Deel dit project
Degeneration of Sweetpotato Seed in Tanzania
Samenvatting
Het eerste hoofdstuk van dit proefschrift is een algemene introductie over het verlies van kwaliteit (vooral gezondheid) van uitgangsmateriaal na meerdere vermeerderingen, de teelt van zoete aardappel in Tanzania en de uitdagingen die door de virussen van deze teelt worden veroorzaakt. Hoofdstukken 2 tot en met 5 beschrijven het onderzoek aan de hand van de volgende vragen:
a) Hoe snel gaat gezond en op virus getest uitgangsmateriaal van zoete aardappel achteruit in de loop van achtereenvolgende teeltseizoenen onder verschillende teeltomstandigheden? (Hoofdstuk 2)
b) Kunnen insecten-vrije gaaskooien bijdragen aan het terugdringen van her-infecties van gezond, virus-vrij plant materiaal? (Hoofdstuk 3)
c) Hoe beïnvloedt de teelt van een hergroeigewas (in het Engels: ratooning) de productie van stekken in insectenvrije gaastunnels? (Hoofdstuk 4)
d) Welke ervaringen hebben de boeren met kwaliteitsverlies van uitgangsmateriaal en welke acties ondernemen ze hiertegen, inclusief het verkrijgen van nieuw uitgangsmateriaal? (Hoofdstuk 5)
Hoofdstuk 2 is gebaseerd op experimenten die gedurende vijf teeltseizoenen in gebieden met hoge en lage virusdruk werden uitgevoerd. In deze experimenten werd kwaliteitsverlies van gezond, virusvrij uitgangsmateriaal vergeleken met dat van uitgangsmateriaal afkomstig van de boeren zelf. Gebruik van gezond, virusvrij uitgangsmateriaal remt de achteruitgang, met name bij vatbare cultivars in een omgeving met hoge virusdruk; daarentegen blijft boerenmateriaal van resistente cultivars stabiel in opbrengst. Dit hoofdstuk laat zien dat het inzetten van resistente cultivars en het rekening houden met teeltomstandigheden belangrijk zijn bij het promoten van het gebruik van gezond, virusvrij uitgangsmateriaal.
Hoofdstuk 3 beschrijft de effectiviteit van insectenvrije gaastunnels in het tegengaan van kwaliteitsverlies van uitgangsmateriaal. Gedurende 21 maanden werd uitgangsmateriaal geteeld in gaastunnels of geteeld in de volle grond vergeleken met betrekking tot de ontwikkeling van virusinfecties. Daarnaast werd het SeedHealth model (https://tools4seedsystems.org/) gebruikt in een scenarioanalyse om de te verwachten opbrengstdervingen te modelleren over een periode van 10 groeiseizoenen onder hoge virusdruk. Dit hoofdstuk laat zien dat insectenvrije gaastunnels gedurende 20 maanden virusinfecties kunnen tegenhouden. Het SeedHealth model liet zien dat planten afkomstig uit de gaastunnels na 10 generaties nog 60% van hun verwachte opbrengst zouden halen, terwijl de planten in de volle grond dat al niet meer halen na slechts vier generaties. Deze resultaten vormen de basis voor de aanbeveling gaastunnels toe te passen in gebieden met hoge virusdruk om snelle infectie van gezond uitgangsmateriaal te voorkomen. Zulke gaastunnels zouden vooral ingezet kunnen worden door boeren die op middelgrote tot grote schaal uitgangsmateriaal produceren.
Na de succesvolle demonstratie dat gaastunnels virusinfecties in gezond uitgangsmateriaal kunnen terugdringen was het nodig om na te gaan hoe boeren het beste hun uitgangsmateriaal kunnen vermeerderen om niet-virus-gerelateerde opbrengstverliezen te vermijden. Daartoe is onder meer onderzocht wat het effect is van het telen als hergroeigewas op de productie van uitgangsmateriaal. Hoofdstuk 4 beschrijft de resultaten van een experiment waarin gedurende 14 maanden de teelt van een hergroeigewas werd vergeleken met het herplanten van stekken. Hieruit blijkt duidelijk dat met een hergroeigewas de opbrengst aan uitgangsmateriaal kan worden verhoogd maar dat dit ook gepaard gaat met meer virusinfecties bij teelten in de volle grond. Het telen van een hergroeigewas wordt aanbevolen voor de productie van uitgangsmateriaal in gaastunnels en schermkassen. Wanneer het toegepast wordt in de volle grond dan zijn aanvullende virusbeperkende maatregelen noodzakelijk.
Om te begrijpen hoe boeren kwaliteitsverlies begrijpen en ermee omgaan is een ‘kleine N’ enquête gehouden onder 37 boeren (20 vrouwen en 17 mannen). De resultaten hiervan, beschreven in Hoofdstuk 5, laten zien dat vrouwen vaker kwaliteitsverlies zien dan mannen. Zij die kwaliteitsverlies ervoeren, beschreven het vooral als minder en kleinere wortels. Dit is een duidelijk aanwijzing voor lagere opbrengsten. Dit hoofdstuk laat ook zien dat als belangrijkste reactie hierop men op zoek ging naar een nieuw ras in plaats van gezond uitgangsmateriaal van het bestaand ras. Dit toont aan dat het nodig is om de boeren erop te wijzen dat hun gedegenereerde rassen virusvrij gemaakt kunnen worden en toch geteeld kunnen worden, zeker als ze gewild zijn door de markt. Hoofdstuk 5 laat ook zien dat uitgangsmateriaal van zoete aardappel uitgewisseld wordt binnen nauw verbonden netwerken (vrienden, buren en familie) en dat hergebruik van uitgangsmateriaal binnen de eigen boerderij nog steeds het belangrijkst is.
Hoofdstuk 6 plaatst de resultaten van Hoofdstukken 2 tot en met 5 in een bredere context. Het legt ook verbanden met kwaliteitsverlies van uitgangsmateriaal in andere wortel-, knol- en banaangewassen. Dit hoofdstuk concludeert ook dat het van belang is om meer informatie over de ervaringen van boeren met kwaliteitsverlies te verkrijgen. Zulke informatie kan, in combinatie met resultaten van biofysische experimenten, leiden tot betere gewas management strategieën.
De resultaten beschreven in dit proefschrift laten zien dat het gebruik van virusvrij materiaal kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van uitgangsmateriaal over meerdere generaties. Het is echter belangrijk te beseffen dat meerdere factoren hierbij van belang zijn, zoals bijvoorbeeld hoe boeren aan hun uitgangsmateriaal komen en welke risico’s er zijn op nieuwe virusinfecties.
Het in kaart brengen van de netwerken waarlangs uitgangsmateriaal wordt uitgewisseld kan belangrijke informatie geven over deze netwerken, duidelijk maken welke waarden ze in zich dragen en hoe ze gebruikt kunnen worden om virusvrij uitgangsmateriaal te verspreiden. Het kan ook helpen te begrijpen hoe verschillende soorten boeren toegang hebben tot uitgangsmateriaal van verschillende herkomst.
Farmers packing sweetpotato seed on lesos/kangas for transportation to their farms. Geita district, Tanzania. Credit: K. Ogero.
Bekijk ook deze proefschriften
Managing water excess and deficit in agriculture
Dear Diary: Advances in Experience Sampling Methodology Studies
The impact of a negative energy balance on porcine phenotypic and granulosa cell molecular responses
Political embeddedness and corporate strategies in China
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















