Deel dit project
Avian chlamydiosis in chickens: from cell to population
Samenvatting
Chlamydia gallinacea en Chlamydia psittaci zijn beide intracellulaire bacteriën die tot de familie van de Chlamydiaceae behoren en aviaire chlamydiose in pluimvee kunnen veroorzaken. Tot de ontdekking van C. gallinacea in 2009 werd aangenomen dat C. psittaci de belangrijkste Chlamydia soort in pluimvee was. C. psittaci komt wereldwijd voor, kan van dier op mens worden overgedragen (zoönose) en kent een breed scala aan gastheren. Infecties in pluimvee kunnen zonder verschijnselen verlopen, maar ook tot ernstige verschijnselen als benauwdheid en sterfte leiden. Dit hangt af van de C. psittaci stam, gastheer, leeftijd van de gastheer en omgevingsfactoren (stress). Infecties in mensen kunnen resulteren in een ernstige longontsteking. C. gallinacea komt vooral voor in kippen en infecties lijken niet tot ziekte te leiden. Wel is bij vleeskuikens verminderde groei waargenomen. Naar het ziekteverwekkend vermogen van C. gallinacea is echter nog maar beperkt onderzoek gedaan. Ook het zoönotisch potentieel is nog niet opgehelderd.
Voorafgaand aan het onderzoek in dit proefschrift was onbekend in hoeverre C. gallinacea en C. psittaci ook in Nederlands pluimvee vóórkomen, terwijl er na 2010 in omliggende landen wel degelijk C. psittaci in kippen werd aangetoond. Bovendien werd in een Nederlandse studie uit 2012 een hoger aantal gevallen van longontsteking bij omwonenden van pluimveebedrijven gerapporteerd. De mogelijke oorzaak van deze gevallen van longontsteking was op dat moment onbekend, maar een hypothese was dat C. psittaci of C. gallinacea wellicht een rol zouden kunnen spelen.
Het doel van dit onderzoek was om het vóórkomen van Chlamydia in kippen in Nederland in kaart te brengen, inzicht te krijgen in het ziekteverwekkend vermogen van C. gallinacea door Nederlandse stammen te kweken, te karakteriseren en te testen in een model met eieren. Daarnaast is experimenteel onderzoek in kippen uitgevoerd. Als laatste is onderzocht of een doorgemaakte C. gallinacea infectie in kippen, een infectie met C. psittaci kan voorkomen.
In het onderzoek naar het vóórkomen, dat beschreven is in hoofdstuk 2, werd op 71 van de 151 onderzochte leghennenbedrijven met een PCR test C. gallinacea aangetoond in fecesmonsters. C. psittaci werd in geen van de onderzochte monsters gevonden. De aanwezigheid van C. gallinacea kon niet worden gerelateerd aan het optreden van klinische verschijnselen zoals neus- of ooguitvloeiing, benauwdheid of diarree, noch met verhoogde sterftecijfers.
In hoofdstuk 3 is beschreven hoe uit het caecum van gezonde leghennen, afkomstig van twee verschillende koppels, twee genetisch verschillende isolaten van C. gallinacea werden gekweekt. Verder onderzoek aan het genoom liet zien dat C. gallinacea genen heeft die in Chlamydia gerelateerd worden aan virulentie. C. gallinacea heeft wel minder van dit soort genen dan C. psittaci, maar de vraag is in hoeverre deze genetische verschillen samenhangen met het ontstaan van ziekte in dieren. In kippeneieren kan experimentele infectie met C. gallinacea via de dooierzak, sterfte van het embryo veroorzaken.
In hoofdstuk 4 is verder onderzoek gedaan naar het ziekteverwekkend vermogen van C. gallinacea in kippen. Na orale toediening, leidde een infectie met C. gallinacea niet tot acute klinische ziekte. C. gallinacea kon vooral worden aangetoond in epitheelcellen van het jejunum, ileum en caecum zonder zichtbare verschijnselen van ontsteking. Daarnaast werd C. gallinacea in macrofagen en dendritische cellen van de caecale tonsil aangetoond en werd een toename van antilichamen gemeten. Verspreiding van C. gallinacea naar andere organen werd niet aangetoond.
Als laatste is in hoofdstuk 5 onderzocht of een doorgemaakte C. gallinacea infectie de kans op een infectie met C. psittaci kon verlagen. De resultaten van de infectie experimenten lieten geen onderbouwing zien voor deze veronderstelling. De afwezigheid van C. psittaci in de prevalentiestudie uit hoofdstuk 2, kan dus niet worden verklaard door mogelijke kruisbescherming (door de hoge prevalentie van C. gallinacea). Na een doorgemaakte C. gallinacea infectie is de uitscheiding via de cloaca bij een nieuwe C. gallinacea infectie met een andere stam wel lager.
In de algemene discussie (hoofdstuk 6) wordt besproken in hoeverre de resultaten over het voorkomen van Chlamydia in leghennen ook vertaald kunnen worden naar vleeskuikens of andere pluimveesoorten. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag of C. gallinacea nu een ziekteverwekker is of niet en wat het niet aantonen van C. psittaci betekent voor zowel de dier- als volksgezondheid. De eindconclusie is dat Chlamydia infecties in kippen in Nederland op dit moment geen One Health probleem vormen. De huidige resultaten sluiten toekomstige introductie van de zoönotische C. psittaci in kippen echter niet uit. Daarvoor zou verder onderzoek nodig zijn. Ook is het interessant dat C. gallinacea in staat is om zich intracellulair te vermeerderen zonder dat dit tot zichtbare ziekte of ontsteking leidt. Dit geldt overigens voor meer Chlamydia infecties en vraagt om fundamenteel onderzoek naar de gastheer-pathogeen interacties om beter te begrijpen wat ziek en gezond is.
Bekijk ook deze proefschriften
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Optimizing Quality of Cancer Care Using Outcome Information
Smarter or More Inclusive? Inclusive Digital Transition in Smart Cities: Case studies in Chinese and European cities
The cardiovascular and immunological impact of immune suppression in kidney transplant recipients
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















