Publicatiedatum: 28 mei 2026
Universiteit: Wageningen University
ISBN: 978-94-6534-403-4
DOI-nummer: 10.18174/681734

Restoring biodiversity and ecosystem services on managed grasslands

Samenvatting

De landbouw is wereldwijd de hoofdoorzaak van milieuverandering en biodiversiteitsverlies, waardoor de veerkracht van ecosystemen bedreigd wordt. Graslanden, die tegenwoordig grotendeels worden gebruikt voor de veehouderij, kennen een bijzonder ernstige achteruitgang van natuurlijke habitats en biodiversiteit. Deze achteruitgang bedreigt ook een breed scala aan ecosysteemdiensten die essentieel zijn voor het menselijk welzijn en de landbouw zelf. Overheden en publieke organisaties streven daarom naar herstel van gedegradeerde graslandecosystemen. Hun inspanningen hebben de belangrijkste oorzaken van degradatie tot nog toe echter niet verholpen. Zo bestaat er in Europa al decennialang beleid voor natuurvriendelijke landbouw, maar de intensieve landbouwpraktijken die Europa’s rijke graslandbiodiversiteit aantasten – met name intensieve bemesting en hoge begrazingsdruk en maaifrequenties – nemen nog steeds toe. Ondanks de grote aandacht in de wetenschap voor de voordelen van biodiversiteit in de landbouw, blijven boeren terughoudend om natuurvriendelijk beheer op grotere schaal toe te passen. In dit proefschrift onderzocht ik sociaaleconomische en beheergerelateerde beperkingen voor een effectiever herstel van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in door de mens beheerde graslanden. Alle hoofdstukken zijn gebaseerd op gegevens die zijn verzameld in een studiegebied in het zuiden van Nederland, waar het landgebruik varieert van zeer extensief beheerde, half-natuurlijke graslanden tot zeer intensieve productiegraslanden. Deze gradiënt weerspiegelt de intensivering van het gebruik van graslanden die wereldwijd plaatsvindt in regio’s met een gematigd klimaat.

Dit proefschrift beoordeelde vanuit een breed sociaaleconomisch perspectief of het herstellen van ecosysteemdiensten leidt tot win-winsituaties of trade-offs tussen graslandboeren en de samenleving (hoofdstuk 2). Een breed scala aan indicatoren van ecosysteemdiensten werd in het veld gemeten, en er werden interviews met boeren gehouden om het beheer en de jaarlijkse productie van elk grasland te beoordelen. Vervolgens werd de bijdrage van het perceel aan het inkomen van boeren geschat op basis van de bruto marge van de grasproductie. Van alle onderzochte ecosysteemdiensten droeg alleen de stikstoffixatie door vlinderbloemigen significant bij aan de productiviteit van de graslanden en deze bijdrage was gering vergeleken met het effect van bemesting. Het inkomen van boeren werd grotendeels bepaald door productiviteit en vertoonde dan ook een sterke trade-off met de biodiversiteit, vastlegging van nutriënten en koolstofopslag – wat allemaal publieke diensten zijn. Diverse publieke diensten namen proportioneel toe met de biodiversiteit. Dit impliceert dat het herstel van graslandecosystemen vooral de samenleving ten goede komt, en niet zozeer de boeren zelf. Ecologische herstelprogramma’s hebben daarom maatschappelijke steun nodig die het voor boeren economisch lonend maakt om publieke diensten te leveren.

De biodiversiteit vormt de basis voor de levering van veel publieke diensten, maar voor veel soortgroepen, vooral voor ongewervelden, blijven de effecten van intensiever landgebruik onderbelicht. Hoofdstuk 3 onderzocht daarom de effecten van intensivering in graslanden op insecten en spinnen, gebruik makend van een ruimte-voor-tijd opzet. De intensiteit van het landgebruik werd gemeten aan de hand van de jaarlijkse productiviteit. Insecten en spinnen werden bemonsterd langs vaste transecten in mei, juni en juli, met behulp van sleepnetten en tellingen van bestuivers. De aantallen werden per orde geteld en een brede selectie van soortgroepen werd gedetermineerd tot soortniveau. Van lage naar hoge intensiteit namen de aantallen vliegen (Diptera) toe, wat de totale abundantie van geleedpotigen stabiliseerde, terwijl de meeste andere ordes sterk in aantal afnamen en de totale soortenrijkdom halveerde. Diepgaander inzicht werd verkregen door de verspreiding van individuele soorten langs het intensiteitsgradiënt te analyseren. Bij intensief landgebruik namen de meeste soorten af of verdwenen zelfs volledig (respectievelijk 85% en 64% van alle geïdentificeerde soorten), maar een kleine groep wijdverspreide soorten (9%) nam toe. Waarschijnlijk zorgen dergelijke ‘winnaars’ voor de stabiliteit van de totale abundantie. Bovendien toonden deze soort-specifieke analyses een sterker verlies van biodiversiteit dan de meer gangbare indicatoren. De grootste verliezen traden op tijdens de overgang van laag naar matig intensief beheer. Dit betekent dat zeer extensieve graslanden, die in de meeste agrarische landschappen vrijwel verdwenen zijn, cruciaal zijn voor de meeste soorten geleedpotigen.

Soortinventarisaties zijn zo tijdrovend dat dit de schaal van huidige biodiversiteitsevaluaties sterk beperkt. Daarom onderzocht hoofdstuk 4 of bloemen kunnen worden gebruikt als algemene biodiversiteitsindicatoren voor geleedpotigen en planten in graslanden. Parallel aan de inventarisaties uit hoofdstuk 3 werden de soortenrijkdom van planten en bloemen en de totale bloembedekking gemeten langs dezelfde transecten. Bloemrijkdom vertoonde consistente lineaire relaties met de soortenrijkdom van planten en geleedpotigen. Bloembedekking vertoonde meer variabele relaties met de soortenrijkdom van deze groepen, en indien lineair werden deze relaties veelal ook verklaard door bloemrijkdom. Bloemrijkdom weerspiegelde ook de toename in geleedpotigenrijkdom van voorjaar tot zomer, evenals de exponentiële afname bij toenemende intensiteit van het landgebruik. Bloemrijkdom vormt daarom een breed toepasbare indicator van graslandbiodiversiteit. Dit kan de evaluatie van herstelresultaten vergemakkelijken, want bloemrijkdom is efficiënt te meten over grote gebieden en is direct gerelateerd aan het lokale beheer.

Als relevante indicatoren op locatieniveau worden gemeten, kunnen ze ook worden gebruikt om herstelmaatregelen lokaal af te stemmen. Dit proefschrift heeft getest of het effect van minder maaien op bloemen afhangt van productiviteit en soortsamenstelling van graslanden (hoofdstuk 5). In twaalf graslanden met een verschillende productiviteit werden steeds vier proefplots opgezet, waarin om de paar dagen de bloembedekking van elke kruidachtige soort werd geregistreerd gedurende het groeiseizoen (april–augustus), terwijl de plots nul tot drie keer werden gemaaid. Zo konden zowel de bedekking als de soortenrijkdom van bloeiende kruiden in elk plot worden gevolgd. De resultaten toonden aan dat minder maaien alleen bij een lagere productiviteit tot meer bloei leidde, terwijl de herbloei na het maaien ook sneller ging bij een lagere productiviteit. Deze effecten worden waarschijnlijk veroorzaakt door de verhoogde concurrentie om licht bij een hoge productiviteit, waardoor bloemen verdrongen worden, maar maaien ook meer impact heeft. Bovendien was het effect van maaien sterk afhankelijk van de fenologie en het vermogen tot herbloei van de lokale kruidachtigen. Slechts enkele soorten herstelden volledig onder frequente maairegimes, maar de helft van alle soorten herstelde volledig na één maaibeurt in het voorjaar. De resultaten van herstelmaatregelen kunnen daarom worden verbeterd door het maaibeheer per locatie af te stemmen op de soortsamenstelling. Mogelijke aanpassingen zijn om ongemaaide delen te behouden voor laatbloeiende soorten in laagproductieve habitats, en om juist gedeeltelijk te maaien in het voorjaar ter bevordering van de herbloei vanaf juli.

Het herstel van biodiverse graslandecosystemen vereist een drastische extensivering van moderne landbouwpraktijken. Het financieel belonen van publieke diensten kan boeren in staat stellen om dit te doen. De samenleving, niet individuele boeren, moet daarom verantwoordelijkheid nemen voor de publieke diensten die deze ecosystemen leveren. In de meeste agrarische landschappen is een toename van natuurherstel in graslanden nodig om publieke diensten te waarborgen, met name van hoogwaardige habitats die het grootste deel van de graslandbiodiversiteit herbergen. Huidige inspanningen slagen er echter meestal niet in om deze habitatkwaliteit te herstellen. De nadelige invloed van omliggend landgebruik, maar ook kennislacunes en suboptimaal beheer beperken de effectiviteit van huidige herstelprogramma’s, zoals het Europees beleid voor natuurvriendelijke landbouw. Deze programma’s kunnen worden verbeterd door hun beheer af te stemmen op locatie-specifieke omstandigheden, en resultaatsgerichte vergoedingen kunnen boeren hiervoor motiveren, mits de resultaten op alle betrokken percelen worden gemeten. Dit vereist een grondiger begrip van onderbelichte taxa en een grootschalige evaluatie van breed toepasbare biodiversiteitsindicatoren. Bovendien moet ecosysteemherstel worden geïntegreerd met duurzame methoden voor voedselproductie in beheerplannen op landschapsschaal, waarin de verschillende functies van een landschap op optimale locaties worden vervuld. Met een passende ruimtelijke planning, lokaal aangepast beheer en eerlijke financiële steun kunnen beheerde graslanden bijdragen aan voedselzekerheid, ecosysteemfuncties en biodiversiteitsherstel.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten