Publicatiedatum: 2 juni 2026
Universiteit: Universiteit van Amsterdam
ISBN: 978-94-6534-407-2

Measuring what matters

Samenvatting

Het proefschrift heeft tot doel een multidimensionaal en participatief kader te ontwikkelen voor het begrijpen en aanpakken van marginaliteit in welvarende steden, vanuit het analytische perspectief van Welzijnseconomie. Het vertrekt vanuit de paradox, zichtbaar in verschillende Westerse steden, dat aanhoudende economische groei samengaat met toenemende sociale en ruimtelijke ongelijkheden. Het onderzoek is gebaseerd op Welzijnseconomie, waarbij welzijn wordt gedefinieerd als de interactie tussen materiële, relationele en subjectieve dimensies van dagelijks welzijn, en integreert dit met participatieve bestuurs- en stedelijke regimetheorie.

De overkoepelende onderzoeksvraag luidt: Hoe kunnen door burgers gedefinieerde, multidimensionale indicatoren van welzijn worden ontwikkeld en gemeten op buurtniveau in stedelijke contexten met een hoog inkomen, en in hoeverre kan een dergelijke meting een zinvolle bijdrage leveren aan burgerempowerment en een meer inclusief stedelijk bestuur?

Het proefschrift behandelt deze vraag aan de hand van vier empirische artikelen, waarin elk artikel in een hoofdstuk (hoofdstukken 2-5) een specifieke deelvraag onderzoekt. Samen bieden deze hoofdstukken een cumulatief en geïntegreerd antwoord op de hoofdonderzoeksvraag (hoofdstuk 6).

Het proefschrift is opgebouwd rond een sequentiële maar flexibele methodologische architectuur. Het behandelt de hoofdonderzoeksvraag door middel van een analyse van meerdere gemarginaliseerde, maar toch verschillende buurten in Amsterdam. Het hanteert een actiegerichte en participatieve onderzoeksaanpak waarin kwalitatieve en kwantitatieve methoden, ervarings- en statistische gegevens, en verschillende vormen van expertise gecombineerd worden.

Hoofdstuk 2 behandelt de eerste deelvraag: hoe kunnen bredere welzijnsindicatoren en een nieuw meetinstrument worden ontwikkeld door middel van co-creatie met bewoners van een gemarginaliseerde buurt, en onder welke voorwaarden kan empowerment worden bereikt? Op basis van de eerste buurtcasestudy, Venserpolder, analyseert het een proces van het initiëren van lokale samenwerking en het opzetten van co-creatie voor welzijnsmeting. Dit leidt tot een overdraagbare bottom-up methode voor participatieve welzijnsmeting (“Welzijnsdashboards”). Het hoofdstuk laat zien hoe bewoners in staat zijn om coherente, multidimensionale concepten van welzijn te verwoorden die zowel materieel, relationeel als subjectief zijn, wanneer ze worden begeleid door interactieve en creatieve taken. Bovendien illustreert het hoofdstuk hoe empowerment niet alleen kan voortkomen uit de resultaten van participatieve metingen, maar ook uit het proces van co-creatie zelf – met name wanneer dit longitudinaal en face-to-face plaatsvindt, sociaal leren bevordert en is ingebed in zelforganiserende gemeenschapsstructuren in plaats van eenmalige raadplegingen.

Hoofdstuk 3 behandelt de tweede deelvraag: welke aanvullende inzichten bieden bottom-up, door burgers gedefinieerde welzijnsindicatoren ten opzichte van conventionele top-down beleidsdata? Het hoofdstuk laat zien hoe participatieve, multidimensionale welzijnsmetingen kritieke blinde vlekken in de beleidsmatige kennis opvullen, op basis waarvan het de relevantie en legitimiteit van burgerkennis voor het beleid benadrukt. Het presenteert een vergelijking die empirisch aantoont dat door burgers gedefinieerde welzijnsindicatoren voorheen onbekende behoeften aan het licht brengen en een aanvulling vormen op conventionele indicatoren. Welzijnsindicatoren die worden gemeten in het subjectieve en/of relationele domein blijken een zeer substantiële aanvulling te vormen op gemeentelijke indicatoren door het vastleggen van geleefde ervaringen. Als zodanig valideert het hoofdstuk empirisch de opname van gelokaliseerde relationeel-subjectieve welzijnsindicatoren voor een mensgericht en effectiever beleidsontwerp. Bovendien illustreert het hoofdstuk hoe geïntegreerde welzijnsmetingen belangrijke punten voor interventie kunnen signaleren. De resultaten van een correlatieanalyse wijzen op belangrijke onderlinge afhankelijkheden tussen domeinen en bevestigen opnieuw het belang van verder kijken dan materiële indicatoren om inzicht te krijgen in de resultaten op het gebied van menselijk welzijn.

Hoofdstuk 4 behandelt de derde deelvraag: wat zeggen bottom-up welzijnsindicatoren over gedeelde en uiteenlopende behoeften in gemarginaliseerde buurten, en wat betekent dit voor gebiedsgericht beleid en bestuur van gemarginaliseerde buurten? Het vergelijkt lokale welzijnsindicatoren van drie buurten en bespreekt hoe bewoners een gelaagd begrip van welzijnsbehoeften verwoorden; een begrip dat bestaat uit compromissen tussen basisbehoeften gevolgd door uiteenlopende behoeften van hogere orde. Bewoners van gemarginaliseerde buurten hebben consequent hun bezorgdheid geuit over wat in dit hoofdstuk wordt omschreven als “basisveiligheid” welzijnsbehoeften (waaronder sociale verbondenheid, financiële zekerheid, huisvestingsstabiliteit, emotioneel evenwicht, leefbaarheid van de buurt en waargenomen veiligheid). Deze gedeelde basis suggereert dat het bestuur van gemarginaliseerde buurten kan plaatsvinden binnen een uniform gebiedsgericht kader. Naast een gedeelde basis zijn er ook verschillen te zien in termen van hogere welzijnsbehoeften.

Hoofdstuk 5 behandelt de vierde en laatste deelvraag: onder welke institutionele en politieke omstandigheden kan participatieve welzijnsmeting invloed uitoefenen op beleidsagenda's, besluitvorming en middelenallocatie op buurtniveau? Het hoofdstuk analyseert een opkomende samenwerkingscoalitie rond de Welzijnsdashboards in Amsterdam Zuidoost. Hier brengen gedeelde zorgen over de legitimiteit en effectiviteit van het beleid verschillende beleidsactoren en bewoners op buurtniveau samen. De bevindingen laten zien hoe participatieve welzijnsmetingen kunnen fungeren als grensoverschrijdende hulpbron, die samenwerking tussen meerdere actoren kan faciliteren vanuit een gedeeld en door de gemeenschap gevalideerd uitgangspunt. Wat betreft het bereiken van daadwerkelijke beleidsinvloed, bracht analyse vanuit het perspectief van het stedelijk regime echter kritieke beperkingen op het gebied van coalities, middelen en instellingen aan het licht. De huidige samenwerkingscoalitie mist beleidsactoren met voldoende beslissingsbevoegdheid en controle over financiële en bureaucratische middelen om de invloed van de gemeenschap te institutionaliseren. Bovendien belemmeren bredere institutionele beperkingen, zoals hiërarchische verantwoordingsstructuren, vooraf vastgestelde beleidsopdrachten en gefragmenteerde bestuursverantwoordelijkheden, duurzame samenwerking onder leiding van de gemeenschap en de mate waarin door bewoners gedefinieerde welzijnsprioriteiten structureel kunnen worden verankerd in de lokale beleidspraktijk.

Hoofdstuk 6 geeft een samenhangend antwoord op de belangrijkste onderzoeksvraag en belicht drie belangrijke bevindingen. De empirische hoofdstukken tonen aan dat door middel van zinvolle co-creatieve processen door burgers gedefinieerde, multidimensionale welzijnsindicatoren op buurtniveau robuust kunnen worden ontwikkeld en gemeten en analytisch onderscheidende en beleidsrelevante kennis kunnen genereren. De mate waarin dergelijke lokale welzijnsmetingen bijdragen aan de epistemische en procedurele empowerment van burgers is tweeledig. Ten eerste beginnen beleidsmakers de ervaringsgerichte en situationele kennis van burgers te legitimeren wanneer deze wordt vertaald in meetbare indicatoren, waardoor de indicatoren epistemische macht naar burgers verschuiven. Ten tweede, wanneer lokale welzijnsmetingen worden omgezet in beleidsmaatregelen, worden voorheen niet-erkende behoeften doorslaggevend in de beleidspraktijk, waardoor zowel epistemische als procedurele macht naar burgers verschuift. Als zodanig bepaalt meting welke behoeften worden gezien en erkend, wat een eerste belangrijke bevinding benadrukt: i) Meting is een plaats van macht, geen neutraal instrument.

Bovendien suggereert het op basis van de empirische bevindingen dat een geloofwaardig welzijnskader in welvarende stedelijke contexten zowel stabiliteit als pluraliteit moet kunnen bieden: een gedeelde basis van fundamentele veiligheid en een pluriforme ruimte van waardevol leven. De meting van multidimensionaal welzijn in en tussen gemarginaliseerde buurten benadrukt een tweede belangrijke bevinding: ii) Marginaliteit in welvarende steden is een kwestie van variërende en op elkaar inwerkende relationele, persoonlijke en institutionele tekortkomingen die contextueel gevormd en lokaal specifiek zijn.

Tegelijkertijd toont het proefschrift aan dat de impact van een dergelijke meting op het bestuur, en daarmee het empowermentpotentieel van participatie, voorwaardelijk is. Het toont empirisch aan dat bottom-up, participatieve welzijnsmeting een noodzakelijke voorwaarde is om geleefde marginaliteit aan het licht te brengen en burgers mondiger te maken, maar dat dit niet voldoende is om inclusief stedelijk bestuur te realiseren. Om het volledige transformatieve potentieel te realiseren, zijn aanvullende veranderingen nodig in institutionele regelingen, coalitiestructuren en de waardering van lokale kennis binnen beleidssystemen. Dit leidt tot de laatste belangrijke bevinding: iii) Participatieve metingen worden pas transformatief wanneer ze worden ingebed in bestuur regimes.

Theoretisch gezien draagt het proefschrift bij aan de welzijnseconomie door de kennis van burgers te integreren in de productie van economische gegevens, waardoor epistemische rechtvaardigheid wordt gekoppeld aan distributieve rechtvaardigheid. Conceptueel gezien herdefinieert het stedelijke marginaliteit als multidimensionaal onwelzijn in welvarende samenlevingen. Methodologisch draagt het bij aan een overdraagbaar kader voor participatieve welzijnsmeting en -validatie. Op beleidsniveau laat het zien hoe lokale indicatoren kunnen bijdragen aan gedifferentieerde investeringsstrategieën en een systemische transitie naar inclusief, welzijnsgericht stedelijk bestuur kunnen ondersteunen. Bovendien levert het proefschrift een reflexieve beschrijving van het uitvoeren van actiegericht en participatief onderzoek als zowel wetenschappelijk onderzoek als epistemische rechtvaardigheidsinterventie. Ten slotte worden beleidsaanbevelingen en toekomstige onderzoeksrichtingen voorgesteld.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten