Deel dit project
Knowledge, Networks, and Niches
Samenvatting
De uitgave van het tijdschrift National Geographic van september 2017 had een artikel waarin verbaasd gevraagd werd hoe het toch kan dat Nederland, een klein, geürbaniseerd en dichtbevolkt land in West-Europa, de tweede voedselexporteur ter wereld is. Het antwoord op deze vraag wordt in dit artikel gevonden in de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw. Met drones, GPS en kunstmatige intelligentie meten en beïnvloeden Nederlandse akkerbouwers de groei en de gevraagde bemesting of bewatering op zeer gedetailleerd niveau, soms per vierkante meter of zelfs per plant. Waarom is Nederlandse landbouwinnovatie toonaangevend? Deze studie verklaart het succes van Nederlandse landbouwinnovatie door naar haar historische wortels te kijken. Dit proefschrift stelt de vraag ‘waarom en hoe konden Nederlandse boeren de meest innovatieve van Europa worden’? Deze vraag wordt beantwoord door de ontwikkeling van de Nederlandse akkerbouw tussen de jaren 1880 en de jaren 1960 te bestuderen. Dit proefschrift komt ten eerste tot de conclusie dat de voorwaarden in Nederland gunstig waren. Met hun gunstige ligging ten opzichte van de haven van Rotterdam (het belangrijkste handelsnetwerk van Europa) en de geïndustrialiseerde stedelijke agglomeraties in Duitsland en Groot-Brittannië konden Nederlandse boeren goed profiteren van de groeiende vraag naar hoogwaardige landbouwproducten. In combinatie met toenemende internationale competitie bracht dit de Nederlandse landbouwsector ertoe voortdurend te specialiseren en diversifiëren, wat ertoe leidde dat Nederlandse boeren zich bevonden aan de technologische frontier, de grens van wat op dat moment technologisch mogelijk was.
Ten tweede hielp de Nederlandse overheid de Nederlandse landbouwsector met het verleggen van deze technologische frontier door agrarische research and development (R&D) te stimuleren. Door de overheid gefinancierde onderzoeksinstellingen en landbouwvoorlichting waren belangrijke kanalen voor de uitwisseling van kennis en innovatie. Ten derde had de Nederlandse landbouwsector een hoge organisatiegraad ten opzichte van buitenlandse landbouwsectoren, iets wat geïllustreerd wordt in de dichtheid en variatie aan landbouwcoöperaties in Nederland. Deze landbouwcoöperaties, en andere boerenorganisaties, faciliteerden een horizontale uitwisseling van kennis tussen boeren onderling. Publieke instellingen en boerenorganisaties stelden de Nederlandse landbouwsector gezamenlijk in staat actief te zijn in marktniches en buitenlandse innovaties af te stemmen op specifieke Nederlandse condities. De hoge specialisatie van de Nederlandse landbouwsector zorgde ervoor dat het importeren van buitenlandse innovatie en kennis niet langer voldeed, waarna de Nederlandse landbouwsector, aan de hand van publieke instellingen en boerenorganisaties zelf kennis en innovatie ging ontwikkelen. Kortom, de publiek-private samenwerking verschafte de kennisuitwisseling die noodzakelijk was om actief te blijven op de technologische frontier, iets waar Nederlandse boeren zich tot op de dag van vandaag bevinden.
Met deze bevindingen levert dit proefschrift twee belangrijke. Ten eerste, daar waar landbouwinnovatie meestal wordt gezien als het gevolg van veranderende verhoudingen tussen land en arbeid of als het product van de noodzaak om ecologische beperkingen op te heffen, laat dit onderzoek zien dat ook de nabijheid van stedelijke markten een essentiële determinant is voor landbouwinnovatie. De noodzaak tot innoveren werd bij Nederlandse boeren vooral bepaald doordat ze opereerden dichtbij het centrum van het klassieke Von Thünen-model (wat voorschrijft dat hoe dichter bij een stedelijke markt hoe intensiever, gespecialiseerder, en diverser de landbouw is) en doordat ze hun positie op Britse en Duitse markten moesten beschermen.
Ten tweede, een aantal landbouwhistorici stelt dat de kennisintensieve groei van landbouw in vele delen van de wereld tijdens de twintigste eeuw werd gedreven door een ‘industrieel paradigma’. Dit paradigma schreef voor dat de landbouw de methoden, doelen, en productiviteitsgroei van de industriële sector diende te volgen. Dit paradigma werd verspreid onder boeren door landbouwexperts, waarmee de praktische kennis van de individuele boer over bijvoorbeeld lokale condities verloren zou zijn gegaan. Dit proefschrift laat echter zien dat de kennisintensieve groei van de Nederlandse landbouwsector, hoewel inderdaad gedreven door een soort ‘industrieel paradigma’, werd ondersteund door een aanzienlijk gedeelte van de Nederlandse agrarische bevolking, aangezien de intensivering van de Nederlandse landbouw een van de belangrijkste manieren was om het hoofd te bieden aan internationale competitie. Met een betere toegang tot kennis verbeterde de veerkracht van Nederlandse boeren, konden ze adequater op competitie en crises reageren en konden ze in hun levensonderhoud voorzien.
Het grootste gedeelte van dit onderzoek bestaat uit case studies waarin gekeken wordt naar specifieke innovaties of specifieke subsectoren binnen de Nederlandse landbouw. Deze case studies worden in een groter perspectief geplaatst met een analyse op nationaal niveau. Dit biedt ruimte voor een tweeledige vergelijking. Ten eerste worden bevindingen uit de Nederlandse casus vergeleken met voorbeelden uit België, Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië en in een enkel geval de Verenigde Staten. Ten tweede worden regio’s binnen Nederland met elkaar vergeleken om een helder beeld te krijgen van regionale verscheidenheid in landbouwinnovatie. Door deze variatie aan methodes is dit onderzoek gebaseerd op een breed scala aan bronnen. Kwantitatieve gegevens bestaan uit handelsstatistieken en landbouwstatistieken, terwijl kwalitatieve gegevens zijn samengesteld uit landbouwkranten en archiefmateriaal, zoals notulen, jaarrapporten en correspondentie van bijvoorbeeld landbouwcoöperaties, onderzoeksinstituten, en andere actoren.
Hoofdstuk 1 is de introductie van dit proefschrift. Het bespreekt relevante literatuur, het reflecteert op de aanpak en methodologie en het biedt een afbakening van de gebruikte concepten. Het is van belang te benadrukken dat landbouwinnovatie op tenminste twee punten verschilt van innovatie in algemene zin. Ten eerste zijn landbouwinnovaties niet gemakkelijk te verplaatsen: ze zijn pas succesvol als ze goed worden afgestemd op lokale condities. Ten tweede zijn landbouwinnovaties vaak menselijke tussenkomsten in biologische processen, wat maakt dat landbouwinnovaties vaak nieuwe moeilijkheden veroorzaken. De vereiste afstemming op lokale condities en de nieuwe problemen die door landbouwinnovatie kunnen worden veroorzaakt geven de individuele boer een centrale positie in het innovatieproces. Omdat individuele boeren zelf weinig aan R&D kunnen doen, zijn ze sterk afhankelijk van leveranciers, onderzoeksinstituten, en andere externe partijen (of anders gezegd: landbouwinnovatie is ‘leverancier-gedomineerd’). Hoofdstuk 1 benadrukt dan ook dat het slagen van landbouwinnovatie grotendeels wordt bepaald door de mate van kennisuitwisseling tussen individuele boeren en andere actoren.
Na de introductie plaatst Deel I van dit proefschrift de Nederlandse landbouwinnovatie in een bredere context. Hoofdstuk 2 bestudeert de internationale economische context en gebruikt inzichten uit literatuur gelieerd aan New Economic Geography om te laten zien dat de Nederlandse landbouw kon profiteren van de nabijheid van groeiende West-Europese markten. Nederlandse boeren waren niet alleen gunstig gelegen ten opzichte van hun stedelijke consumenten, voornamelijk in Duitsland en Groot-Brittannië, maar hadden ook goede verbindingen met buitenlandse leveranciers van innovaties en inputs. Handelsdata laten zien dat de invoer van kunstmest en zaden explosief groeide vanaf de late negentiende eeuw. Echter, aanhoudende specialisatie en diversificatie brachten Nederlandse boeren bij de technologische frontier waardoor het importeren van buitenlandse kennis en innovatie niet langer voldeed. De Nederlandse landbouwsector werd gedwongen zijn eigen kennis en innovatie te ontwikkelen, waardoor Nederland geleidelijk veranderde in de exporteur van kennis en innovatie die het tegenwoordig nog is.
Hoofdstuk 3 behandelt de nationale politieke context. Waarom investeerde de Nederlandse overheid vanaf de vroege twintigste eeuw op grote schaal in landbouwonderwijs en R&D, terwijl het in de negentiende eeuw nauwelijks een landbouwbeleid had gevoerd? Door middel van negentiende-eeuwse landbouwkranten, notulen van parlementszittingen, en overheidsdocumenten zoekt dit hoofdstuk het antwoord op deze vraag in het veranderende karakter van landbouwinnovatie. Nederlandse boeren hadden voor eeuwen gebruik gemaakt van innovaties en inputs die lokaal voorhanden waren. Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd de Nederlandse landbouw echter steeds afhankelijker van meststoffen, zaden, en diervoeding uit het buitenland. Omdat individuele boeren vaak te weinig kennis hadden over deze geïmporteerde inputs was hun onderhandelingspositie tegenover hun buitenlandse leveranciers zwak. De Nederlandse overheid wilde dit marktfalen oplossen door de toegang tot kennis te verbeteren, wat leidde tot groeiende overheidsfinanciering voor landbouwonderwijs, landbouwproefstations, en landbouwvoorlichting. ‘Protectionisme van kennis’ werd gezien als een goed alternatief voor het vermeden ‘protectionisme van prijzen’.
Waar Deel I van dit proefschrift de economische en politieke context behandelt, gaat Deel II dieper in op verschillende casussen. Hoofdstuk 4 verklaart waarom Nederland veranderde van een relatief kleine gebruiker van kunstmest aan het eind van de negentiende eeuw naar één van de grootste gebruikers van kunstmest wereldwijd enkele decennia later. Hoewel een deel van het antwoord ligt in de verhouding tussen land en arbeid en in de voortgaande specialisatie en intensivering van de Nederlandse landbouw, benadrukt dit hoofdstuk dat de enorme toename in kunstmestgebruik tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw onwaarschijnlijk was geweest zonder een verbeterende kennisuitwisseling. Verschillende kanalen voor kennisuitwisseling speelden een rol, maar de landbouwvoorlichting door de overheid was cruciaal. Een internationale vergelijking laat zien dat het Nederlandse landbouwvoorlichtingssysteem één van de best ontwikkelde van die tijd was. Het groeiende aantal voorlichters verbeterde de kennisuitwisseling op lokaal niveau. Het voorbeeld van Jakob Elema, landbouwvoorlichter in Drenthe vanaf de jaren 1890 tot de jaren 1930, laat zien hoe individuele voorlichters lokale netwerken verbeterden en de lokale kennisuitwisseling professionaliseerden. Nederlandse landbouwvoorlichters hadden een blijvende invloed op lokale landbouw doordat ze succesvol lokale landbouwpers oprichtten en landbouwscholen opzetten.
Hoofdstuk 5 bespreekt de rol van landbouwcoöperaties. De casus van de suikerbietencoöperaties laat zien hoe landbouwcoöperaties een voordeel hadden als kennisnetwerken ten opzichte van andere kennisnetwerken, zoals netwerken opgezet door landbouwvoorlichters. Als lid van coöperaties waren individuele boeren onderdeel van een grotere groep, waarin ze gedwongen werden de productiemethoden van deze grotere groep te volgen en te participeren in de kennisuitwisseling die door deze grotere groep werd gefaciliteerd. Het archiefmateriaal van de suikerbietencoöperaties illustreert hoe deze coöperaties continu balanceerden tussen de individuele vrijheid van de afzonderlijke leden en de uniformiteit en kwaliteit van het eindproduct dat de coöperatie aan de markt leverde. De suikerbietencoöperaties verhoogden de innovatiecapaciteit van hun leden door kennis te verspreiden en door toegang te verlenen tot bepaalde inputs, met name zaden. Vanaf de jaren 1920 organiseerden de suikerbietencoöperaties in Nederland ook gezamenlijk hun eigen R&D, wat uiteindelijk zelfs uitmondde in de oprichting van hun eigen onderzoeksinstituut.
Hoofdstuk 6 legt uit waarom in Nederland het gebruik van kassen voor de productie van bloemen, groente, en fruit vanaf de jaren 1910 snel groeide, een ontwikkeling die de ‘Nederlandse Glastuinbouw Revolutie’ genoemd is. Een netwerk van tuinbouwveilingen en de gunstige ligging van het Zuid-Hollands glasdistrict (het Westland en De Kring) ten opzichte van de haven van Rotterdam zorgden ervoor dat Nederlandse tuinbouwproducten snel naar de Britse en Duitse consument gebracht konden worden, wat gezien de beperkte houdbaarheid van deze producten van groot belang was. De hoge concentratie van glastuinbouw in Zuid-Holland zorgde bovendien voor een hoge dichtheid aan proefvelden, studieclubs, leveranciers, en onderzoekers, wat kennisuitwisseling ten goede kwam. Dit verklaart, in combinatie met de bereidheid tot investeren van boerenleenbanken en overheidsfondsen, waarom de Nederlandse glastuinbouw de grootste in haar soort werd en waarom het de wereldleider op het gebied van glastuinbouwtechnologie is geworden.
Hoofdstuk 7, tenslotte, geeft een van de belangrijkste bevindingen en de argumentatie van dit proefschrift. Dit hoofdstuk herhaalt kort de belangrijkste bijdrages van dit proefschrift en reflecteert op de twee belangrijkste tekortkomingen van dit onderzoek. Ten eerste is vrijwel uitsluitend archiefmateriaal van formele netwerken (coöperaties en publieke instellingen) gebruikt, waardoor informele netwerken (familiebanden, dorpsgemeenschappen, etc.) onderbelicht zijn gebleven. Ten tweede bestaat de aanpak van dit onderzoek voor een groot gedeelte uit case studies, waardoor andere belangrijke onderdelen van de Nederlandse landbouw niet zijn onderzocht. Hoofdstuk 7 presenteert tenslotte nog opties voor vervolgonderzoek. Dit proefschrift heeft laten zien dat het succes van de Nederlandse landbouwinnovatie deels verklaard kan worden door de hoge organisatiegraad van de Nederlandse landbouwbevolking. Maar waar komt dit sociale kapitaal vandaan? Waarom was er zo’n snelle en grote groei van landbouwcoöperaties in Nederland? Vergelijkbare vragen kunnen gesteld worden bij de relatief grote voedingsindustrie in Nederland. Hoe kan de snelle opkomst van voedselverwerkende fabrieken sinds het midden van de negentiende eeuw verklaard worden? Kortom, een beter begrip van de economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw is nog altijd nodig.
Bekijk ook deze proefschriften
Identifying Sound Features from Brain Activity
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Optimizing Quality of Cancer Care Using Outcome Information
Smarter or More Inclusive? Inclusive Digital Transition in Smart Cities: Case studies in Chinese and European cities
The cardiovascular and immunological impact of immune suppression in kidney transplant recipients
Microbubble Oscillations and Microstreaming
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















