Deel dit project
The Dutch interwar economy revisited
Samenvatting
Het interbellum is een unieke periode in de Nederlandse economische geschiedenis. Vóór 1987 was er echter geen geschikte statistische informatie beschikbaar om de economie in die jaren goed te analyseren. Om deze situatie te verbeteren, wordt in deze studie een dataset met nationale rekeningen-gegevens samengesteld. Op basis van deze nieuwe cijfers worden de economische ontwikkelingen in het interbellum geanalyseerd.
Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de in de loop van de tijd beschikbaar gekomen cijfers over de economie van Nederland in het interbellum, vanaf de eerste officiële nationale inkomensraming voor 1929 (CBS, 1933) tot de cijfers van deze studie. De nieuwe ramingen zijn opgesteld binnen het integratiekader van het systeem van nationale rekeningen. Ze vormen een consistente dataset die ook gedetailleerder is dan de bestaande fragmentarische cijfers. Bij de start van deze studie waren de meest recente cijfers die van ZWO/CBS, deze zijn samengesteld in de jaren vijftig. De nieuwe ramingen verschillen aanzienlijk van de ZWO/CBS-cijfers. Zo is het bbp gemiddeld met 2,7 procent naar beneden en het netto nationaal inkomen met gemiddeld 2,5 procent naar boven bijgesteld. Bovendien was de gemiddelde jaarlijkse reële groei van het netto nationaal inkomen tijdens het interbellum volgens deze studie 2,2 procent en 1,9 procent volgens eerdere cijfers. De verschillen tussen de nieuwe en oude cijfers zijn groter voor individuele jaren en voor variabelen op lagere aggregatieniveaus.
In het ZWO/CBS-project werden geen nieuwe cijfers over de werkgelegenheid en werkloosheid in het interbellum geraamd. In de loop van de tijd zijn door het CBS slechts enkele geïsoleerde cijfers gepubliceerd. De verschillen tussen de nieuwe en bestaande cijfers zijn vrij groot; de werkloosheid was veel hoger dan eerder werd aangenomen. In 1935 overschreed de totale werkloosheid 657 000 arbeidsjaren, dat is 19,4 procent van de totale beroepsbevolking. De oude cijfers varieerden van 368 000 tot 539 000 werklozen. De hoogste werkloosheid onder loonarbeiders was 22,6 procent van de afhankelijke beroepsbevolking. De cijfers op bedrijfsklasse niveau waren zelfs nog dramatischer. In bijvoorbeeld de metaalindustrie was de werkloosheid 42,6 procent in 1935. Een jaar later was dat percentage 47,0 in de bouw en zelfs 53,5 in de bouwmaterialenindustrie.
De Nederlandse economie in het interbellum, in het bijzonder de jaren dertig, was het onderwerp van een overweldigend aantal studies. In hoofdstuk 2 wordt het debat over de ontwikkeling van de Nederlandse economie in de jaren 1921-39 gepresenteerd, te beginnen met de interpretatie van de tijdgenoten Tinbergen en Keesing. De meeste auteurs concludeerden dat het economische en monetaire beleid in de jaren dertig verantwoordelijk was voor de ernst en de lange duur van de economische crisis in Nederland. Andere genoemde redenen voor de crisis zijn onder andere de structuur van de Nederlandse economie en de zeer hoge bevolkingsgroei in Nederland. De publicatie van de eerste voorlopige resultaten van deze studie leidde tot veel media-aandacht, vooral de vergelijking van de crises in de jaren dertig en tachtig. De publicatie gaf ook aanleiding tot kritiek die gedeeltelijk in de huidige publicatie is verwerkt. Zo wordt de ontwikkeling van het volume van het bbp per hoofd van de bevolking nu ook geanalyseerd en in een internationaal perspectief geplaatst.
De cijfers in deze studie worden geraamd in het kader van de nationale rekeningen, inclusief een social accounting matrix. In hoofdstuk 3 worden enkele aspecten van deze integratiekaders besproken die belangrijk zijn voor deze studie. Het hoofdstuk behandelt ook de internationale richtlijnen voor nationale rekeningen, deze worden in bijna alle landen toegepast. Dat maakt vergelijkingen tussen landen mogelijk. De concepten die in deze studie zijn gebruikt zijn die van het SNA uit 1968. Volumeveranderingen van economische variabelen spelen een belangrijke rol bij het beschrijven van de ontwikkeling van een economie. Een voorbeeld is de verandering van het bbp-volume (economische groei of economische krimp). De belangrijkste theoretische en praktische aspecten van het bepalen van prijs- en volumeveranderingen van (historische) nationale rekeningen-gegevens komen aan de orde. Bovendien worden enkele problemen bij het samenstellen van tijdreeksen van nationale rekeningen-gegevens besproken.
De gegevensbronnen en ramingsmethoden die worden gebruikt bij het ramen van de nationale rekeningen-cijfers voor het interbellum zijn het onderwerp van hoofdstuk 4. Er is een grote verscheidenheid aan bronmateriaal gebruikt, zowel gepubliceerd als niet-gepubliceerd. Het gaat meestal om gegevens die werden verzameld en verwerkt door het CBS. Er zijn ook cijfers afkomstig van ministeries, overheidsinstellingen en bedrijven. In de gegevensbronnen zijn veel verschillende classificaties gebruikt. In deze studie worden de bedrijfsklassen geclassificeerd volgens de SBI 1974 industriële classificatie van het CBS. Dit betekent dat herclassificaties moeten plaatsvinden om tot die classificatie te komen. Voor 1920, 1930 en 1938 is meer informatie beschikbaar dan voor de andere jaren, waardoor het mogelijk is om die jaren als steekjaren te kiezen.
In hoofdstuk 5 worden de macro-economische ontwikkelingen in het interbellum geanalyseerd. Ze worden ook vergeleken met die in de jaren zeventig en tachtig. Deze jaren vertonen in sommige opzichten opmerkelijke overeenkomsten met de periode 50 jaar eerder. Bovendien worden de Nederlandse cijfers in een internationaal perspectief geplaatst. De gemiddelde jaarlijkse economische groei tijdens het interbellum als geheel verschilde nauwelijks van het gemiddelde van de OECD-24 en de EEC-12. Het Nederlandse cijfer was iets beter in de jaren twintig, maar slechter in de jaren dertig. Analyses van de jaren dertig komen meestal tot de conclusie dat de economische crisis in Nederland dieper was dan in het buitenland en langer duurde. Uit de cijfers van deze studie blijkt echter dat die conclusies genuanceerd moeten worden. Bij het vergelijken van de economische groei in Nederland met die in andere landen is van belang welke landen of landengroepen in de vergelijking worden betrokken.
De prestaties van de Nederlandse economie in de eerste helft van de jaren dertig waren relatief zwak. De opvatting dat het herstel in de tweede helft van de jaren dertig zwakker was dan in het buitenland, moet echter worden gewijzigd. In de jaren 1935-39 was de gemiddelde jaarlijkse groei van het bbp-volume (gemiddelde economische groei) in Nederland gelijk aan het gemiddelde van de EEC-12 en slechts 1,0 procentpunt lager dan het gemiddelde van de OECD-24. Het dieptepunt in Nederland (9,5 procent onder het niveau van 1929) was veel minder diep dan het gemiddelde van de OECD-24 (15,5 procent onder het niveau van 1929) en net iets dieper dan het gemiddelde van de EEC-12 (9,0 procent onder het niveau van 1929). De daling van het bbp-volume in Nederland in de jaren 1930-34 overtrof, samen met Frankrijk en Duitsland, die van alle landen van de EEC-12. Nederland was het laatste land in de OECD-24 dat zijn dieptepunt, in 1934, bereikte, twee jaar later dan het gemiddelde van zowel de OECD-24 als de EEC-12. In de jaren 1935-39 overtrof de groei in Nederland die van alle EEC-12-landen, met uitzondering van de sterk groeiende As-landen. In Nederland werd het niveau van voor de crisis weer bereikt in 1937; voor het gemiddelde van de OECD-24 was dat een jaar eerder en voor de EEC-12 was dat twee jaar eerder. Het herstel in Nederland was relatief sterk en de herstelperiode was een jaar korter dan het gemiddelde van the OECD-24 en gelijk aan het gemiddelde van de EEC-12.
Het bbp per hoofd van de bevolking is een betere indicator om de welvaart van een land te beoordelen dan het bbp. De ontwikkeling van de Nederlandse economie in internationaal perspectief is veel minder gunstig als de volumemutatie van het bbp per hoofd van de bevolking als maatstaf wordt genomen. Dit is een gevolg van de relatief hoge bevolkingsgroei in Nederland. In de jaren 1930-39 was de gemiddelde jaarlijkse volumemutatie van het bbp per hoofd van de bevolking in Nederland lager dan het gemiddelde van zowel de OECD-24 als de EEC-12. Van de Europese OECD-24 landen was alleen in Nederland en Spanje de volumemutatie negatief. In de eerste helft van de jaren dertig was de economische groei per hoofd van de bevolking in Nederland -3,3 procent, dat was lager dan het gemiddelde van de OECD-24 (-2,7 procent) en de EEC-12 (-1,0 procent). Op het dieptepunt van de crisis was het volume van het bbp per hoofd van de bevolking in Nederland 15,5 procent lager dan het niveau van voor de crisis; voor de EEC-12 en de OECD-24 was dat respectievelijk 10,7 en 17,7 procent. Het dieptepunt in Nederland kwam twee jaar later dan het gemiddelde van de OECD-24 en de EEC-12.
In de jaren dertig was de werkloosheid in Nederland hardnekkig en bereikte pas een maximum in 1935 en 1936; de werkloosheid van loonarbeiders in die jaren was respectievelijk 22,6 en 22,5 procent van de afhankelijke beroepsbevolking. In 1939 was deze werkloosheid met 12,6 procent nog steeds hoog. De werkloosheid in de jaren dertig was de hoogste ooit in Nederland. Het beeld van de werkloosheid was erg slecht op macroniveau, maar was nog dramatischer op het niveau van de bedrijfsklassen. De werkloosheid onder loonarbeiders vertoonde grote verschillen tussen bedrijfsklassen. De bouw en aanverwante bedrijfsklassen werden het hardst getroffen: de helft van de werknemers was daar werkloos in 1936. De werkloosheid in de diensten was gemiddeld ongeveer een derde van die in de nijverheid tijdens de crisisjaren. Alleen in transport, opslag en communicatie was de werkloosheid ongeveer hetzelfde als in de nijverheid.
In hoofdstuk 6 worden de meso-economische ontwikkelingen in het interbellum geanalyseerd. De bedrijfsklassen werden niet allemaal even zwaar getroffen door de economische crisis en het herstel was ook verschillend. In de jaren 1930-32 daalde het volume van de toegevoegde waarde in de metaalindustrie gemiddeld met 17,1 procent per jaar en in de bouw en aanverwante industrieën was dit percentage 11,0. De daling was het laagst in de voedingsmiddelen-, dranken- en tabaksindustrie: gemiddeld -1,2 procent per jaar. De metaalindustrie werd het zwaarst getroffen door de crisis en vertoonde een navenant sterk herstel. Het herstel in de ook zwaar getroffen bouw was veel minder uitgesproken. Deze grote bedrijfsklassen hadden een forse negatieve invloed op de ontwikkeling van de economie. Ze herstelden niet van de crisis vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In de diensten lag het dieptepunt van het volume van de toegevoegde waarde 2,0 procent onder het niveau van 1929, wat veel minder was dan in de economie als geheel (8,2 procent onder het niveau van 1929). Het grote belang van de diensten voor de Nederlandse economie had een matigende invloed op de ernst van de economische crisis van de jaren dertig.
Ondanks de crisis was de gemiddelde jaarlijkse stijging van de reële lonen in de jaren 1930-34 met 1,5 procent nog steeds duidelijk positief en zelfs nog iets hoger dan tijdens de herstelperiode in de tweede helft van de jaren dertig. In 1939 waren de reële lonen uiteindelijk gemiddeld 15,4 procent hoger dan in 1929. Maar in de bouw en aanverwante bedrijfsklassen werd het niveau van de reële lonen van vóór de crisis niet meer bereikt. De ontwikkeling van het reële loon per loonarbeider was opmerkelijk. Zelfs tijdens de eerste drie jaar van de economische crisis stegen deze lonen; in 1933 lagen die 24,4 procent boven het niveau van voor de crisis.
Hoofdstuk 7 presenteert een analyse van de levensstandaard per sociaal-economische subgroep in 1938. Na jaren van crisis en herstel was de verdeling van inkomsten en uitgaven over sociaal-economische subgroepen nogal ongelijk. De problemen van de armste groepen om meer dan alleen de basisbehoeften te vervullen blijkt uit het zeer hoge aandeel van de uitgaven aan voedsel in hun bestedingen: ongeveer 50 procent. In de meer welvarende subgroepen was dit 20 procent. In hoofdstuk 7 wordt ook de sociaaleconomische situatie in 1938 vergeleken met die in 1987. Die jaren nemen ongeveer dezelfde positie in met betrekking tot de jaren van crisis en herstel. De cijfers voor 1938 zijn gebaseerd op de historische sociale accounting matrix die in deze studie is samengesteld. Een vergelijking tussen de twee jaren laat zien dat er in 50 jaar opmerkelijke sociaaldemografische veranderingen hebben plaatsgevonden. Het gemiddelde huishouden werd bijvoorbeeld veel kleiner: 2,5 personen in 1987 versus 4,0 in 1938. Het aantal boerenhuishoudens daalde van 10,4 tot 1,6 procent van het totaal. In 1987 was het consumptievolume per hoofd van de bevolking bijna drie keer zo hoog als in 1938. Bovendien is de verdeling van inkomsten en uitgaven over subgroepen van huishoudens veel minder ongelijk geworden. Het aandeel van de uitgaven aan voedsel in de bestedingen is in vijf decennia meer dan gehalveerd; bovendien zijn de verschillen tussen de subgroepen in 1987 veel kleiner dan in 1938.
In de afgelopen 100 jaar zijn er drie ernstige economische recessies geweest. In hoofdstuk 8 worden de crises van de jaren dertig, de jaren tachtig en 2008 met elkaar vergeleken. De crisis van de jaren dertig was de zwaarste van de drie; de daling van het bbp-volume was het grootst en bovendien duurde de crisis lang. De duur van de crisis van 2008 was hetzelfde, maar de daling van het bbp-volume was veel minder. De crisis van de jaren tachtig was relatief kort en de daling van het bbp-volume was de laagste van de drie crises. De ontwikkeling van het volume van de consumptie door huishoudens vertoont enkele opmerkelijke verschillen. Tijdens de crisis van de jaren dertig nam het volume elk jaar toe, behalve in 1934. Tijdens zowel de crisis van de jaren tachtig als die van 2008 daalde het volume echter al aanzienlijk in het eerste crisisjaar en bleef in alle jaren onder het niveau van voor de crisis. Tijdens de crisis of 2008 was de ontwikkeling van het volume van de consumptie door huishoudens het ongunstigst van de drie crises.
Tijdens de crisis van de jaren dertig vertoonden de overheidsbestedingen een gematigd anticyclisch verloop, alleen tijdens de eerste crisisjaren was de ontwikkeling vrij sterk. Vanaf het midden van de crisisjaren kan de ontwikkeling van de overheidsbestedingen niet als anticyclisch worden beschouwd. Zowel tijdens de crisis van de jaren tachtig als tijdens de crisis van 2008 was het verloop van de overheidsbestedingen cyclisch. De ontwikkeling van de buitenlandse handel was verschillend tijdens de drie crises; dit geldt zowel voor de uitvoer als de invoer. Tijdens de crisis van de jaren dertig werd de buitenlandse handel zwaarder getroffen dan tijdens de andere twee crises. Tijdens de crisis van de jaren tachtig daalde het uitvoervolume alleen in 1982; het volume van de uitvoer kwam niet onder het niveau van vóór de crisis. Tijdens de crisis van 2008 daalde het volume van de uitvoer alleen in 2009, maar de daling was sterk. Het algemene beeld van de ontwikkeling van de invoer tijdens de crises was hetzelfde als die van de uitvoer.
Werkloosheid stijgt aanzienlijk tijdens een economische recessie. De werkloosheid was veruit het hoogst tijdens de crisis van de jaren dertig en het laagst tijdens de crisis van 2008. In de jaren dertig piekte de werkloosheid op 19,4 procent van de beroepsbevolking. De piek in de jaren tachtig was 10,2 procent en tijdens de crisis van 2008 was het maximum 7,4 procent. Zowel tijdens de crisis van de jaren dertig als de crisis van 2008 was de werkloosheid hardnekkig; de daling begon pas na zes crisisjaren. In de jaren tachtig was dat na drie jaar het geval. De werkloosheid nam tijdens de crisis van de jaren dertig veel sneller toe dan tijdens de beide andere crises. De werkloosheid was steeds het hoogst één jaar na het dieptepunt van het bbp-volume en de crisis was voorbij een jaar na het hoogtepunt van de werkloosheid.
In het interbellum kunnen twee perioden worden onderscheiden. De jaren twintig met krachtige economische groei en de jaren dertig met een diepe economische crisis die gepaard ging met extreem hoge en hardnekkige werkloosheid. Vooral in de tweede helft van de jaren twintig presteerde de Nederlandse economie beter dan die in het buitenland. Nederland was het laatste land waar het dieptepunt van de crisis werd bereikt. Het daaropvolgende herstel was krachtiger dan in het buitenland.
Bekijk ook deze proefschriften
International Benchmarking in Cardio-Thoracic Surgery
Supporting older adults to STAY ACTIVE AT HOME
γ-Aminobutyric acid (GABA) as a potential bioactive food component
Leadership and inclusiveness in public organizations
Clinical Assessment and Management of Balance Impairments in Parkinson’s disease
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















