen. Programmamanagers werden geïnterviewd als sleutelfiguren. Het doel was om meer te begrijpen van de context waarin docenten werken met honoursstudenten. Er werden semigestructureerde interviews afgenomen bij 12 programmamanagers die verantwoordelijk waren voor het leiden van de implementatie en de monitoring van excellentieprogramma’s binnen hun eigen instellingen in het extern gefinancierde Sirius-programma. Programmamanagers werden bevraagd op drie contextuele factoren met betrekking tot deze implementatie: institutioneel beleid, curriculumontwikkeling door docententeams en de toegevoegde waarde van excellentieprogramma's.
De bevindingen lieten zien dat programmamanagers een context wisten te creëren voor de implementatie van excellentieprogramma’s, hoewel ze weinig invloed hadden op het institutionele beleid voor deze innovatie. Belangrijke, en soms belemmerende, aspecten van dit institutionele beleid waren kwaliteitsborgingsprocessen, een centraal budget voor onderwijs, organisatorische procedures en het centrale excellentiebeleid. De curricula voor excellentieprogramma’s werden ontwikkeld op afdelingsniveau, wat teameigenaarschap mogelijk maakte. Docententeams kregen de verantwoordelijkheid en de ruimte om extracurriculaire excellentieprogramma’s te ontwikkelen en te implementeren binnen hun afdeling en hogeschool. Programmamanagers gaven aan dat de implementatie van excellentieprogramma’s bijdroeg aan de ontwikkeling en motivatie van docenten. Dit kwam doordat in de implementatie van excellentieprogramma’s ruimte was voor docententeams om ervaringen te delen en te experimenteren met nieuwe pedagogische benaderingen. Dit bevorderde een gedeelde betekenis van de innovatie en werd gezien als een belangrijke toegevoegde waarde van het implementeren van excellentieprogramma’s.
Hoofdstuk 3 beschrijft een kwantitatieve studie waarin het gebruik van autonomie-ondersteunend doceergedrag in extracurriculaire excellentieprogramma’s werd onderzocht in relatie tot factoren in de sociale werkomgeving van docenten. De studie onderzocht de volgende hypothese: Er is een positieve relatie tussen het gebruik van autonomie-ondersteunend doceergedrag in extracurriculaire excellentieprogramma’s en het ervaren van weinig druk in de werkomgeving, intrinsieke motivatie en een growth mindset. In navolging van Reeve (2009) wordt in dit hoofdstuk de term “autonomie-ondersteunend doceergedrag” gebruikt. Dit is een synoniem voor “behoefte-ondersteunend doceergedrag”, gebruikt in hoofdstukken 4 en 5. De termen “honors” en “excellentieprogramma's” worden in de Nederlandse literatuur door elkaar gebruikt. Aan het begin van het Sirius Programma werden ze excellentieprogramma's genoemd, en tijdens het Sirius Programma verwezen universiteiten en hogescholen in Nederland vaker naar deze programma's als "honoursprogramma's". Zevenenveertig docenten van zes hogescholen vulden een online vragenlijst in op basis van gevalideerde Likert-schaalvragenlijsten. Sommige docenten werkten aan hogescholen die subsidie ontvingen vanuit het Sirius-programma, terwijl andere docenten verbonden waren aan hogescholen die niet bij dit programma betrokken waren.
De resultaten lieten zien dat de meerderheid van de docenten aangaf autonomie-ondersteunend doceergedrag te gebruiken in hun extracurriculaire excellentieprogramma. De hypothese werd gedeeltelijk bevestigd. Er bleek een positieve relatie tussen weinig druk ervaren en autonomie-ondersteunend gedrag. We vonden echter niet de verwachte positieve relaties tussen de intrinsieke motivatie en de growth mindset van docenten enerzijds en autonomie-ondersteunend gedrag van docenten anderzijds.
Hoofdstuk 4 beschrijft een kwalitatieve studie gebaseerd op semi-gestructureerde interviews met 12 docenten van vier Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs, die zowel lesgaven in extracurriculair honoursonderwijs als in reguliere bacheloronderwijs. Zeven docenten werkten aan een universiteit en vijf aan een hogeschool. De semigestructureerde interviews werden afgenomen met behulp van de STAR-methode. Deze methode bestaat uit vier stappen. Docenten werd gevraagd een actuele lessituatie (S) te beschrijven waarin het resultaat (R) was dat ze hun studenten succesvol motiveerden. Andere vragen waren: Wat was jouw taak (T) en rol in deze specifieke situatie? Welke specifieke activiteiten (A) gebruikte je om de studenten te motiveren? Alle vragen werden eerst gesteld over een lessituatie uit het honoursonderwijs en daarna over een lessituatie uit het reguliere onderwijs.
De bevindingen lieten zien dat alle drie de basisbehoeften werden ondersteund in beide onderwijscontexten. Docenten rapporteerden zowel overeenkomende als context-specifieke gedragingen om de ontwikkeling, groei en motivatie van studenten te ondersteunen. Ze rapporteerden zes gedragingen in beide contexten, vier gedragingen uitsluitend in het honoursonderwijs en één type gedrag specifiek in het reguliere onderwijs. In beide contexten zorgden docenten op soortgelijke wijze voor drie vormen van structuur (bijeenkomsten organiseren, vragen stellen en duidelijk zijn over verwachtingen), één vorm van autonomie-ondersteuning (verantwoordelijkheid geven) en twee vormen van docentbetrokkenheid (relaties opbouwen en veiligheid en vertrouwen bieden).
Ondanks de overeenkomsten in het type gedrag dat werd waargenomen, waren er opmerkelijke verschillen in de manier waarop deze gedragingen werden uitgevoerd. Het meest opvallende verschil was de manier waarop docenten verantwoordelijkheid gaven aan hun studenten. Docenten rapporteerden dat ze in het honoursonderwijs studenten wilden uitdagen om verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leren, terwijl studenten in het reguliere onderwijs verantwoordelijkheid kregen voor het kiezen van een deel van de inhouden. Als we kijken naar verschillen in doceergedragingen, dan laten de bevindingen zien dat er in het honoursonderwijs meer variatie is in doceergedragingen als het gaat om het ondersteunen van de behoefte aan autonomie en de behoefte aan competentie. Docenten in honoursonderwijs gaven aan dat zij de autonomie van studenten ondersteunden door een open benadering van opdrachten en door studenten te ondersteunen bij het vinden van hun eigen potentieel. Ze boden structuur door de begeleiding af te stemmen op wat studenten op een bepaald moment nodig hadden en door gemakkelijk toegankelijk te zijn. In het reguliere onderwijs gebruikten docenten één specifieke doceergedraging die gericht was op het bieden van structuur, namelijk een stapsgewijze aanpak.
Hoofdstuk 5 beschrijft een kwalitatieve video-observatiestudie. Daarvoor werd eerst een observatie-instrument ontwikkeld om video-opnames te analyseren van 12 lessen van vier verschillende honoursdocenten aan één hogeschool. Deze tool hielp bij het identificeren van de typen gedragingen die deel uitmaken van de verschillende dimensies van behoefte-ondersteunende en behoefte-belemmerende gedragingen in hun honours klassen. De tool bouwde voort op bestaande SDT-observatieschema’s uit het voortgezet onderwijs en we breidden deze uit met beschrijvingen van doceergedragingen uit experimentele, zelfrapportage- en laboratoriumstudies over verschillende onderwijstypen (veelal uit het voortgezet onderwijs). Docenten die behoefte-ondersteunend doceergedrag vertonen, gaan uit van het perspectief van de student en ondersteunen de autonomie (ondersteuning van de behoefte aan autonomie), bieden structuur (ondersteuning van de behoefte aan competentie) en tonen docentbetrokkenheid (ondersteuning van de behoefte aan verbondenheid). Docenten die vooral behoefte-belemmerend doceergedrag vertonen, houden weinig rekening met het studentperspectief en oefenen controle en druk uit (belemmeren de behoefte aan autonomie). Zij veroorzaken chaos door een gebrek aan informatie en begeleiding (belemmeren de behoefte aan competentie) en gaan op een kille manier om met hun studenten (belemmeren de behoefte aan verbondenheid). Docenten gebruiken en combineren verschillende behoefte-ondersteunende en behoefte-belemmerende doceergedragingen tegelijkertijd in hun lessen. Om versnippering te voorkomen, kozen we in dit onderzoek voor instructiepatronen als betekenisvolle analyse-eenheid. Dit maakte het mogelijk om de functie van doceergedragingen in de verschillende instructiepatronen beter te begrijpen.
De belangrijkste bevindingen van deze studie waren negen soorten gedragingen die nog niet eerder geïdentificeerd waren in observatiestudies. Daarnaast bleek dat docenten een breed repertoire aan structuur-ondersteunend gedrag vertoonden, en een smaller repertoire voor autonomie-ondersteuning en docentbetrokkenheid. De laatste twee werden even vaak gebruikt. Structuur-ondersteunend gedrag was het meest voorkomende behoefte-ondersteunende gedrag over alle instructiepatronen heen. Doceergedragingen die behoeften belemmerden, kwamen slechts in beperkte mate voor en alleen in combinatie met één of meer behoefte-ondersteunende gedragingen. Autonomie-ondersteunend gedrag kwam het meest voor in student-gecentreerde instructiepatronen, terwijl docentbetrokkenheid het meest gebruikt werd in docent-student interactieve patronen (dialoog met de klas en presentaties door studenten) en in het student-gecentreerde groepscoachingspatroon.
Hoofdstuk 6 vat de bevindingen van de onderzoeken in dit proefschrift samen en bespreekt deze. Door de lens van de zelfdeterminatietheorie biedt dit proefschrift een bijdrage aan het begrijpen van behoefte-ondersteunende en behoefte-belemmerende doceergedragingen in het honoursonderwijs. Het observatie-instrument dat is ontwikkeld vormt een praktische operationalisatie van de SDT met betrekking tot lesgeven in het honoursonderwijs, die nog niet eerder beschikbaar was. De belangrijkste bevindingen geven aan dat docenten de behoeften van studenten ondersteunen in beide contexten (regulier en honours), hoewel de hoeveelheid en het type ondersteuning varieert tussen deze contexten. Doceergedragingen in honoursonderwijs lijken zich meer te richten op intrinsieke motivatie, terwijl in het reguliere onderwijs de focus meer ligt op extrinsieke motivatie. Dit kan leiden tot een spanning tussen honours en regulier bacheloronderwijs, omdat de geselecteerde getalenteerde en gemotiveerde studenten meer ondersteuning lijken te krijgen voor hun leerbehoeften dan reguliere studenten. Ondanks inspirerende voorbeelden van honoursonderwijs en van uitwisselingen tussen honours docententeams, lijkt het honours pedagogisch repertoire de didactiek in het reguliere onderwijs niet wezenlijk te beïnvloeden. Dit bleek uit situaties waarin dezelfde docenten lesgaven in beide onderwijscontexten. Dit proefschrift betoogt dan ook dat de toepassing van het honours repertoire niet lijkt af te hangen van individuele docentkenmerken maar dat er andere factoren zijn die invloed hebben op doceergedragingen. Plausibele factoren, deels ondersteund door het onderzoek in dit proefschrift, zijn onder andere verschillen tussen extracurriculair en intracurriculair onderwijs, de rol van hoge verwachtingen, de kleinschalige setting van honoursonderwijs, en de hechte honoursgemeenschap. Docenten hanteerden een breed repertoire aan structuur-ondersteunend gedrag, terwijl hun repertoire voor autonomie-ondersteuning en docentbetrokkenheid smaller was. Dit terwijl op basis van studies naar het studentperspectief de aanname zou kunnen zijn dat er even veel aandacht uit moet gaan naar alle drie de ondersteuningsvormen. Dit proefschrift laat zien dat de verschillende dimensies van docentgedrag elkaar versterkten.
Het observatie-instrument dat werd ontwikkeld, biedt docenten en docententeams concrete pedagogische taal om het gebruik van de honours doceergedragingen te stimuleren. Een belangrijke aanbeveling van deze dissertatie is om de terminologie in het observatie-instrument te gebruiken als uitgangspunt voor het delen van ervaringen met collega’s over het ondersteunen van de motivatie en het leren van hun studenten. Een andere aanbeveling is om het instrument te gebruiken in de daadwerkelijke praktijk in de klas, bijvoorbeeld als referentiepunt bij video supervisie en video peer coaching. Door het doelbewust gebruik van instructiepatronen in de lesplanning kunnen docenten hun doceergedragingen bewuster inzetten. Verder laten de bevindingen zien dat de ondersteuning van de behoeften van studenten door docenten deels afhangt van de ervaring van autonomie door docenten op verschillende niveaus, van individuele ruimte in lessen tot autonomie van docententeams binnen afdelingen en instellingsbreed beleid. Dit vereist dat managers en beleidsmakers een autonomie-ondersteunende werkomgeving voor docenten creëren. Autonomie-ondersteuning voor docenten vereist een congruente institutionele visie op autonomie ten aanzien van het leren van studenten en autonomie in de context van het werk van docenten.
Bekijk ook deze proefschriften
Identifying Sound Features from Brain Activity
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Optimizing Quality of Cancer Care Using Outcome Information
Smarter or More Inclusive? Inclusive Digital Transition in Smart Cities: Case studies in Chinese and European cities
The cardiovascular and immunological impact of immune suppression in kidney transplant recipients
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















