Deel dit project
Gray matter volumes in tinnitus and hyperacusis
Samenvatting
Tinnitus wordt meestal gekenmerkt door een aanhoudend suizen of zoemen in de oren, dat optreedt zonder enige externe geluidsprikkel. Het heeft een aanzienlijke invloed op de kwaliteit van leven en leidt tot problemen zoals verminderde concentratie, slaapstoornissen en heeft vaak ook psychologische gevolgen zoals angst en depressie. Tinnitus komt vaak samen voor met andere auditieve aandoeningen, met name gehoorverlies en/of hyperacusis. Ongeveer 90% van de personen met tinnitus rapporteert een zekere mate van gehoorverlies, terwijl tot 10% van de personen met tinnitus een normaal gehoor rapporteert. Daarnaast komt hyperacusis, een verhoogde gevoeligheid voor normale geluidsniveaus, voor bij ongeveer 63% van de personen met tinnitus.
Neuroimaging biedt een unieke mogelijkheid om zowel structurele als functionele eigenschappen in de hersenen van personen met tinnitus, gehoorverlies en hyperacusis te onderzoeken. Hoewel eerdere studies, met name structurele neuroimagingstudies, enkele hersenveranderingen in verband met tinnitus hebben aangetoond, waren de bevindingen grotendeels inconsistent en heterogeen. Deze inconsistentie kan worden toegeschreven aan factoren zoals kleine steekproefgroottes en de heterogeniteit binnen tinnituspopulaties, waaronder variaties in de aanwezigheid of afwezigheid van gehoorverlies en/of hyperacusis.
Dit proefschrift heeft tot doel de complexe interactie tussen tinnitus, gehoorverlies en hyperacusis te ontrafelen door gebruik te maken van een grotere en meer representatieve steekproef, en daarbij rekening te houden met factoren die mogelijk bijdragen aan de inconsistente en heterogene bevindingen die in eerdere studies zijn gerapporteerd.
In hoofdstuk 2 werd een meta-analyse uitgevoerd waarin vier groepen werden vergeleken: 1) personen met normaal gehoor en tinnitus, 2) personen met normaal gehoor zonder tinnitus, 3) personen met gehoorverlies en tinnitus, en 4) personen met gehoorverlies zonder tinnitus. In de groepen met normaal gehoor werd tinnitus geassocieerd met kleinere grijze-stofvolumes in de inferieure temporale gyrus, terwijl tinnitus in de groepen met gehoorverlies werd gekoppeld aan grotere grijze-stofvolumes in de linguale gyrus en de precuneus. Deze bevindingen bieden daardoor een verklaring voor de heterogene resultaten in eerdere studies en leidden tot de conclusie dat de aanwezigheid of afwezigheid van gehoorverlies een cruciale rol speelt in structurele hersenverschillen bij personen met tinnitus.
In hoofdstuk 3 werd een retrospectieve case-controlstudie uitgevoerd om de interactie tussen tinnitus en gehoorverlies op structurele grijze-stofvolumes te onderzoeken door vier groepen te vergelijken: 1) personen met normaal gehoor en tinnitus, 2) personen met normaal gehoor zonder tinnitus, 3) personen met gehoorverlies en tinnitus, en 4) personen met gehoorverlies zonder tinnitus. Er werd een significante interactie gevonden tussen de effecten van tinnitus en gehoorverlies op verschillende grijze-stofstructuren in de hersenen. In overeenstemming met de meta-analyse gaven de resultaten aan dat in de groepen met normaal gehoor tinnitus was geassocieerd met kleinere grijze-stofvolumes in de gyrus van Heschl, de posterieure insula, de ventromediale prefrontale cortex, de middelste cingulate cortex, het supplementaire motorische gebied en de inferieure frontale gyrus. Daarentegen werd tinnitus in de groepen met gehoorverlies in verband gebracht met grotere grijze-stofvolumes in de gyrus van Heschl, de posterieure insula, de linguale gyrus, de parahippocampale regio, de ventromediale prefrontale cortex en de inferieure frontale gyrus. Deze studie benadrukte het onderscheid tussen de structurele afwijkingen die geassocieerd zijn met tinnitus bij normaal gehoor en die welke verband houden met tinnitus bij gehoorverlies, wat leidde tot de conclusie dat er mogelijk unieke mechanismen van tinnitus bestaan bij normaal gehoor in vergelijking met tinnitus bij gehoorverlies.
In hoofdstuk 4 werd een retrospectieve case-controlstudie uitgevoerd om grijze-stofverschillen te onderzoeken die geassocieerd zijn met hyperacusis door twee groepen personen met tinnitus en gehoorverlies te vergelijken: 1) personen die boven de drempel scoorden voor hyperacusis op basis van de gevalideerde hyperacusisvragenlijst, en 2) personen die onder de drempel scoorden voor hyperacusis. De bevindingen gaven aan dat hyperacusis werd geassocieerd met kleinere grijze-stofvolumes in het supplementaire motorische gebied (onderdeel van de motorische regio). Daarnaast werden, op basis van de grijze-stofvolumes van het supplementaire motorische gebied, personen met hyperacusis geclassificeerd met een nauwkeurigheid van 80% in een area-under-the-curve analyse. Hoofdstuk 5 beschrijft vergelijkbare resultaten bij proefpersonen zonder gehoorverlies en bevestigt een vermindering van witte stof in de supplementaire motorische cortex die geassocieerd is met hyperacusis. Eerdere studies van andere onderzoeksgroepen hebben aangetoond dat hyperacusis geassocieerd is met centrale versterking binnen de auditieve baan. De studies in hoofdstuk 4 en 5 waren de eerste die aantoonden dat niet-auditieve regio’s, zoals de motorische regio, eveneens betrokken zijn bij hyperacusis. Dit leidde tot de hypothese dat verschillen in de motorische regio bij hyperacusis mogelijk samenhangen met motorisch gedrag, potentieel gerelateerd aan hyperactief en vermijdend gedrag als reactie op luide geluidsprikkels. Tevens werd geconcludeerd dat het supplementaire motorische gebied kan dienen als een structurele biomarker om hyperacusis te identificeren bij personen met tinnitus, ongeacht eventueel gehoorverlies.
Hoewel de bevindingen in dit proefschrift het begrip van de complexe interactie tussen tinnitus, gehoorverlies en hyperacusis vergroten, met name met betrekking tot de onderliggende structurele mechanismen, is verder onderzoek nodig om hun validiteit en klinische relevantie te versterken. Een veelbelovende richting voor toekomstig onderzoek is het gebruik van voor- en nametingen bij personen die gerichte interventies ondergaan, zoals cognitieve gedragstherapie voor tinnitus of audiologische behandeling voor hyperacusis. Het combineren van structurele en functionele neuroimaging met gedrags- en fysiologische metingen vóór en na behandeling kan bovendien helpen bij het identificeren van objectieve biomarkers die samenhangen met symptoomverandering, waardoor het mechanistisch inzicht wordt verbeterd en de ontwikkeling van betrouwbare biomarkers voor tinnitus en hyperacusis wordt ondersteund. Ten slotte zijn longitudinale onderzoeksopzetten essentieel, met name grootschalige populatiecohorten die structurele en functionele verschillen in de hersenen kunnen beoordelen die samenhangen met het ontstaan van tinnitus en hyperacusis, evenals met de chroniciteit ervan.
Bekijk ook deze proefschriften
What Do You Think You’re Doing?
Contractures in children with spinal muscular atrophy
Optimizing TB treatment with Beta-lactams in intensive care settings
Deciphering the Hepatic Microenvironment
THE SIGNIFICANCE OF HIGH-MOLECULAR WEIGHT ORGANIC CARBON FOR THE BIOLOGICAL STABILITY OF DRINKING WATER
Context-aware phenotyping of cardiac disease across translational models
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















