Publicatiedatum: 24 oktober 2022
Universiteit: Wageningen University
ISBN: 978-94-6447-347-6

Sustainability and resilience of European farming systems

Samenvatting

Een toenemende diversiteit aan stressfactoren en schokken treft de landbouw in Europa. Als gevolg daarvan komen de duurzaamheid en veerkracht van Europa’s diverse agrarische systemen in gevaar. De mogelijke aanwezigheid van economische, sociale of milieukundige kantelpunten zijn in het bijzonder reden tot zorg, omdat voorbij deze kantelpunten permanente en ongewenste systeemveranderingen plaats kunnen vinden.

De duurzaamheid van een systeem is in dit proefschrift gedefinieerd als een adequate prestatie van alle systeemfuncties in de milieukundige, economische en sociale domeinen. Duurzaamheid van agrarische systemen is uitgebreid bestudeerd, maar de bestaande raamwerken en methoden zijn niet ontworpen om veerkracht te bestuderen, wat veel meer gaat over de verschillende capaciteiten van een systeem om om te gaan met verstoringen. Bovendien zijn sociale aspecten in duurzaamheidsbeoordelingen in de landbouw vaak in geringe mate meegenomen ten opzichte van economische en milieukundige aspecten. Om duurzaamheid en veerkracht te beoordelen zijn participatieve en integrale beoordelingen van bijzonder belang omdat ze ontworpen zijn om ook met adaptatie-opties en actie-georiënteerde benaderingen te komen in samenspraak met relevante belanghebbenden.

Veerkracht kan worden gedefinieerd als de capaciteit van een systeem om verandering te weerstaan zonder dat de terugkoppelingsmechanismen en functionaliteit van het systeem veranderen, d.w.z. robuustheid, terwijl de mogelijkheid van alternatieve stabiele toestanden van het systeem ook wordt erkend. Het erkennen van mogelijke alternatieve stabiele toestanden heeft wetenschappers er toe gebracht om te stellen dat ecologische veerkracht, naast robuustheid, ook aanpassingsvermogen en het vermogen om structureel en functioneel te veranderen zou moeten omvatten. Veerkracht van agrarische systemen is bestudeerd op een conceptueel niveau en veerkracht indicatoren zijn geopperd. De toepassing op concrete agrarische systemen is echter in beperkte mate doorgevoerd. In het bijzonder kwantitatieve benaderingen ontbreken in de literatuur. Gebrek aan goede data zou hier een van de redenen voor kunnen zijn. Veel studies naar veerkracht in agrarische systemen zijn daardoor kwalitatief van aard, bijvoorbeeld door inschattingen te maken op basis van systeemkarakteristieken die zogenaamd veerkracht aan het systeem zouden moeten geven. De voorbeelden die er zijn waarin het veerkrachtconcept voor agrarische systemen is geoperationaliseerd volgen bovendien geen integraal raamwerk voor veerkracht dat toegepast is in veel verschillende agrarische systemen.

Het onderzoek dat gepresenteerd wordt in dit proefschrift was onderdeel van het EU Horizon 2020 project SURE-Farm om de duurzaamheid en veerkracht van Europese boerderijsystemen te bepalen. Binnen SURE-Farm werd een veerkrachtraamwerk ontwikkeld dat oog heeft voor het combineren van verschillende benaderingen, een lokale focus en het stimuleren van participatie van relevante (lokale) actoren. Het SURE-Farm veerkrachtraamwerk bestaat uit vijf stappen om de duurzaamheid en veerkracht van Europese boerderijsystemen te bepalen. Van Stap 1 tot 5 wordt specifieke veerkracht bepaald, d.w.z. veerkracht ten opzichte van een specifieke verstoring. Stap 1 tot 3 verhouden zich daarom tot de vragen “de veerkracht waarvan?”, “ten opzichte van wat?” en “met welk doel?”. Stap 4 gaat over de specifieke capaciteiten van veerkracht van het boerderijsysteem. Gebaseerd op de voorgenoemde stappen, systeemkarakteristieken kunnen worden geïdentificeerd die generieke veerkracht geven aan het systeem, ongeacht het type van verstoring (Stap 5).

Het doel van dit proefschrift is om het hierboven genoemde veerkracht raamwerk te operationaliseren met nieuwe en integrale methoden om de duurzaamheid en veerkracht van huidige en toekomstige Europese boerderijsystemen te kunnen bepalen. De volgende onderzoeksvragen staan centraal in dit proefschrift: 1) Is er een balans tussen sociale, economische en milieukundige functies van Europese boerderijsystemen? 2) Naderen Europese boerderijsystemen kritische drempelwaarden? 3) Welke capaciteiten van veerkracht hebben Europese boerderijsystemen, en welke zouden ze moeten hebben? 4) Welke strategieën verbeteren de duurzaamheid en veerkracht van Europese boerderijsystemen? De methoden die toegepast zijn in dit proefschrift volgen de vijf stappen van het veerkracht raamwerk zo goed als mogelijk. Vanuit een methodologisch perspectief operationaliseren de methoden het raamwerk door lokaal aangepaste indicatoren en verschillende bronnen en soorten van data te gebruiken.

Hoofdstuk 2 presenteert het Framework of “Participatory Impact Assessment for Sustainable and Resilient FARMing systems” (FoPIA-SURE-Farm I). FoPIA-SURE-Farm I onderzoekt huidige boerderijsystemen m.b.t. het functioneren, de dynamiek van belangrijke indicatoren, en de verschillende capaciteiten van veerkracht, d.w.z. robuustheid, adaptatievermogen en het vermogen tot transformatie. Drie gevalstudies met gespecialiseerde boerderijsystemen worden gebruikt als voorbeeld voor de gebruikte methodologie: de productie van zetmeelaardappelen in de Veenkoloniën, Nederland; zuivelproductie in Vlaanderen, België; en de productie van hazelnoten in Lazio, Italië. Hoofdstuk 3 presenteert de synthese van de toepassing van FoPIA-SURE-Farm I in 11 Europese boerderijsystemen. De resultaten van Hoofdstukken 2 & 3 overlappen. In de meeste boerderijsystemen worden functies relaterend aan voedselproductie, economische levensvatbaarheid en het onderhouden van natuurlijke hulpbronnen gezien als het meest belangrijk. De door de deelnemers waargenomen prestaties van systeemfuncties suggereert een middelmatige duurzaamheid van de bestudeerde boerderijsystemen. In het algemeen werd de veerkracht ingeschat als laag tot middelmatig, waar robuustheid en aanpassingsvermogen sterker ingeschat werden dan het vermogen om te transformeren. Dit geeft aan dat het vinden van wegen naar meer duurzaamheid een uitdagend proces is, want daar is immers aanpassingsvermogen en vermogen om te transformeren voor nodig. De karakteristieken van boerderijsystemen die zogezegd generieke veerkracht geven, de zogenaamde attributen van veerkracht, werden inderdaad waargenomen als positief voor de veerkracht. Winstgevendheid, een productie gekoppeld aan lokale en natuurlijke hulpbronnen, heterogeniteit van boerderijtypes, sociale zelforganisatie, en infrastructuur voor innovatie werden ingeschat als belangrijke attributen van veerkracht. Voor het vermogen tot transformatie werden met name winstgevendheid en toegang tot infrastructuur voor innovatie essentieel geacht. Strategieën die toegepast werden in het verleden waren er vooral op gericht om de winstgevendheid te vergroten en minder gericht op de andere belangrijke attributen van veerkracht. Om de duurzaamheid en veerkracht van Europese landbouwsystemen te vergroten zullen reacties op korte termijn processen beter rekening moeten houden met lange termijn processen. Technologische innovatie is nodig, maar het moet gepaard gaan met structurele, sociale, agro-ecologische en institutionele veranderingen. De relatieve belangrijkheid van sommige attributen van veerkracht verschilde tussen boerderijsystemen. Dit geeft aan dat de lokale context in het algemeen, en perspectieven van belanghebbenden in het bijzonder, belangrijk zijn voor het evalueren van generieke veerkracht en beleidsopties op basis van attributen van veerkracht. Alles bij elkaar opgeteld, lijkt FoPIA-SURE-Farm I een goed startpunt voor het creëren van bewustzijn, verder onderzoek en uiteindelijk het ontwikkelen van een gedeelde visie en actieplan voor het verbeteren van duurzaamheid en veerkracht van boerderijsystemen.

Hoofdstuk 4 heeft als doel de kwalitatieve resultaten over huidige duurzaamheid en veerkracht uit Hoofdstukken 2 & 3 aan te vullen met een kwantitatieve benadering. Een statistische methode voor meerjarige datareeksen was toegepast om boerderijprestaties te bestuderen m.b.t. voedselproductie, winstgevendheid en stikstofoverschot onder verschillende omstandigheden wat betreft weer, markt en boerderijstructuur. Een gevalstudie voor drie aardappel producerende regio’s werd gebruikt met data van 2006 t/m 2019. De prestaties van de statistische modellen waren hoogstens middelmatig. Modelresultaten waren gemakkelijk te beïnvloeden door de selectie van responsvariabelen. Het niveau en de graduele verandering van voedselproductie, economische prestaties en milieuprestaties werden voornamelijk beïnvloed door input-intensiteit. Hoe die beïnvloeding door intensiteit werkte, d.w.z. positief of negatief, verschilde per gevalstudie. Jaarlijkse variatie werd hoofdzakelijk bepaald door gemiddelde jaarlijkse weersomstandigheden en weersextremen. Er werd geen bewijs gevonden voor impactreductie van weersomstandigheden en weersextremen door boerderijstructuur. Alles bij elkaar genomen kan de conclusie getrokken worden dat de resultaten in dit hoofdstuk slechts bestaande kennis bevestigen op het niveau van de gevalstudies. In de context van veerkracht van boerderijen in combinatie met een relatieve kleine dataset lijkt de methode zich te beperken tot een vrij homogene boerderijpopulatie in een stabiele economische omgeving. Onderzoekers die de gebruikte methoden willen gebruiken in (akkerbouw) boerderijsystemen zullen goed moeten beseffen dat ze veel invloed kunnen hebben op de resultaten door de selectie van responsvariabelen.

Hoofdstuk 5 heeft als doel om paden naar meer duurzame en veerkrachtige boerderijsystemen te vinden, terwijl kritische drempelwaarden worden geïdentificeerd en ontweken. Voor dit doel werd een participatieve, integrale en indicator-gebaseerde methode gepresenteerd. Deze methode leidt onderzoekers en belanghebbenden in het boerderijsysteem in zes stappen naar een multidimensionaal begrip van duurzaamheid en veerkracht van toekomstige boerderijsystemen (FoPIA-SURE-Farm II). De methode wordt gepresenteerd aan de hand van een gevalstudie met extensieve schapenhouderij in Huesca, Spanje. Deelnemers in de participatieve workshop gaven aan dat hun boerderijsysteem heel dicht bij een neergang of zelfs ineenstorting staat. Het naderen en overschrijden van kritische drempelwaarden in het sociale, economische en milieu domein zorgt op dit moment voor een vicieuze cirkel met onder meer lage winstgevendheid, lage aantrekkingskracht van het boerderijsysteem en de verwaarlozing van weidegronden. Deelnemers stelden twee alternatieve, meer duurzame en veerkrachtige systemen voor: een semi-intensief systeem dat allereerst gericht is op het verhogen van de productie en een hightech extensief systeem dat allereerst gericht is op het aanbieden van publieke diensten. Beide alternatieven leggen een sterke nadruk op de rol van technologie, maar verschillen in hun benadering tot weidegang. Dit verschil wordt gereflecteerd in de verschillende strategieën die voorzien worden om de alternatieve systemen te bewerkstelligen. Alhoewel het hightech extensieve systeem het meest verenigbaar lijkt met een toekomstscenario waarin de productie van duurzaam voedsel erg belangrijk is, lijkt het semi-intensieve systeem minder risicovol omdat het, gemiddeld genomen, het meest verenigbaar is met meerdere andere toekomstscenario’s. Alles bij elkaar genomen, kan de gebruikte methode gezien worden als relatief snel, interactief en trans-disciplinair, die veel informatie aanlevert over kritische drempelwaarden, huidige systeemdynamieken en toekomstige mogelijkheden. Zo doende helpt de methode belanghebbenden om na te denken en te praten over de toekomst van hun systeem, en helpt zo in de voorbereiding naar meer duurzaamheid en veerkracht.

In hoofdstuk 6 wordt FoPIA-SURE-Farm II toegepast om de aanwezigheid van kritische drempelwaarden te bepalen in 11 Europese boerderijsystemen. Alle bestudeerde systemen bevinden zich, aldus deelnemers, dichtbij, op of over ten minste één geïdentificeerde kritische drempelwaarde, d.w.z. dat deze systemen (erg waarschijnlijk) kritische drempelwaarden gaan overschrijden binnen de komende 10 jaren. Deelnemers waren in het bijzonder bezorgd over economische levensvatbaarheid en niveaus van voedselproductie. Kritische drempelwaarden werden bovendien waargenomen als interacterend tussen systeemniveaus (veld, boerderij, boerderijsysteem) en domeinen (milieu, economisch, sociaal), waar lage economische levensvatbaarheid leidt tot een lagere aantrekkingskracht van het boerderijsysteem, en, voor sommige boerderijsystemen, een hoge moeilijkheidsgraad om natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit te onderhouden. In het algemeen werd een neergang in prestaties van alle systeemvariabelen verwacht door workshopdeelnemers in het geval kritische drempelwaarden zouden worden overschreden. Bijvoorbeeld een neergang in de aantrekkingskracht van een gebied en minder onderhoud aan natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit. Hoofdstuk 6 laat zien dat bezorgdheid over het overschrijden van kritische drempelwaarden terecht is en dat de drempelwaarden van systeemvariabelen onderzocht moeten worden op veld-, boerderij- en boerderijsysteem niveau en in het sociale, economische en milieu domein. Economische variabelen op boerderijniveau (bijvoorbeeld inkomen), lijken belangrijk om te detecteren of een systeem richting kritische waarden van sociale variabelen gaat op het niveau van het boerderijsysteem (bijvoorbeeld aantrekkingskracht van het gebied). Tegelijkertijd zijn er in meerdere gevalstudies indicaties dat het naderen van drempelwaarden van sociale variabelen (bijvoorbeeld beschikbaarheid van arbeid) een aanwijzing zijn voor het naderen van economische drempelwaarden (bijvoorbeeld bedrijfsinkomen). Op basis van de resultaten volgen enkele reflecties op het belang van het in het oog houden van hulpbronnen van het systeem, zoals kennisniveaus, bij het monitoren en evalueren van de duurzaamheid en veerkracht van Europese boerderijsystemen.

Hoofdstuk 7 geeft een synthese van het onderzoek dat weergegeven wordt in dit proefschrift. Gebaseerd op deze synthese worden aanbevelingen gedaan voor het verbeteren van duurzaamheid en veerkracht. Vervolgens worden het theoretische raamwerk en de methodes geëvalueerd die gebruikt zijn in dit proefschrift. Daarna volgt een discussie over de relevantie van het onderzoek. Op basis van de voorgaande discussies worden reflecties gegeven over het verbeteren van het monitoren en evalueren van duurzaamheid en veerkracht van boerderijsystemen in Europa. Ik concludeer dat de duurzaamheid en veerkracht van boerderijsystemen een uitdagend onderwerp blijft door de complexiteit in termen van detail (verschillende domeinen, veel concepten en variabelen) en dynamieken (non-lineariteit, drempelwaarden, interacties). Het onderzoek dat gepresenteerd wordt in dit proefschrift bevestigt het nut van het gebruikte veerkrachtraamwerk: de complexiteit rondom veerkracht is gereduceerd middels een stapsgewijze benadering aangepast aan boerderijsystemen. De participatieve benaderingen in dit proefschrift droegen vooral bij aan het beschrijven en uitleggen van duurzaamheid en veerkracht van huidige boerderijsystemen. De resultaten van deze methoden vormen daardoor een goede basis voor het exploreren van toekomstige boerderijsystemen. De kwantitatieve benadering (gepresenteerd in Hoofdstuk 4) bevestigde de impact van weersextremen op economische en milieukundige boerderijprestaties, maar was beperkt wat betreft het verstrekken van inzicht in veerkracht. De kwantitatieve benadering liet ook zien hoe onderzoekers invloed kunnen hebben op de resultaten door de selectie van responsvariabelen. Gebaseerd op resultaten en reflecties in dit proefschrift zie ik ruimte voor verbetering wat betreft het begrijpen en bepalen van duurzaamheid en veerkracht door meer gebruik te maken van systeemdenken en het gebruik van participatieve integrale assessments.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten