Deel dit project
Networks and Flows of Conservation Finance
Samenvatting
Er worden meer plant- en diersoorten met uitsterven bedreigd dan ooit in de menselijke geschiedenis. Het recente Global Assessment Report van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES, 2019) toont aan dat deze trend zich zal doorzetten tot in 2050 en daarna, tenzij er een transformatie plaatsvindt. Tegelijkertijd is er steeds meer maatschappelijke en politieke aandacht voor het verlies aan biodiversiteit. Na de 2011-2020 United Nations Decade on Biodiversity gaat nu ook het post-2020 Global Biodiversity Framework van start. Tijdens de forums van de UN Convention on Biological Diversity (CBD) wordt al sinds de oprichting in 1992 gepleit voor grote financiële inspanningen om het uitsterven van plant- en diersoorten tegen te gaan.
De afgelopen decennia werden gekenmerkt door een paradox. Tegen de achtergrond van de algemene daling en ontoereikendheid van de financiële middelen voor natuurbehoud, zijn sinds de jaren 90 de begrotingen van de vijf grootste natuurbeschermingsorganisaties aanzienlijk gegroeid. Samen beheren ze tot meer dan 50% van de wereldwijd beschikbare financiering voor natuurbehoud. Er zijn verschillende pogingen ondernomen om de 'financieringskloof' tussen wereldwijd beschikbare en noodzakelijke fondsen in te schatten en te dichten door middel van innovatieve financiële mechanismen. Dit heeft geleid tot intensieve maatschappelijke en wetenschappelijke debatten tussen pleitbezorgers van efficiëntie met een instrumentele kijk op natuurbeschermingsorganisaties en meer kritische beschouwers die deze organisaties zien als een integraal onderdeel van een ‘conservationist mode of production’, die natuur en biodiversiteit met kapitalisme verweven. Dit proefschrift draagt op een alternatieve manier bij aan deze debatten door de financiering van natuurbehoud te onderzoeken met behulp van Manuel Castells’ theorie over de netwerksamenleving. Daarbij richt ik me op het World Wide Fund for Nature (WWF), met haar Nederlandse tak Wereldnatuurfonds, om te laten zien hoe grote natuurbeschermingsorganisaties hun financiering behouden en uitbreiden. De centrale onderzoeksvraag is dan ook: Hoe weet WWF, als een voorbeeld van grote natuurbeschermingsorganisaties, haar financiering te behouden en uit te breiden ten behoeve van het behoud van de mondiale biodiversiteit? Deze vraag zal worden beantwoord door gebruik te maken van verschillende onderzoeksmethoden.
Nu we het einde van dit UN Decade on Biodiversity naderen, is er grote behoefte om de balans op te maken, zodat we inspiratie kunnen opdoen voor de toekomst van natuurbehoud. Het tweede hoofdstuk draagt hieraan bij en behandelt de eerste subvraag van het onderzoek: welke belangrijke thema's op het gebied van financiering van het behoud van biodiversiteit zijn behandeld in wetenschappelijke literatuur die sinds 2010 is gepubliceerd? De resultaten laten zien dat in de wetenschappelijke literatuur steeds drie dominante thema’s terugkomen: onder-financiering, de verdeling van financiering en innovatieve financieringsmechanismen. Deze thema's zijn met elkaar verbonden, aangezien niet alleen ontoereikende financiering een probleem is, maar ook de verdeling daarvan. Beschikbare financiële middelen komen vaak niet terecht waar ze het hardst nodig zijn. Dominante economische, politieke en sociale actoren en netwerken spelen een cruciale rol bij het aansturen van financiële stromen. De resultaten van mijn literatuurstudie bepaalden ook mede de keuze om in dit proefschrift de financiering van grote natuurorganisaties op een nieuwe manier te bestuderen: het analyseren van de complexe sociale en politieke netwerken die bepalen hoe en waar het geld terechtkomt. Om een antwoord te vinden op subvragen 2 en 3 van mijn onderzoek heb ik daarom gebruik gemaakt van twee centrale concepten in Manuel Castells’ netwerktheorie: ‘programming’ (programmeren) en ‘switching’ (schakelen).
Hoofdstuk 3 richt zich op overheidsfinanciering. De publieke sector is een belangrijke financieringsbron voor natuurbeschermingsorganisaties. Overheidsfinanciering maakt ongeveer een vijfde van het inkomen uit van WWF. De deelvraag die in dit hoofdstuk wordt behandeld is: Hoe maakt het WWF gebruik van netwerken om de financiering door publieke bronnen te behouden en uit te breiden? Mijn onderzoek toont aan dat in relatie tot de publieke sector, WWF zich ontwikkeld heeft van een organisatie met een naar binnen gerichte focus op het vergroten van de eigen inkomsten, naar een organisatie met de ambitieuze doelstelling alle financiering van biodiversiteitsbehoud te vergroten door het beïnvloeden van het overheidsbeleid, ook op ander beleidsterreinen dan alleen natuurbehoud. Zo heeft WWF getracht haar financiering te vergroten door verbindingen te leggen (via ‘environmental mainstreaming’) met beleid op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, klimaatverandering en veiligheid, en zich meer dan voorheen te richten op landen met opkomende economieën. Sommige van WWF's programmakantoren in economische sterk ontwikkelende landen werden daardoor belangrijker in WWF’s netwerk. Maar WWF werd zelf ook weer beïnvloed door overheden, en genoodzaakt zichzelf opnieuw te programmeren en aan zich aan externe ontwikkelingen aan te passen. Bijvoorbeeld aan de vermindering van financiering uit fondsen voor ontwikkelingssamenwerking, aanpassingen aan de Paris Declaration on Aid Efficiency (herzien in Accra 2008), de veranderende rol van opkomende economieën (Brazilië, China, Rusland, India), de overgang van de Millenniumdoelen naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDGs) en de druk van enkele van haar financieringspartners.
Mijn resultaten tonen ook aan dat WWF zich in toenemende mate bediende van een zakelijk discours en zich ook het ontwikkelings/SDG-jargon eigen maakte. Bovendien probeerde WWF vrienden te worden met voormalige 'vijanden', vooral uit het bedrijfsleven, en vormde het interne fora om projecten op te zetten en kansen te creëren voor samenwerking met bedrijven. Deze nauwe betrokkenheid met de private sector viel opmerkelijk genoeg samen met de groei van de financiering door de publieke sector, met gemiddeld 7,5% per jaar. Dit suggereert dat het aannemen van een zakelijk discours nodig was om de overheidsfinanciering te vergroten. Hiervoor moest WWF zich in de ‘juiste netwerken’ bevinden, de ‘juiste taal’ spreken en verbinding maken met ‘relevante financieringsstromen’. Mijn conclusie is dan ook dat grote natuurbeschermingsorganisaties flexibel moeten zijn in hun netwerkinspanningen, zodat ze niet alleen zelf ‘switchers’ zijn, maar wanneer dat nodig is ook plooibaar zijn om ‘ingeschakeld’ te worden door anderen.
Hoofdstuk 4 gaat over financiering door de private sector. De onderzoeksvraag die hier aan de orde komt is: Wat is de omvang van de financiering door de private sector en hoe onderhoudt en vergroot het WWF deze financiering? Natuurbeschermingsorganisaties hebben, onder leiding van WWF, in de afgelopen decennia aangegeven meer prioriteit te willen geven aan financiering door bedrijven. Er zijn echter weinig tot geen studies die precies kunnen aangeven wat het aandeel is van de private sector in de financiering van natuurbeschermingsorganisaties. Bestaande studies tonen aan dat fondsen afkomstig uit de ‘markt’ vrij beperkt, overwegend ad hoc en meestal filantropisch zijn. Deze studies beperken hun analyse bovendien tot op de markt gebaseerde financiering als een op zichzelf staande categorie. Het belangrijkste argument in dit vierde hoofdstuk is dat deze op de markt gebaseerde benaderingen niet van andere financiële netwerken en stromen kunnen en moeten worden gescheiden. Ik heb daarom financiering door bedrijven binnen de bredere context van financiering uit andere publieke en private bronnen geplaatst om de relatieve bijdrage aan te tonen. Ik vond dat in de periode 2007-2017 de inkomsten uit het bedrijfsleven voor WWF gemiddeld 11% per jaar bedroegen. Ter vergelijking: het inkomen uit de publieke sector droeg in dezelfde periode gemiddeld 19% per jaar bij. De combinatie van inkomsten uit alle private bronnen, inclusief het bedrijfsleven, droeg gemiddeld 81% per jaar bij aan het totale budget van WWF. Individuen leverden de hoogste bijdragen aan WWF (gemiddeld 60% per jaar). WWF had tussen 2008 en 2018 ongeveer 2500 actieve zakelijke activiteiten, maar slechts 24% hiervan waren filantropisch van aard. In deze periode stegen de inkomsten van WWF uit het bedrijfsleven met ongeveer € 20 miljoen. In absolute termen waren de donaties uit het bedrijfsleven het hoogst in Europa, maar groeiden deze donaties tussen 2012-2015 het snelst in Latijns-Amerika/het Caribisch gebied.
Ten tijde van dit onderzoek hebben de experimenten van WWF met 'vermarktbare' projecten dus nog geen substantiële financiële baten opgeleverd. Projecten zijn vaak te klein en NGO's ondervinden problemen met het vinden van investeerders in de risicovolle opstartfase. Ze hebben ook vaak geen aantoonbare ervaring en onvoldoende financiële expertise. Deze uitdagingen worden nog versterkt doordat WWF als een non-profit organisatie juridisch gezien geen ‘for-profit’ bijdragen kan ontvangen, er strenge organisatorische richtlijnen zijn met betrekking tot omgang met bedrijven, en er interne uiteenlopende ethische opvattingen zijn over samenwerking met marktpartijen. De drie belangrijkste activiteiten van WWF die gericht zijn op financiering uit het bedrijfsleven zijn impactbeleggingen, het vergroten van private financiering door het te koppelen aan publieke financiering en het zogenaamde Project Finance for Permanence (PFP).
In het vierde hoofdstuk richt ik me ook op deze laatste activiteit door een succesvol PFP-project, ARPA (The Amazon Region Protected Areas), te analyseren. Door middel van strategische programmering en het koppelen van een aantal financieringsbronnen heeft ARPA 215 miljoen US dollar aan gemengde financiering aangetrokken om 15% van het Braziliaanse Amazonegebied gedurende 25 jaar te beschermen. ARPA illustreert hoe netwerkvorming kan leiden tot meer private en publieke financiering en daarmee tot natuurbehoud op lange termijn. Op basis van deze casestudy concludeer ik dan ook dat de toekomst van innovatieve financiering voor natuurbehoud grotendeels afhangt van de behendigheid waarmee natuurbeschermingsorganisaties financiële stromen van cruciale publieke en private sectornetwerken aan elkaar kunnen knopen.
Op basis van deze bevindingen stel ik voor om innovaties op het gebied van financiering de beproefde betrouwbaarheid van donorfinanciering door particulieren te combineren met andere publieke en private financieringsbronnen om hiermee tegemoet te komen aan de uitdagingen van de onder-financiering alsmede de ongelijke verdeling van financiering voor natuurbehoud.
Dit proefschrift sluit af met hoofdstuk 5. Dit hoofdstuk koppelt de belangrijkste resultaten van dit proefschrift aan lopende maatschappelijke en wetenschappelijke debatten. Een eerste punt van discussie gaat over de performativiteit van het discours van onder-financiering. Ik beargumenteer dat dit discours twee tegengestelde en tegenstrijdige effecten heeft opgeleverd. Aan de ene kant heeft het geleid tot een steeds grotere inschatting van het 'financieringstekort'. Tegelijkertijd heeft dit discours bijgedragen aan een enorme toename van de financiering van de grootste natuurbeschermingsorganisaties. De tweede discussie richt zich op de depolitisering en de tunnelvisie-effecten van de op de markt gebaseerde benaderingen. Door deze tunnelvisie wordt onvoldoende het (ook toekomstige) belang onderkend van belangrijke multipliereffecten van publieke financiering en het feit dat private personen aanzienlijk bijdragen aan de financiering van WWF. De derde discussie richt zich op de rol van de overheid ten aanzien van marktgerichte benaderingen, en verzet zich tegen het idee van ‘governance without government' in natuurbehoud. In plaats daarvan resulteert dit proefschrift in een voorstel voor een gemengd financieringsmodel dat bijdragen van private personen centraal zet naast de publieke en private financieringsbronnen. Dit voorstel komt tegemoet aan zowel de critici van marktgerichte benaderingen als aan diegenen die een meer op efficiëntie gerichte benadering voorstaan. Het hoofdstuk sluit af met reflecties op het conceptuele kader, de methodologie en context en geeft suggesties voor toekomstig onderzoek en aanbevelingen voor WWF en andere natuurbeschermingsorganisaties. Vooral onderzoek naar en experimenten met het voorgestelde gemengde financieringsmodel, dat in dit proefschrift wordt benadrukt, kan bijdragen aan een toekomst waarin natuur wordt gewaardeerd, gefinancierd, beschermd en gebruikt op een manier die bijdraagt aan zowel de mens als aan biologische diversiteit.
Bekijk ook deze proefschriften
Identifying Sound Features from Brain Activity
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Optimizing Quality of Cancer Care Using Outcome Information
Smarter or More Inclusive? Inclusive Digital Transition in Smart Cities: Case studies in Chinese and European cities
The cardiovascular and immunological impact of immune suppression in kidney transplant recipients
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















