Leon van Rijsbergen

What Do You Think You’re Doing?

Ondanks zijn enorme invloed is Immanuel Kants morele filosofie op grote schaal bekritiseerd als “overmatig abstract”. Met name Kants centrale stelling dat morele plichten universele geboden van de zuivere praktische rede zijn, die geen enkele uitzondering toelaten, is door velen opgevat als een indicatie dat zijn morele filosofie in excessieve mate losstaat van wat men de “morele praktijk” zou kunnen noemen. Door de jaren heen hebben Kantiaanse filosofen op veel van dergelijke kritieken gereageerd. Er is echter onvoldoende aandacht besteed aan een verwante categorie van kritiek, die het potentieel van Kants morele filosofie problematiseert in het licht van wat kan worden omschreven als cultureel pluralisme. Een substantieel aantal filosofen beschuldigt Kant (en/of Kantianen) ervan een universalistisch moreel systeem te hebben opgebouwd op basis van een homogene, “Eurocentrische” conceptie van moraal en/of van de morele actor (vgl. Mills 2018, 10; Benhabib 1992, 50; Velleman 2015, 48; Flikschuh 2018, 572–573). In dit proefschrift onderzoek ik of Kants universalistische morele filosofie cultureel pluralisme op bevredigende wijze kan onderbrengen. In vier zelfstandige hoofdstukken beoog ik te laten zien dat, binnen Kants morele systeem, zowel ethische als juridische beoordeling van een handeling aandacht moet hebben voor de maxime van de actor, en zich niet behoort te beperken tot louter de “uiterlijke manifestatie” van diens handeling. Ik betoog dat dit inzicht cruciaal is voor het begrijpen van de wijze waarop zowel Kants hoogste morele principe als zijn universele rechtsprincipe substantieel verschillende lokale levenswijzen – en daarmee cultureel pluralisme positief kan onderbrengen. In hoofdstuk 1 bespreek ik Katrin Flikschuhs “contextualistische” interpretatie van Kants ethiek. Volgens Flikschuhs Kantiaanse contextualisme laat Kants hoogste morele principe verschillende (zelfs onderling uitsluitende) lokale moraliteiten toe, omdat de categorische imperatief niet bedoeld zou zijn om inzicht te verschaffen in objectieve morele waarheid, maar als een toets waarmee wij de zuiverheid van onze maximen evalueren. Volgens Flikschuh geldt dat, wanneer wij oprecht en welgemeend oordelen dat onze maxime als algemene wet kan worden gewild, wij daarmee alles hebben gedaan wat de Kantiaanse moraal redelijkerwijs van ons kan verlangen (Flikschuh 2018, 569). Zodra wij erkennen dat mensen hun leven navigeren middels diverse conceptuele kaders die gevormd zijn door de specifieke sociale omstandigheden van hun lokaal gerealiseerde levenswijzen, kunnen wij inzien dat individuen in verschillende sociale contexten bepaalde maximen op rechtvaardige wijze als universaliseerbaar kunnen beschouwen, zelfs wanneer wij dat vanuit ons eigen lokale standpunt niet kunnen. Althans, zo betoogt Flikschuh (Flikschuh 2017, 104–105). In reactie hierop betoog ik dat Flikschuhs Kantiaanse contextualisme resulteert in normatieve onbepaaldheid, de rol van de categorische-imperatieftoets binnen Kants ethiek miskent en actoren in een theoretisch incoherente positie plaatst waarin zij moeten beoordelen of hun maximen universaliseerbaar zijn, terwijl zij tegelijkertijd moeten erkennen dat dergelijke oordelen niet bepalen of hun maximen feitelijk als algemene wetten kunnen worden gewild. Daartegenover stel ik dat Kants ethiek ruime mogelijkheden biedt voor cultureel pluralisme zonder afstand te hoeven doen van het idee dat de categorische imperatief onvoorwaardelijke, universele beperkingen aan handelen oplegt, aangezien onvolmaakte plichten slechts tegen de achtergrond van contextuele omstandigheden kunnen worden toegepast en praktisch oordeelsvermogen vereisen van contextueel gesitueerde actoren voor hun invulling. Daarbij kan het object van volmaakte plichten – handelingen – niet strikt worden losgekoppeld van maximen, en daarmee van de concrete contextuele omstandigheden waarin een handeling wordt gewild. In hoofdstuk 2 reageer ik op David Vellemans argument dat Kants categorische imperatief ongeschikt is als universeel moreel principe, omdat het een principe zou zijn waartoe slechts een selecte (dus niet universele) groep mensen aan gecommitteerd is. Volgens Velleman handelen “Kantiaanse actoren” noodzakelijkerwijs met het doel hun autonomie te realiseren, wat zij doen door hun handelingen in overeenstemming te brengen met de vereisten van de categorische imperatief. Hij betoogt verder dat antropologische data laat zien dat bepaalde groepen mensen – zoals de Sherpa’s van Nepal, de Baining en de Kaluli van Papoea-Nieuw Guinea en de Ilongot van de Filipijnen – Kants “gepsychologiseerde” typering van actorschap niet delen (Velleman 2015, 32), waardoor niet kan worden gezegd dat diens constitutieve standaard op hen van toepassing is, die Kant zou opvatten als de categorische imperatief. Ik verwerp Vellemans stelling door te laten zien dat iemand, om überhaupt onder enige specifieke zelfconceptie te handelen, zichzelf altijd impliciet moet begrijpen als een “Kantiaanse actor” (d.w.z. als iemand die noodzakelijk handelt onder het idee van vrijheid). Bovendien betoog ik dat Kants categorische imperatief niet moet worden opgevat als een constitutieve handelingsstandaard. Velleman slaagt er derhalve niet in aan te tonen dat de categorische imperatief geen moreel principe kan zijn dat universeel op rationele actoren van toepassing is. In hoofdstuk 3 onderzoek ik Kants vermeende oordeel over de historische praktijk van senicide onder de Inuit (d.w.z. het doden van ouderen op hun verzoek), omdat ik meen dat dit de contextgevoeligheid illustreert die inherent is aan zijn morele filosofie. In zijn colleges over ethiek zou Kant hebben gezegd dat deze praktijk een “liefdedienst” (Liebesdienst) van kinderen aan hun ouders was die tot op zekere hoogte gerechtvaardigd is, aangezien het doel ervan was de ouderen te behoeden voor verhongering – een lot dat hij aanduidt als een “schandelijkere dood” (Her, 27:43; Mrong II, 29:622). Deze uitspraak is raadselachtig omdat Kant meermaals verkondigt dat zelfmoord (Selbstmord) onvoorwaardelijk is uitgesloten door de categorische imperatief. Dit roept de vraag op of – en zo ja, hoe – deze beweringen met elkaar te verzoenen zijn. Door te analyseren wat Kant mogelijk bedoelde met een “schandelijke dood”, concludeer ik dat hij plausibel kan hebben gemeend dat een (geassisteerde) daad van zelfdoding niet geldt als een geval van zelfmoord wanneer deze noodzakelijk is om te voorkomen dat men sterft onder omstandigheden die onverenigbaar zijn met de waardigheid van een rationeel wezen, of die “schandelijker” zijn dan het alternatief om diens leven tot zijn natuurlijke einde te verduren. Als mijn argument klopt, laat ik zien dat Kants morele filosofie ruimte laat voor de mogelijkheid dat (culturele) context van invloed is op de vraag of een handeling of praktijk die (geassisteerde) zelfdoding omvat, geldt als een schending van het categorische verbod op zelfmoord. Als dit geldt voor zelfmoord, dan zou hetzelfde moeten gelden voor handelingen in het algemeen. In hoofdstuk 4 bespreek ik de dominante opvatting volgens welke Kants rechtsfilosofie, in tegenstelling tot zijn ethiek, zich uitsluitend bezighoudt met de vraag of een handeling feitelijk inbreuk maakt op iemands voorwaarden van externe vrijheid, ongeacht de maxime waarop de handeling wordt gewild. Ik betoog dat deze interpretatie een probleem vormt voor Kants theorie, aangezien zij geen onderscheid kan maken tussen handelingen die uiterlijk gelijk maar innerlijk verschillend zijn. Dit probleem is bijzonder prangend in de context van cultureel pluralisme, aangezien cultureel-antropologische data laat zien dat bepaalde cultuurspecifieke handelingsvormen, hoewel zij uiterlijk niet te onderscheiden zijn van onrechtmatige handelingen zoals liegen of valse beloftes afleggen, niet dezelfde connotaties van misleiding dragen die volgens Kant een rechtsstaat ondermijnen. Als Kants universele rechtsprincipe geen onderscheid kan maken tussen uiterlijk gelijke maar inhoudelijk verschillende handelingen, is het vatbaar voor het beoordelen van rechtmatige handelingen als strijdig met recht. In reactie hierop laat ik zien dat Kants rechtsfilosofie zich evenzeer bezighoudt met maximen als met de “uiterlijke manifestatie” van handelingen. Dit doe ik door Marie Newhouses tweestandaardeninterpretatie van Kants universele rechtsprincipe te verdedigen tegen de heersende opvatting dat dit principe niet op maximen van toepassing is. Vervolgens laat ik zien dat Newhouses tweestandaardeninterpretatie toelaat dat bepaalde externe handelingen als rechtmatig gelden, precies omdat zij op herkenbare wijze kunnen worden verricht op een maxime die met het recht in overeenstemming is. Cultuur, zo betoog ik, speelt een vormende rol bij het bepalen van de maatstaven aan de hand waarvan de uiterlijke kenmerken van bepaalde handelingen kunnen worden beoordeeld als verenigbaar met Kants notie van universele vrijheid onder wetten. Dit toont aan dat Kants rechtstheorie over de middelen beschikt om verschillende lokale levenswijzen positief onder te brengen – niet door haar universele principe te verzwakken, maar door toe te staan dat culturele context wordt meegenomen bij de identificatie van rechtmatige handelingstypen. Gezamenlijk tonen de hoofdstukken aan dat Kants universalistische morele systeem, vanwege zijn focus op de normatieve status van maximen in plaats van uiterlijke handelingen als zodanig, over de middelen beschikt om cultureel pluralisme positief onder te brengen. Volgens de Kantiaanse opvatting hangt de morele en juridische status van een handeling onlosmakelijk samen met wat de persoon zichzelf begrijpt te doen bij het verrichten ervan. Een culturele praktijk is moreel en juridisch toelaatbaar zolang zij herkenbaar kan worden verricht op maximen die tegelijkertijd als algemene wetten kunnen worden gewild en geen inbreuk maken op de externe vrijheid van anderen. Of bepaalde uiterlijke handelingen of praktijken herkenbaar op dergelijke maximen kunnen worden verricht, is cultuurafhankelijk. Aangezien de maxime waarop een handeling of praktijk wordt gewild van invloed kan zijn op de vraag of zij kwalificeert als een bepaald type (on)toelaatbare handeling of praktijk, staat Kants morele systeem toe dat uiterlijk gelijke maar inhoudelijk verschillende culturele praktijken in morele status kunnen verschillen. Dit geldt zowel voor praktijken die taalhandelingen betreffen als voor praktijken die fysieke handelingen omvatten. Daarom moet Kants morele systeem niet worden begrepen als een dogmatisch of cultureel parochiaal kader dat beperkt is tot – of slechts ruimte laat voor – “Europese” levenswijzen, maar veeleer als een morele theorie die flexibel kan worden toegepast in uiteenlopende culturele contexten.

Lees verder
Publicatiedatum 17 september 2026
Universiteit Rijksuniversiteit Groningen
Auteur Leon van Rijsbergen
Order nummer 19380

Bekijk ook deze projecten

Iskander Shadid

Iskander Shadid

Rijksuniversiteit Groningen Lees meer
Marjolein Engels

Marjolein Engels

Rijksuniversiteit Groningen Lees meer
Melanie Mendel

Melanie Mendel

Rijksuniversiteit Groningen Lees meer