Publicatiedatum: 9 april 2025
Universiteit: Wageningen University
ISBN: 978-94-6510-434-8

The use of hormones to treat dairy cattle reproductive diseases

Samenvatting

Een goede vruchtbaarheid is essentieel om het productieniveau van melkkoeien op peil te houden. Echter, vruchtbaarheidsproblemen komen vaak voor op melkveebedrijven en hebben een effect op de vruchtbaarheid van koeien (bijv. een verminderde bevruchting en een langere tussenkalftijd), op hun productie (bijv. een verminderde melkproductie en een verhoogde kans op afvoer), en daarmee op het inkomen van de veehouder (bijv. economische schade als gevolg van een verminderde productie en behandelingen). Koeien kunnen verschillende vruchtbaarheidsproblemen krijgen, en deze komen vooral voor in de periode van afkalven totdat de koeien weer geïnsemineerd worden. Zo worden eierstokproblemen vaak gezien wanneer melkveehouders, na de vrijwillige wachtperiode, willen beginnen met insemineren. Vruchtbaarheidshormonen kunnen gebruikt worden om deze vruchtbaarheidsproblemen te verminderen. Daarnaast worden ze ook gebruikt om koeien tochtig te laten worden. De melkveehouderij staat echter onder maatschappelijke druk om het medicijngebruik omlaag te brengen en meer natuurlijk te produceren. Deze maatschappelijke ontwikkelingen vragen om een transparant hormoongebruik op melkveebedrijven. Ook kan het routinematig gebruik van hormonen onderliggende problemen in het vruchtbaarheidsmanagement maskeren.

Vruchtbaarheidshormonen worden gebruikt op melkveebedrijven om de vruchtbaarheid van koeien te verbeteren, maar het wetenschappelijk bewijs van hun effectiviteit is niet sluitend. De effectiviteit is meestal bepaald voor individuele dieren in gerandomiseerde en gecontroleerde studies, maar is nog niet bepaald op bedrijfsniveau onder praktijkomstandigheden. Het resultaat van hormonen op bedrijfsniveau kan verschillen van het resultaat op individueel koeniveau omdat het effect van behandelde koeien, welke meestal vruchtbaarheidsproblemen hebben, deels wordt opgeheven door gezonde koeien die niet behandeld zijn. Om het gebruik van vruchtbaarheidshormonen op melkveebedrijven in kaart te brengen is het nodig om de beweegredenen van de melkveehouder ten aanzien van hormonen te onderzoeken. Het bepalen van de kennis van melkveehouders over vruchtbaarheidshormonen, hun houding ten aanzien van het gebruik ervan, en of deze twee aspecten daadwerkelijk het hormoongebruik beïnvloeden, helpt om het hormoongebruik op melkveebedrijven beter te begrijpen. Melkveehouders kunnen verschillende maatregelen nemen om de vruchtbaarheid op hun bedrijf te verbeteren. Het schatten van de economische schade ten gevolg van, vaak aan elkaar gerelateerde vruchtbaarheidsproblemen geeft nuttige inzichten over de economische ruimte voor preventie. Naast het schatten van de economische schade als gevolg van de vruchtbaarheidsproblemen is het ook belangrijk om inzicht te hebben in de economische impact van het gebruik van vruchtbaarheidshormonen. Het evalueren van beide aspecten geeft melkveehouders inzicht in welke maatregel waarschijnlijk de meeste winst oplevert in relatie tot het hormoongebruik.

Dit proefschrift had het doel om, aan de hand van een geïntegreerde epidemiologische en economische aanpak, de besluitvorming omtrent het gebruik van hormonen voor de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen op Nederlandse melkveebedrijven te ondersteunen. Vier subdoelen werden gespecificeerd om dit algemene doel te bereiken:
1. Het onderzoeken van de associatie, op bedrijfsniveau, tussen het gebruik van vruchtbaarheidshormonen en de vruchtbaarheid op Nederlandse melkveebedrijven.
2. Het bepalen van de kennis en houding van melkveehouders ten aanzien van vruchtbaarheidshormonen in relatie tot het gebruik van deze vruchtbaarheidshormonen.
3. Het schatten van de kosten van vruchtbaarheidsproblemen.
4. Het vergelijken van de economische impact van het structureel gebruik van vruchtbaarheidshormonen bij individuele koeien ten opzichte van de gangbare methodiek op Nederlandse melkveebedrijven waarbij hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts.

In Hoofdstuk 2 is op bedrijfsniveau de associatie gelegd tussen het gebruik van vruchtbaarheidshormonen en de vruchtbaarheid van het melkvee. Verkoopcijfers (2017 – 2019) van vruchtbaarheidshormonen aan 754 representatieve Nederlandse melkveebedrijven behorende bij 5 grote dierenartspraktijken zijn hiervoor gebruikt. Deze verkoopcijfers zijn gekoppeld aan vruchtbaarheidskengetallen uit de melkproductieregistratie (CRV, Arnhem). Hormoongebruik werd uitgesplitst naar prostaglandines, gonadotrope hormonen, en progesteron, en is op bedrijfsniveau uitgedrukt als het jaarlijks aantal hormoonbehandelingen per 100 gemiddeld aanwezige volwassen melkkoeien. Het hormoongebruik werd daarna gecategoriseerd (geen gebruik, laag, medium, en hoog gebruik) op basis van de 33 en 66-percentielen van de deelnemende bedrijven met hormoongebruik. Drie vruchtbaarheidskenmerken (tussenkalftijd, interval afkalven – eerste inseminatie, en het gemiddelde aantal inseminaties per koe) zijn geanalyseerd op bedrijfsniveau met behulp van multivariabele regressietechnieken. Over alle bedrijven (bedrijven met en zonder hormoongebruik) was het mediane jaarlijkse hormoongebruik op 36.1 behandelingen per 100 volwassen koeien. Dit terwijl de mediaan op 39.2 behandelingen per 100 volwassen koeien lag voor bedrijven die hormonen gebruikten. De statistische modellen lieten zien dat bedrijven met een hoog hormoongebruik (meer dan 50.6 behandelingen per 100 volwassen koeien per jaar) een tussenkalftijd en een interval afkalven – eerste inseminatie hadden die respectievelijk 9.3±2.6 en 16.4±2.1 dagen korter was dan van bedrijven die geen hormonen gebruikten (424.0±2.7 en 114.0±2.1 dagen). Bedrijven met een hoog hormoongebruik hadden gemiddeld verder 0.3±0.04 meer inseminaties nodig om hun koeien drachtig te krijgen in vergelijking met bedrijven die geen hormonen gebruikten (1.83±0.04 inseminaties per koe). Gebruikmakend van een grote, representatieve dataset, kan geconcludeerd worden dat het gebruik van vruchtbaarheidshormonen geassocieerd is met een verbeterde vruchtbaarheid, in termen van een kortere tussenkalftijd en interval afkalven – eerste inseminatie, maar dat dit gepaard ging met gemiddeld meer inseminaties om koeien drachtig te krijgen.

In Hoofdstuk 3, is een online vragenlijst verstuurd om de beweegredenen van Nederlandse melkveehouders ten aanzien van vruchtbaarheidshormonen te bepalen en dit te relateren aan hun hormoongebruik. Algemene bedrijfskenmerken werden daarbij verzameld naast de kennis, houding, en gedrag van melkveehouders met betrekking tot het hormoongebruik. Hormoongebruik werd daarbij gerapporteerd door melkveehouders en gebaseerd op de verkoopcijfers van de bijbehorende dierenartsenpraktijk (wat een goede indicatie van het daadwerkelijke hormoongebruik is). Een score (0-10) werd ontwikkeld op basis van 10 objectieve vragen die de kennis van melkveehouders met betrekking tot vruchtbaarheidshormonen toetsten. Verder is een factor analyse uitgevoerd om achterliggende structuren van 19 vragen met betrekking tot de houding van melkveehouders (die vaak aan elkaar gerelateerd zijn) te identificeren. Dit resulteerde in 4 factor variabelen welke betrekking hadden op 1) de voordelen van het gebruik van hormonen, 2) opvattingen ten aanzien van het behandelingsprotocol, 3) het niet-hormoon gerelateerde vruchtbaarheidsmanagement, en 4) barrières voor het gebruik van hormonen. Verschillende regressietechnieken zijn vervolgens gebruikt om kennis aan houding (multivariate lineaire regressie) en kennis en houding aan zelf gerapporteerd (logistische regressie) en daadwerkelijk hormoongebruik (negatief binomiale regressie) te relateren. Alle statistische modellen corrigeerden daarbij voor 8 algemene bedrijfskenmerken. De gemiddelde score voor de kennis van de melkveehouder over vruchtbaarheidshormonen was 5.9 ± 1.8 en 83% van de melkveehouders rapporteerden dat ze hormonen gebruikten als hun koeien niet tochtig werden na de vrijwillige wachttijd. Er werd geen significante relatie gevonden tussen de kennis van melkveehouders en de 4 factor variabelen betreffende hun houding ten aanzien van vruchtbaarheidshormonen. Een betere kennis over vruchtbaarheidshormonen was echter positief geassocieerd met een hoger hormoongebruik (zowel zelf-gerapporteerd als daadwerkelijk gebruik). Eenzelfde relatie werd gevonden tussen het hebben van een sterkere opvatting ten aanzien van de voordelen van het gebruik van hormonen en zelf-gerapporteerd en daadwerkelijk hormoongebruik. Een sterkere opvatting ten aanzien van het behandelingsprotocol was verder ook geassocieerd met een hoger daadwerkelijk hormoongebruik. Dit terwijl een sterkere opvatting ten aanzien van niet-hormoon gerelateerd vruchtbaarheidsmanagement significant geassocieerd was met een lager daadwerkelijk hormoongebruik.

In Hoofdstuk 4 was een stochastisch bio-economisch simulatie model ontwikkeld om de kosten van vruchtbaarheidsproblemen op een bedrijf van 200 koeien te schatten. Het model simuleerde moeilijk afkalven, het aan de nageboorte blijven staan, acute baarmoederontsteking, chronische baarmoederontsteking, geen eisprong, cysteuze follikels, suboestrus, en hun complexe onderlinge relaties. Inputwaarden van het model werden daarbij gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en de meningen van experts. Negen scenario’s werden gesimuleerd: Scenario 1 was een basis scenario met alle vruchtbaarheidsproblemen in het model. Scenario’s 2 t/m 8 waren gebaseerd op het eerste scenario, maar waarbij telkens 1 van de vruchtbaarheidsproblemen afwezig was: 2) moeilijk afkalven, 3) het aan de nageboorte blijven staan, 4) acute baarmoederontsteking, 5) chronische baarmoederontsteking, 6) geen eisprong, 7) cysteuze follikels, en 8) suboestrus. In het laatste, negende scenario waren alle vruchtbaarheidsproblemen afwezig. Het nettoresultaat van elk scenario werd over 1 jaar werd berekend. Vervolgens werd het nettoresultaat van de scenario’s zonder een (of meerdere) vruchtbaarheidsproblemen (scenario’s 2 t/m 9) vergeleken met het basis scenario. Dit verschil werd beschouwd als de kosten van de verschillende (of alle zeven) vruchtbaarheidsproblemen. Deze studie toonde aan dat alle zeven vruchtbaarheidsproblemen samen tot een kostenpost leiden van gemiddeld €100 per koe per jaar. De hoogste gemiddelde kosten waren daarbij voor acute baarmoederontsteking (€30/koe/jaar) terwijl de laagste gemiddelde kosten €4 per koe per jaar waren voor moeilijk afkalven. De hoogste gemiddelde kosten per geval waren wederom voor acute baarmoederontsteking (€257/geval) terwijl de laagste gemiddelde kosten per geval voor cysteuze follikels waren (€58/geval). Geconcludeerd werd dat het voorkómen van 1 vruchtbaarheidsprobleem de mate van voorkomen van andere vruchtbaarheidsproblemen zou kunnen voorkomen gezien de onderlinge relaties ertussen, wat de economische schade zou kunnen verminderen.

In Hoofdstuk 5 is de economische impact van de verschillende hormoonstrategieën geëvalueerd, met een aangepaste versie van het simulatie model van Hoofdstuk 4. Deze hormoonstrategieën waren gebaseerd op het structureel gebruik van vruchtbaarheidshormonen bij individuele koeien op een vast moment in de lactatie en werden vergeleken met de gangbare methodiek op Nederlandse melkveebedrijven, waarbij koe-specifieke hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts. Vier hormoonstrategieën werden gemodelleerd: 1) de basisstrategie waarbij hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts, 2) een synchronisatie hormoonprogramma startend op een vast moment na afkalven gevolgd door inseminatie op een vast moment na de hormoonbehandeling (FTAI) 3) synchronisatie hormoonprogramma zoals bij 2) gevolgd door oestrusdetectie (FTAI + ED) en 4) oestrusdetectie gevolgd door een synchronisatie hormoonprogramma en inseminatie op een vast moment AI (ED + TAI). Het nettoresultaat werd berekend voor elk van deze 4 hormoonstrategieën. Vervolgens werd het nettoresultaat van de laatste 3 hormoonstrategieën vergeleken met het nettoresultaat van de basisstrategie. Het hoogste nettoresultaat werd gevonden voor het FTAI + ED hormoonprogramma (strategie 3) met een gemiddeld €23,8 hoger nettoresultaat, gevolgd door de FTAI (€19,6) en de ED + TAI (€14,3) hormoonstrategie. Over het algemeen resulteerde het structureel gebruik van vruchtbaarheidshormonen tot hogere kosten als gevolg van dit hormoongebruik, maar ook door de hogere afkalf- en voerkosten, doordat er meer koeien drachtig werden. Echter, de meeropbrengsten als gevolg van een hogere melkproductie en verkoop van kalveren door meer drachtige koeien, wogen op tegen de extra kosten door een hoger hormoongebruik in de structurele hormoonstrategieën. Hormoonstrategieën waarin vruchtbaarheidshormonen structureel toegepast worden op individuele koeien leveren een winst op ten opzichte van de huidige hormoonstrategie op Nederlandse melkveebedrijven, waarbij koe-specifieke hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts.

In de algemene discussie (Hoofdstuk 6) zijn de resultaten uit de voorgaande hoofdstukken geïntegreerd en de data en gebruikte methoden bediscussieerd. Verdere richtingen voor het gebruik van vruchtbaarheidshormonen op Nederlandse melkveebedrijven worden beschreven en deze dienen gebaseerd te zijn op een verantwoord gebruik, een veterinair advies en overeenkomstig met de Richtlijn “Vruchtbaarheidsbehandelingen als onderdeel van de veterinaire begeleiding van melkveebedrijven” (KNMvD, 2020). Daarnaast zijn mogelijkheden voor verder mogelijk onderzoek naar vruchtbaarheidsproblemen en vruchtbaarheidshormonen aangegeven. Als laatste zijn inzichten vanuit dit proefschrift beschreven die ook relevant kunnen zijn voor kleinschalige melkveebedrijven, zoals in Indonesië.

Gebaseerd op alle bevindingen, zijn de belangrijkste conclusies van dit proefschrift als volgt:

1. Op bedrijfsniveau was een verhoogd hormoongebruik (meer dan 50.6 behandelingen per 100 volwassen koeien per jaar) geassocieerd met een betere vruchtbaarheid, zoals een kortere tussenkalftijd en een korter interval afkalven – eerste inseminatie, maar resulteerde dit wel in gemiddeld meer inseminaties per koe (Hoofdstuk 2).
2. De kennis van veehouders was niet geassocieerd met hun houding ten aanzien van hormoongebruik. Echter, de kennis van veehouders en sterkere opvattingen over de voordelen van het gebruik van hormonen en het gebruik van een behandelingsprotocol waren geassocieerd met een hoger hormoongebruik (Hoofdstuk 3).
3. Een sterkere voorkeur ten aanzien van niet-hormoon gerelateerd vruchtbaarheidsmanagement was geassocieerd met een lager hormoongebruik (Hoofdstuk 3).
4. De complexe onderlinge relaties in acht nemend, waren de gemiddelde jaarlijkse totale kosten van vruchtbaarheidsproblemen op bedrijfsniveau €100 per koe per jaar. De hoogste gemiddelde jaarlijkse kosten waren €30 per koe per jaar voor acute baarmoederontsteking, terwijl de laagste jaarlijkse kosten werden geschat op €4 per koe per jaar voor moeilijk afkalven. Per geval waren de hoogste kosten opnieuw voor acute baarmoederontsteking (€257 per geval) terwijl de laagste kosten voor cysteuze follikels waren (€58/geval; Hoofdstuk 4).
5. Hormoonstrategieën waarbij vruchtbaarheidshormonen structureel toegepast werden, gaven economische voordelen ten opzichte van een strategie waarbij hormonen worden ingezet na diagnose door een dierenarts tijdens een drachtcontrole (Hoofdstuk 5).

Overall beschouwend, en in vergelijk met het huidig gebruik van vruchtbaarheidshormonen in Nederland, leidt een gemiddeld hoger hormoongebruik tot een betere vruchtbaarheid, een hogere melkproductie, en lagere afvoer van melkkoeien. Dit resulteert in economische voordelen voor de melkveehouder. Echter, de beslissing van melkveehouders om meer hormonen te gaan gebruiken lijkt tegenstrijdig met hun voorkeur voor een niet-hormoon gerelateerd vruchtbaarheidsmanagement. Zulke beslissingen zouden verder ook tegemoet moeten komen aan de maatschappelijke druk om het medicijngebruik omlaag te brengen en meer natuurlijk te produceren. Veterinaire richtlijnen voor het gebruik van vruchtbaarheidshormonen zouden daarom in lijn moeten zijn met de maatschappelijk wens voor een lager medicijngebruik zodat een balans gevonden wordt tussen economische en ethische afwegingen.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten