Publicatiedatum: 3 maart 2026

Samenvatting

Dit boek onderzoekt en werkt sociale complexiteit, die gekenmerkt wordt door emergentie, uit. Emergentie is een kernkwaliteit van complexiteit. Emergentie is zowel in de praktijk als theoretisch moeilijk te begrijpen. Het ‘begrijpen’ van emergentie stelt de onderzoeker voor een fundamentele epistemologische paradox. Begrijpen impliceert normaal gesproken één grijpbare waarheid of definitie dan wel een oplossing, terwijl ‘emergentie’ radicale diversiteit impliceert. Dat wil zeggen iets dat zich openbaart dat niet verklaarbaar is uit de vorige toestand, en derhalve niet lineair voorspelbaar is. Emergentie refereert aan radicale nieuwheid. Ik denk dat deze problemen de inspanningen ondermijnen om organisatie en/of organiseren te begrijpen als uiteindelijk altijd emergent. Hieruit volgt mijn eerste veronderstelling: organisatie en/of organiseren is emergent; organisatorische studies zijn de studie van emergentie.

Organisatiestudies bestuderen emergentie grotendeels oppervlakkig. In de heersende stroming van organisatiestudies wordt emergentie genegeerd dan wel ontkend, kortom maken organisatiestudies er een warboel van - d.w.z. het toepassen van een inadequate en onjuiste epistemologie overschaduwt het (onderzoek)veld en dit leidt tot onnauwkeurig, onvolledig en inadequaat denkwerk over organisatie en/of organiseren. Hoogstens richt het dominante organisatiediscours zich op ingewikkeldheid, dat emergentie probeert te domesticeren - d.w.z. dat het dominante organisatiediscours van emergentie een voorspelbare entiteit tracht te maken, wat een innerlijke tegenspraak is. Hiermee wordt een andere paradox geïntroduceerd: de meeste reguliere management(hand)boeken beginnen en eindigen met de observatie dat de wereld die ze proberen te beschrijven complex is. Managers, bestuurders, politici, wetenschappers en beleidsmakers beweren herhaaldelijk dat het probleem waar ze voor gesteld staan complex is, en handelen vervolgens alsof het een ingewikkeld probleem is. Het verschil tussen complexiteit en ingewikkeldheid is relevant. Emergentie respecteert ambiguïteit, onzekerheid, onbepaaldheid, wanorde, paradox, historisch proces en doorgaande contextualisering; ingewikkeldheid (simpliciteit) ontkent deze kwaliteiten grotendeels. Het boek is gestructureerd rondom het complexiteitsgebouw van Edgar Morin en voegt daar een nieuwe, voorlopige, vierde verdieping aan toe (zie figuur). Het centrale thema in dit gebouw is emergentie.

Het vertrekpunt van mijn onderzoek, om mijn begrip van sociale complexiteitstheorie verder te ontwikkelen, was een tweetal bronnen, de denktradities waaruit deze voortkomt, d.w.z. de theoretische concepten van de Franse denker en onderzoeker Edgar Morin. Ik wilde zien wat organisatiestudies eruit zouden zien (her-)geïnterpreteerd vanuit Morin's positie en perspectief? Daarnaast onderzoek ik hoe de sociale complexiteitsconcepten uit het onderzoek (het dialogisch vierkant) van Letiche & Lissack behulpzaam kunnen zijn in mijn praktijk als organisatieonderzoeker-adviseur, door deze in dialoog te brengen met de theoretische concepten van Morin. Het werk van Edgar Morin, zijn zesdelige ‘La Méthode’ (1977-2004), is meer epistemologisch van aard dan toegepast; terwijl de conceptualisatie van sociale complexiteit door Letiche & Lissack meer toegepast dan epistemologisch van aard is. Vandaar mijn streven om Morin en Letiche & Lissack in dialoog te brengen. Mijn leidende onderzoeksvraag luidt als volgt: “Biedt het dialogische vierkant voldoende en geschikte toepassingen voor het erkennen van emergentie (zoals begrepen in de sociale complexiteitstheorie door Morin en Letiche & Lissack) in organisatie en/of organiseren?”

Aan het einde van dit boek kan de lezer begrijpen hoe Letiche & Lissack de concepten van Morin geradicaliseerd hebben, en waarom sociale complexiteitstheorie --- van Morin tot Letiche & Lissack --- cruciaal is voor organisatiestudies en de praktijk. Ik heb deze stellingname enerzijds theoretisch onderbouwd, en anderzijds in de praktijk getoetst via twee cases. Ik beschouw Morin’s theoretisch concepten als een analyse die gebruik maakt van een drievoudige logica gevat in trilemmas, en de conceptualisatie van Letiche & Lissack als een analyse die geschraagd wordt door de viervoudige logica van het door hen ontwikkelde dialogische vierkant. Terwijl Morin de aandacht vestigt op de meest cruciale kwaliteit van de complexiteit, namelijk emergentie, ben ik van mening dat het dialogische vierkant radicaler en vollediger de weg vrijmaakt voor een erkenning van emergentie in de praktijk.

Letiche & Lissack hebben een vervolgstap gezet in de door Morin aangegeven richting, zogezegd als een vierde niveau naast het derde niveau (boven het eerste niveau van positivisme en het tweede niveau van het interpretatieve discours), die Morin heeft toegevoegd aan complexiteitsonderzoek. Dit boek is een theoretisch onderzoek van (sociale) complexiteitsideeën en toepassingen, dat enerzijds terugkeert naar de theoretische oorsprong van complexiteitstheorie en anderzijds een stap vooruit zet naar de benodigde toepassing. Kortom, het boek plaatst de complexiteitsdialoog tussen Morin en Letiche & Lissack tegenover het wereldbeeld van simpliciteit dat onzekerheid, onbepaaldheid, ambiguïteit en paradox, kortom de fundamentele complexiteit van het alledaagse (van organiseren en/of organiseren) ontkent. Complexiteit wordt gekenmerkt door emergentie en wordt beschouwd als de meest fundamentele en onvermijdelijke uitdaging van management(studies).

Morin’s complexiteitsgebouw is een ‘hitchhiker’s guide’ voor verschillende theoretische concepten die zijn ontwikkeld in de context van het denken over complexiteit (zie figuur). De begane grond bestaat uit het mechanistische wereldbeeld van het Taylorisme, gecomplexificeerd door eerste orde systeemtheorie (zie figuur). Het concept van feedback loops breekt de gesloten orde van de begane grond open door een tweevoudige logica of ‘of-of’ introductie. Een vereenvoudiging die we waarnemen in het centrale concept van het simpliciteit paradigma, dat het dominante management discours schraagt: de 2 x 2 Matrix. De 2 x 2 Matrix bestaat uit twee dilemma’s waarop de analyse in vier kwadranten wordt opgedeeld. Er is in deze opzet alleen ruimte voor twee tegengestelde factoren en/of ideeën.

Beperkte contextualisatie via oppositie laat alleen dualisme toe. Dit betekent dat de context niet emergent is maar van tevoren wordt vastgesteld, hetgeen leidt tot de blindheid van herhaling en eenvormigheid in de analyse die daaruit voortkomt. Stacey’s vicieuze cirkel van het dominante management discours schraagt dit op elegante wijze. Kortom, eerste orde systeemtheorie ontkent grotendeels emergentie. De black box is gevuld met verschillende standaard managementconcepten die voornamelijk baseren op de tweevoudige logica van het dualisme. Recepten die niet in staat zijn om met complexiteit om te gaan, simpelweg omdat ze geworteld zijn in het concept van geattribueerde coherentie (labels) omschreven in een invoer- en uitvoersignaal, die met elkaar verbonden zijn door externe audits door middel van feedback.

De waarnemer (b.v. de manager) is netjes gescheiden van het waargenomen object, en houdt staande dat emergentie kan worden gecontroleerd. Op de tweede verdieping rijst de vraag: wat speelt zich af in de zwarte doos? Deze vraag initieert de complexificerende beweging naar tweede orde systeemtheorie die prioriteit geeft aan het organiserende concept van zelforganisatie. Emergentie wordt aan tafel uitgenodigd. Ik zal kort stilstaan bij dit concept. Het is een oude traditie in de managementwetenschappen om concepten uit de natuurwetenschappen over te nemen. Zelforganisatie is daar een voorbeeld van. Het concept van zelforganisatie is gebaseerd op niet-lineaire deterministische modellering. Het vertaalprobleem wordt mede veroorzaakt door de metaforische aard van zelforganisatie (vlindereffect) en aggregatieniveauverschillen tussen zelf en organisatie, die worden genegeerd. Wat zou kunnen werken in de experimentele context van de computersimulatie (het laboratorium), kan niet, zonder problemen, worden vertaald naar de echte wereld. Zelforganisatie wordt vervolgens gepresenteerd als een tweevoudige logica over Zelf en Organisatie. In deze logica kan zelforganisatie worden opgevat als zelfgenererend en onafhankelijk van het zelf. Zelforganisatie mist dan reflexiviteit en bewustzijn - d.w.z. zelforganisatie wordt primair bepaald door het proces van de organisatie, oftewel het zelf dat georganiseerd wordt door de organisatie. Morin en Letiche & Lissack stellen dat zelf en organisatie op verschillende aggregatieniveaus begrepen moeten worden.

In Morin’s zelf-eco-[re-]organisatieconcept wordt een drievoudige logica geïntroduceerd, waarbij het dualisme van zelforganisatie wordt gecomplexificeerd. Deze denkbeweging bevrijdt het zelforganiserende concept van zijn dualistische basis, waardoor ruimte wordt gemaakt voor reflexiviteit, krachtige contextualisatie en bewustzijn. Letiche & Lissack complexificeren het trilemma Zelf-Eco-Organisatie van Morin door processen, tussen deze drie factoren, te koppelen aan een vierde factor: emergentie. Zowel Morin als Letiche & Lissack relateren verschillende factoren (zelf, organisatie, omgeving) aan dialogische, emergente relaties die complementair, tegenstrijdig en tegengesteld zijn. De overgang naar de derde en vierde verdieping van het complexiteitsgebouw van Morin wordt mogelijk gemaakt door het genereren van complexiteitsprincipes die een beter bewustzijn (kunnen) creëren van emergente processen.

Edgar Morin volgt een drievoudige logica (trilemma) waarin hij complexiteitstheorie bespreekt. In zijn zesdelige studie (La Méthode) ontwikkelt hij een nieuw vocabulaire en concepten over complexiteit. Een wetenschappelijk wereldbeeld dat zich verzet tegen het dominante paradigma van simpliciteit. Het simpliciteit paradigma stelt zich ten doel om complexe werkelijkheden tot één beginsel van orde te reduceren, dat alleen ruimte biedt aan de ‘of-of’ aard van de werkelijkheid die wordt gerepresenteerd als een dichotomie (these versus antithese). In dit paradigma wordt een scheiding tussen subject en object, een scheiding tussen micro en macro, een scheiding tussen theorie en praktijk, en tussen laboratoriumexperiment en de echte wereld aangebracht. Simpliciteit wordt gekenmerkt door een voorkeur voor waarschijnlijkheden versus mogelijkheden en een voorkeur voor objectiviteit en universaliteit. Simpliciteit maakt een dwingende scheiding tussen dat wat verbonden is (reductionisme) en verbindt dwangmatig diversiteit (holisme). Complexiteit kan volgens Morin worden gekenmerkt door drie onderliggende principes.

Ten eerste, een dialogisch principe: orde en wanorde, zelf en omgeving ontkennen elkaar deels, maar ze werken ook samen om organisatie en complexiteit te produceren. Het tweede complexiteitsprincipe omvat het principe van (organiserende) recursiviteit: een proces waarbij de producten en effecten tegelijkertijd de oorzaken en producenten zijn van wat ze produceren. De samenleving wordt geproduceerd door interacties tussen individuen, maar de samenleving koppelt, wanneer ze eenmaal is geproduceerd, terug op de individuen en produceert hen. Morin doorbreekt zodoende het principe van lineaire causaliteit dat simpliciteit kenmerkt. Het derde principe is een holografisch principe. De delen zijn onderdeel van het geheel en het geheel zit in het deel, maar ze zijn onherleidbaar tot elkaar: de delen geven geen volledige verklaring van het geheel, noch dat het geheel een volledige verklaring geeft van de delen. Simpliciteit kijkt alleen naar delen, geïsoleerd van hun context (reductionisme), terwijl holisme alleen naar het geheel kijkt, zonder aandacht te schenken aan de delen. Het principe van de holografische structuur is gekoppeld aan het principe van recursieve causaliteit, dat weer gekoppeld is aan het dialogische principe van interactie tussen orde en wanorde.

De viervoudige logica van Letiche & Lissack, die in het semiotische/dialogische vierkant van Zelf en Wereld is geconceptualiseerd, tracht emergente processen bloot te leggen. Het dialogische vierkant van Zelf en Wereld biedt een gids voor een actieve dialoog die het geleefde of ervaren narratief, van de deelnemers aan die dialoog, respecteert – d.w.z. door spreektaal (parole) op de voorgrond te plaatsen. Het dialogische vierkant van Zelf-Groep-Omgeving-Emergentie voegt een vierde factor toe aan de trilemmas van Morin, waardoor deze trilemmas verder gecomplexificeerd worden. Ik concentreer me in dit boek op twee belangrijke complexiteitsconcepten van Letiche & Lissack die betrekking hebben op emergentie: coherentie en het dialogische vierkant van Zelf en Wereld als een onderzoekraamwerk dat ons begrip van emergentie probeert te vergroten.

Het dialogische vierkant van Zelf en Wereld is een gids, waarin vier factoren (labels) in relatie met elkaar worden gebracht, afhankelijk van de bestudeerde kwestie. Deze factoren worden in dialoog gebracht via drie verschillende complexe relaties: complementair, tegenstrijdig en tegengesteld. Het dialogische vierkant probeert betekenis te geven aan emergente, situationele gebeurtenissen. Met behulp van het dialogische vierkant kunnen we complexe narratieven creëren over de spelende kwestie.

Ik heb vier, onderling samenhangende, procescondities gedistilleerd uit mijn onderzoek voor het omgaan met complexe vraagstukken: 1. Dialogische Interactie (het onderstrepen van het belang van het narratieve en verhalende karakter van de complexe relaties tussen zelf, groep, omgeving en emergentie); 2. Recursieve Causaliteit (momenten van antagonisme en paradox bieden ruimte aan nieuwheid in organisatie en/of organiseren, waardoor bewustzijn van aangrenzende mogelijkheden wordt gecreëerd); 3. Holografische Structuur (verschil in aggregatieniveau biedt ruimte aan emergente coherentie in organisatie en/of organiseren) en 4. Ecologie van Actie (dit principe refereert aan de complexe relaties tussen intenties en handelen).

Emergentie is onherleidbaar tot ingewikkeldheid; emergentie gaat over verwantschap en de verhalen die verteld worden over die verbondenheid. Emergentie kent geen eindstaat, er is geen oplossing voor emergentie, maar de analyse van emergente processen kan aangrenzende mogelijkheden voor handelen bieden om het handelen op te baseren. Bij het onderzoeken van organisatie en/of organiseren, kunnen deze leidende principes een samenhangend kader bieden dat nuttig kan zijn om bewustzijn te creëren voor emergente processen.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten