Deel dit project
Nutrition and depressive symptoms: a longitudinal perspective
Samenvatting
Een meer gedetailleerd onderzoek naar de longitudinale associatie tussen serum vitamine D en depressieve stemming is beschreven in Hoofdstuk 4. Twee metingen van serum 25(OH)D werden gebruikt om het verband tussen verandering in serum 25(OH)D en de gelijktijdige verandering in depressieve symptomen over de tijd te bestuderen. Verandering in serum 25(OH)D was niet geassocieerd met verandering in depressieve symptomen in het oudere LASA cohort (173 deelnemers) over een periode van 13 jaar noch in het jongere cohort met een hogere baseline 25(OH)D concentratie (>59 nmol/l, 225 deelnemers) over 6 jaar tijd. Echter, bij deelnemers van dit jongere cohort met lagere baseline 25(OH)D concentraties (<59 nmol/l, 225 deelnemers) hing een verhoging van serum 25(OH)D van 10 nmol/l samen met een verlaging van de CES-D score met 0,62 punten. Kortom, een verhoging van vitamine D zou beschermend kunnen werken tegen depressieve stemming, maar alleen bij mensen van middelbare leeftijd met een lage vitamine D status. Deel II: Voedselgroepen en depressieve symptomen Hoofdstuk 5 beschrijft de prospectieve associaties – in twee richtingen – tussen de inname van voedselgroepen en depressieve symptomen bij 1058 deelnemers (20-102 jaar) van de InCHIANTI studie. Zowel voedingsinname als depressieve symptomen zijn over een periode van 9 jaar viermaal gemeten en al deze gegevens werden gebruikt in de analyses. Associaties tussen de inname van dertien voedselgroepen en 3-jaars veranderingen in depressieve symptomen over de 9 jaar werden onderzocht, evenals de omgekeerde associaties tussen depressieve symptomen en 3-jaars veranderingen in inname van voedselgroepen. Een hogere inname van vis en schelp- en schaaldieren ging gepaard met een afname van depressieve symptomen, terwijl zoetigheden juist samenhingen met een toename van depressieve symptomen. In de omgekeerde richting waren depressieve symptomen geassocieerd met een verminderde inname van zowel groenten als rood en bewerkt vlees, en een verhoogde inname van zowel zuivel als hartige snacks. In geen van beide richtingen werden significante associaties gevonden voor fruit, noten en peulvruchten, aardappelen, volkorenbrood, olijfolie, suikergezoete dranken en vruchtensappen, en koffie en thee. In deze Italiaanse studiepopulatie van voornamelijk ouderen werden bidirectionele, longitudinale associaties gevonden tussen de inname van voedselgroepen en depressieve symptomen. Er werden echter voor geen enkele voedselgroep associaties in beide richtingen gevonden, wat ‘omgekeerde causaliteit’ (‘reverse causality’) uitsluit als reden voor de gevonden associaties. Deel III: Depressieve symptomen en voedingspatronen In Hoofdstuk 6 werden associaties tussen verschillende depressie-determinanten en het gehele voedingspatroon, gekwantificeerd met voedingskwaliteit-indexen, onderzocht bij 1322 LASA deelnemers van 55 jaar en ouder. Naast huidige depressieve symptomen (1) werden veranderingen in depressieve symptomen op korte termijn (2) en voorgeschiedenis van depressieve symptomen op lange termijn (3) gebruikt als determinant. Scores op drie voedingskwaliteitsindexen in 2014/2015 werden gebruikt als uitkomstmaat: ‘Mediterranean Diet Score’ (MDS), ‘Alternative Healthy Eating Index’ (AHEI) en ‘Dietary Approaches to Stop Hypertension diet’ (DASH); een hogere score duidt op een gezonder voedingspatroon. Huidige depressieve symptomen (CES-D score ≥16) waren gerelateerd aan lagere MDS- en AHEI-scores bij mannen, maar niet bij vrouwen. Ook chronische/recidiverende depressieve symptomen over 2 tot 5 jaar (CES-D score ≥16 in zowel 2011-2013 als in 2015/2016) hingen samen met lagere MDS-scores en een trend voor lagere AHEI-scores, vergeleken met geen depressieve symptomen (CES-D score <16 op beide tijdstippen). Een voorgeschiedenis van depressieve symptomen over 2 tot 14 jaar (ooit CES-D score ≥16 van 2001-2003 tot 2011-2013) was alleen bij mannen geassocieerd met lagere MDS- en AHEI-scores. Geen van de depressie-determinanten was consistent geassocieerd met de DASH-score. Bij mensen die depressieve symptomen ontwikkelden of waarvan de depressieve symptomen verdwenen werd met geen enkele voedingskwaliteit-index een associatie gevonden. Deze studie suggereert dat zowel huidige depressieve symptomen als een voorgeschiedenis van depressieve symptomen gerelateerd zijn aan een ongezonder voedingspatroon, voornamelijk bij mannen. Conclusie In Hoofdstuk 7 wordt een van de belangrijkste bevindingen van dit proefschrift gegeven en worden methodologische aspecten bediscussieerd. Verder worden aanbevelingen voor vervolgonderzoek en implicaties voor de volksgezondheid en klinische praktijk besproken. Er wordt geconcludeerd dat vitamine B12 concentratie niet geassocieerd is met daaropvolgende depressieve symptomen bij ouderen. Hogere vitamine D concentraties leken samen te hangen met (het ontwikkelen van) minder depressieve symptomen, maar alleen in specifieke bevolkingsgroepen. Een hogere visinname en een lagere inname van zoetigheden waren geassocieerd met minder daaropvolgende depressieve symptomen in ouderen. In de omgekeerde richting hingen depressieve symptomen samen met een afname van de inname van vlees en groenten, en een toename van de inname van zuivel en hartige snacks. Tenslotte waren, vooral bij oudere mannen, zowel huidige depressieve symptomen als een voorgeschiedenis van depressieve symptomen gerelateerd aan een lagere voedingskwaliteit. Samenvattend laten de studies in dit proefschrift enige longitudinale associaties zien, maar de bescheiden effectschattingen en het regelmatig ontbreken van associaties geven aan dat voorzichtigheid geboden is over het bestaan van bidirectionele associaties tussen voeding en depressie. In het licht van dit proefschrift en eerdere literatuur lijken specifieke voedingsstoffen minder belangrijk te zijn in relatie tot depressieve symptomen dan de inname van voedselgroepen en het hele voedingspatroon. Omgekeerd lijkt een depressieve stemming negatief gerelateerd te zijn aan de daaropvolgende voedingskwaliteit, d.w.z. gerelateerd aan minder gezonde voedselgroepen en voedingspatronen. Het eten van een gezond voedingspatroon wordt aanbevolen voor de algemene bevolking vanwege de gunstige effecten op de lichamelijke gezondheid en, mogelijk en gedeeltelijk ondersteund door dit proefschrift, ook op de psychische gezondheid. Er is echter nog steeds beperkt bewijs voor de causaliteit en bidirectionaliteit van de voeding–depressie relatie. Toekomstig onderzoek is nodig om de rol van de inname van voedselgroepen en voedingspatronen in het beloop en de ontwikkeling van depressie nader te onderzoeken en om te bestuderen of en hoe depressieve stemming de voedingsinname beïnvloedt. Deze kennis is vereist voor strategieën ter preventie van depressieve symptomen en de optimale zorg op voedingsgebied voor mensen met een depressie.
Bekijk ook deze proefschriften
Sepsis in the intensive care unit
Novel diagnostic and therapeutic opportunities for Cystic Fibrosis
Unravelling the Genomic Landscape of Metastatic Prostate Cancer
Evidence-Based Strategies to Support Diagnostic and Therapeutic Decision-Making in Endocrine Tumors of the Head and Neck
Wij drukken voor de volgende universiteiten





















