{"id":9487,"date":"2026-04-08T08:59:29","date_gmt":"2026-04-08T08:59:29","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/michel-weijerman\/"},"modified":"2026-04-23T08:07:52","modified_gmt":"2026-04-23T08:07:52","slug":"michel-weijerman","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/michel-weijerman\/","title":{"rendered":"Michel Weijerman"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":13253,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-9487","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Consequences of Down syndrome for patient and family","samenvatting":"Dit proefschrift beschrijft de huidige stand van zaken met betrekking tot kinderen met het syndroom van Down (DS) in relatie tot de prevalentie, morbiditeit, mortaliteit en kwaliteit van leven (KvL). DS is \u00e9\u00e9n van de meest voorkomende chromosomale afwijkingen en wordt gekarakteriseerd door verschillende dysmorfe kenmerken en een vertraagde psychomotore ontwikkeling. Kinderen met DS hebben ook een verhoogd risico op begeleidende aangeboren en orgaanafwijkingen, zoals aangeboren hart- en maag-darmafwijkingen, coeliakie en hypothyroidie.\n\nDankzij de verbeteringen in de totale DS-gerelateerde medische zorg, is de DS-overleving sterk verbeterd. De mediane leeftijd bij overlijden bij het DS is significant gestegen. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld betrof het een stijging van de mediane leeftijd bij overlijden van 25 jaar in 1983 tot 49 jaar in 1997. Voorspellingen met betrekking tot de levensverwachting suggereren, dat al in de nabije toekomst rond de 44% van de mensen met DS de leeftijd van 60 zullen bereiken en 14% zelfs de leeftijd van 68. Deze levensverwachting maakt het noodzakelijk dat ook gedurende deze totaal langere levensduur de noodzakelijke zorg voor mensen met het DS nodig is en daar zal rekening mee moeten worden gehouden.\n\nHoofdstuk 2 beschrijft de morbiditeit en strategie\u00ebn op basis van het best beschikbare bewijs (\u201cbest evidence\u201d), gebaseerd op de meest relevante en huidige beschikbare literatuur passend bij optimale zorg aan het kind met DS. Aangeboren hartafwijkingen en respiratoire infecties zijn de meest frequent gerapporteerde medische aandoeningen op overlijdensaktes van personen met DS.\n\nHoofdstuk 3 beschrijft de prevalentie, neonatale kenmerken en mortaliteit in het eerste levensjaar van kinderen met het DS. De prevalentie van het DS wordt voor een groot deel bepaald door socio-culturele variabelen. In landen waar abortus illegaal is, zoals bijvoorbeeld Ierland en de Verengde Arabische Emiraten, is de prevalentie hoger. Daarentegen is in Frankrijk de DS-prevalentie laag en dit is waarschijnlijk het gevolg van het hoge percentage DS-zwangerschapsonderbrekingen aldaar.\n\nIn onze studie berekenden wij een DS-prevalentie in Nederland in 2003 van 16 per 10.000 levend geborenen, bijna anderhalf maal zoveel vergeleken met de Eurocatregistraties in Noord-Nederland tussen 1981 en 1990, met DS-prevalenties van respectievelijk 10,6 en 12,8 per 10.000 levend geborenen.\n\nDe hogere leeftijd van de moeders en de verbeterde overleving van zuigelingen met het DS hebben de effecten van de prenatale diagnostiek gevolgd door zwangerschapsbe\u00ebindiging en de daling van het geboortecijfer overtroffen. In de afgelopen decennia was er sprake van een behoorlijke toename van de levensverwachting van kinderen met het DS. In Nederland daalde de mortaliteit bij kinderen met DS in het eerste levensjaar van 7% in 1992 tot 4% in 2003. Dit is nog steeds in tegenstelling met de 0,48% mortaliteit in het eerste levensjaar bij kinderen in de referentiepopulatie in Nederland in 2003. De daling van the DS-mortaliteit wordt vooral verklaard door de succesvolle vroege chirurgische behandeling van aangeboren hartafwijkingen en de verbeterde behandeling van aangeboren afwijkingen van het maag-darmstelsel. De levensverwachting van kinderen met het DS is vooral afhankelijk van het risico op overlijden in het eerste levensjaar. Onze studie toonde tevens enkele opmerkelijke bevindingen, zoals de observatie dat kinderen met DS minder vaak borstgevoed werden en dat 86% van de kinderen met DS vlak na de geboorte werd opgenomen in een ziekenhuis.\n\nHoofdstuk 4 beschrijft de prevalentie van coeliakie. We vonden een prevalentie van coeliakie bij kinderen met het DS van 5,2%. Dat is zo\u2019n 10 keer vaker dan bij de algemene Nederlandse bevolking. Bij alle 155 kinderen met DS die aan onze studie deelnamen werden bloedmonsters afgenomen en random bij 9 van hen ook wanguitstrijkjes. Een humaan leukocyten antigeen (HLA)-DQ-typering werd verricht en de immunoglobulin A anti-endomysium-(EMA) en anti-tissue transglutaminase antilichamen (TGA) werden bepaald. HLA-typering verkregen bij de kinderen met DS door middel van een wanguitstrijkje heeft het grote voordeel voor het kind dat er geen vervelende bloedafname hoeft te worden verricht.\n\nDrie\u00ebnzestig kinderen (40,6%) hadden positieve testresultaten voor HLA-DQ2 en\/of HLA-DQ8. Het resultaat van de HLA-DQ-typering van het DNA ge\u00efsoleerd uit het bloed en door middel van het wanguitstrijkje was identiek. Acht van de kinderen die een positief resultaat hadden voor HLA-DQ2\/8 waren ook positief voor EMA en TGA. Coeliakie werd in zeven van hen bevestigd door middel van een darmbioptie en in \u00e9\u00e9n van hen werd coeliakie overwogen op basis van een verbetering na gebruik van een glutenvrij dieet.\n\nOp basis van onze resultaten en de literatuurbevindingen raden wij aan om een HLA-DQ2\/8-typering te verrichten door middel van een wanguitstrijkje in het eerste levensjaar en over te gaan tot serologische screening bij kinderen met het DS, die HLA-DQ2 of -DQ8 positief zijn, op de leeftijd van 3 jaar. Hierdoor ontstaat een selectie van kinderen met het DS die gescreend moeten worden en een groep kinderen die geen verdere coeliakiescreening meer nodig hebben, omdat de negatief voorspellende waarde van de HLA-DQ-typering bijna 100% is.\n\nHet vroeg in het leven bekend zijn van de negatieve HLA-DQ2\/8-status stelt de ouders gerust dat hun kind met het DS geen risico op coeliakie heeft. Een positieve HLA-DQ2\/8-status stelt de ouders van kinderen met het DS in staat gebruik te maken van preventieve mogelijkheden (Hoofdstuk 8).\n\nHoofdstuk 5 beschrijft de prevalentie van aangeboren hartafwijkingen en persisterende pulmonale hypertensie van de neonaat (PPHN) bij kinderen met het DS en de impact van hartafwijkingen op de neonatale factoren. Het betrof een prospectieve studie van een geboortecohort van kinderen met het DS, geboren tussen 2003 en 2006, geregistreerd door het Nederlands SignaleringsCentrum Kindergeneeskunde (NSCK). Een aangeboren hartafwijking werd gevonden bij 43% van de 482 kinderen met een trisomie 21. Een atrioventriculair septumdefect werd gevonden bij 54%, een ventrikel septumdefect bij 33,3% en een persisterende open ductus Botalli bij 5,8%. De incidentie van PPHN bij het DS was 5,2%, hetgeen significant hoger was dan in de algemene populatie. De gerapporteerde mortaliteit bij pasgeborenen met het DS was in totaal 3,3% en was nog steeds significant hoger bij kinderen met DS met een aangeboren hartafwijking in vergelijking tot de kinderen zonder hartafwijking (5,8% versus 1,5%). De aanwezigheid van een aangeboren hartafwijking bij kinderen met het DS had geen invloed op hun geboortegewicht, gemiddelde zwangerschapsduur en Apgarscore.\n\nHoofdstuk 6 beschrijft de vaak optredende longproblemen bij kinderen met het DS. Terugkerend piepen (\u201crecurrent wheeze\u201d) wordt in meer dan een derde van de kinderen met het DS gerapporteerd. Het doel van onze studie was om de prevalentie van actueel piepen (\u201ccurrent wheeze\u201d) bij kinderen met het DS te vergelijken met hun broertjes en zusjes en met een niet-gerelateerde controlepopulatie. Het betrof een case-controlstudie, waarbij de \u201cInternational Study of Asthma and Allergy in Childhood\u201d vragenlijst bedoeld voor respiratoire klachten werd ingevuld door de ouders van 130 kinderen met het DS, voor 167 van hun broertjes en zusjes en door de ouders van 119 voor leeftijd en geslacht vergelijkbare controlekinderen uit de algemene populatie. Zowel het antwoord op ooit piepen (\u201cwheeze ever\u201d) als op piepen (\u201cwheeze\u201d) gedurende de laatste 12 maanden werd vaker gerapporteerd bij kinderen met het DS dan bij hun broertjes en zusjes, alsook bij de controlegroep. Het relatieve risico op het krijgen van \u201ccurrent wheeze\u201d was 2,80 vergeleken met de broertjes en zusjes en 2,75 vergeleken met de controlegroep. Een door een arts bevestigde diagnose astma werd bij 3,1% van de kinderen met DS gevonden, vergeleken met 4,2% bij de broertjes en zusjes en 6,7% bij de controlegroep. Gedurende de 4 jaar lange vervolgperiode werd bij g\u00e9\u00e9n van 24 kinderen met het DS met \u201ccurrent wheeze\u201d de diagnose astma bevestigd, bovendien werd er ook bij geen van hen atopie aangetoond.\n\nBij kinderen met het DS en klachten van piepen, valt een aantal DS specifieke pathofysiologische factoren te overwegen, zoals anatomische en immunologische factoren. Piepen komt vaak voor bij kinderen met het DS. Wij achten het waarschijnlijk dat de oorzaak hiervan vooral samenhangt met DS-specifieke factoren en waarschijnlijk niet past bij astma en\/of atopie.\n\nHoofdstuk 7 beschrijft zowel de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven (KvL) van peuters (1-5 jaar) met DS, vergeleken met een referentiegroep, alsook de determinanten die bepalend zijn voor hun KvL. KvL werd gemeten met de \u201cTNO-AZL preschool children Quality of Life Questionnaire\u201d (TAPQoL). De mentale ontwikkeling werd bepaald door middel van de \u201cBayley Scales of Infant Development second version\u201d (BSIDII). Gedragsproblemen werden gemeten met de \u201cChild Behavior Checklist\u201d (CBCL), de functionele status werd gemeten met de aangepaste Nederlandse versie van de \u201cPediatric Evaluation of Disability Inventory\u201d (PEDI). Gezondheidsproblemen werden bestudeerd aan de hand van de medische statussen. Het opleidingsniveau van de moeder werd gedefinieerd als hoger, middelbaar en lager beroepsonderwijs. Vijfenvijftig kinderen met DS (gemiddelde leeftijd 40,6 maanden SD 12,8) en hun ouders namen deel aan deze studie. In onze studie werd de gezondheidsgerelateerde KvL be\u00efnvloed door het ontwikkelingsquoti\u00ebnt (development quotient, DQ), long- en maagdarmgezondheidsproblemen, probleemgedrag en het opleidingsniveau van de moeders. Aangeboren hartafwijkingen en adaptieve functies daarentegen hadden geen invloed op de KvL. Onze toekomstige behandeldoelen bij kinderen met het DS zouden moeten worden gewijzigd en er zou aandacht moeten worden besteed aan de problemen die gezondheidsgerelateerde KvL bij kinderen met het DS be\u00efnvloeden.\n\nConclusie (Hoofdstuk 8)\nOp dit moment is het resultaat van medische zorg en de mortaliteit bij kinderen met het DS verbeterd en het DS wordt meer geaccepteerd in onze westerse wereld. Kinderen die onlangs geboren zijn met het DS, ondervinden een andere, positievere houding bij familie en omgeving, maar ook bij de werkers in de gezondheidszorg. Tevens is het op DS gerichte kennisniveau beter dan jaren geleden. Het DS-fenotype is een inmiddels bekend en goed te voorspellen beeld, waardoor we beter in staat zijn om de juiste hulp te bieden aan kinderen met het DS en hun familie. We zullen eraan moeten werken om tot een beter begrip voor de families te komen en om het beleid voor mensen met het DS te optimaliseren om te kunnen functioneren en onafhankelijk te leven.\n\nIn het besluitvormingsproces van ouders of zij hun DS-zwangerschap voortzetten of be\u00ebindigen kan een kinderarts met voldoende kennis over het actuele beeld van het welzijn van kinderen met het DS een belangrijke, zelfs centrale, rol spelen voor deze ouders.\n\nDe prevalentie van het DS zal altijd het netto-effect zijn van de balans tussen de technische mogelijkheden aan de ene kant en het persoonlijk gevoel van toekomstige ouders aan de andere kant en is moeilijk te voorspellen aan de hand van het best beschikbare bewijs (\u201cevidence\u201d) alleen.","summary":"This thesis describes the current state of children with Down syndrome (DS) in relation to the prevalence, morbidity, mortality and quality of life. DS is one of the most common chromosomal abnormalities and is characterized by several dysmorphic features and delayed psychomotor development. Children with DS also have an increased risk of concomitant congenital defects and organic disorders such as congenital heart defect (CHD) and gastrointestinal defects, celiac disease (CD) and hypothyroidism.\n\nBecause of medical improvements in overall DS related medical care, the survival of individuals with DS has increased considerably. The median age at death of individuals with DS has risen significantly, in the US for instance there was a rise from 25 years of age in 1983 to 49 in 1997. Estimates of life expectancy suggest, that about 44 % of persons with DS will reach the age of 60 and 14 % will reach the age of 68 in the near future. This life expectancy requires giving the necessary care to the individual with DS over their total longer lifespan, this should be taken into account.\n\nChapter 2 describes the morbidity and strategies on the base of \u201cbest evidence\u201d, based on the most relevant literature currently available for optimal care of the child with DS. CHD and respiratory infections are the most frequently reported medical disorders on death certificates for individuals with DS.\n\nChapter 3 describes the prevalence, neonatal characteristics, and first-year mortality of children with DS. To a large extent, the prevalence of DS depends on socio-cultural variables. In countries where abortion is illegal such as Ireland and the United Arab Emirates, its prevalence is higher. Conversely, in France DS prevalence is low, and this is probably due to a high percentage of DS pregnancy terminations. In our study we estimated the DS prevalence in The Netherlands in 2003 at 16 per 10,000 live births, an almost 1\u00bd time increase compared with Eurocat registrations in the northern Netherlands between 1981 and 1990, which show DS prevalences of respectively 10.6 per and 12.8 per 10,000 live births. Increasing maternal age and improved survival rates for infants with Down syndrome have outweighed the effects of prenatal diagnosis followed by the termination of pregnancy and a declining general birth rate. Recent decades have seen a substantial increase in the life expectancy of children with DS. In The Netherlands, the infant mortality rate in children with DS dropped from 7.07% in 1992 to 4% in 2003, this is in contrast with the 0.48% infant mortality of the reference population in The Netherlands in 2003. The fall in DS mortality was mainly related to the successful early surgical treatment of CHD and to the improved treatment of congenital anomalies of the gastrointestinal tract. The life expectancy of children with DS is primarily dependent on the risk of mortality in the first year of life. Furthermore our study showed remarkable observations, children with DS were less often breast-fed and 86% of the children with DS were hospitalized after birth.\n\nChapter 4 describes the prevalence of CD. We found a prevalence of CD in children with DS of 5.2% (10 times higher than the general Dutch population). In our study blood samples were taken from all 155 studied children with DS, and random we collected buccal swabs from 9 of them. Human leukocyte antigen (HLA)-DQ typing was performed, and immunoglobulin A anti-endomysium-(EMA) and anti-tissue transglutaminase antibodies (TGA) were measured. HLA-typing obtained on buccal swabs from the children with DS has the benefit of avoiding the unpleasant collection of blood. Sixty-three children (40.6%) had test results that were positive for HLA-DQ2 or HLA-DQ8. Results of HLA DQ-typing of DNA isolated from blood and buccal swabs were identical. Eight of the children in whom test results were positive for HLA-DQ2\/8 also had positive test results for EMA and TGA. CD was confirmed in 7 of these children with an intestinal biopsy, and in 1 child, CD was suggested with improvement on a gluten-free diet. We recommend on the base of our results and literature HLA-DQ2\/8 typing from buccal swabs in the first year of life and initiating serologic screening of children with DS in whom test results are positive for HLA-DQ2 or DQ8 at age 3 years. This would allow the further selection of a group needing to be screened and a group that can be excluded from further screening because the negative predictive value of the HLA-DQ typing is almost 100%. Early knowledge of negative HLA-DQ2\/8 status can reassure those parents that their children do not have a CD risk. A positive HLA-DQ2\/8 status may give the parents of the children with DS the opportunity to use preventive options (Chapter 8).\n\nChapter 5 describes the assessment of the prevalence of CHD and persistent pulmonary hypertension of the neonate (PPHN) in children with DS and the impact of CHD on neonatal factors. It was a prospective study of a birth cohort of children with DS born between 2003 and 2006 registered by the Dutch Paediatric Surveillance Unit. A CHD occurred in 43% of 482 children with trisomy 21. Atrioventricular septal defect was found in 54%, ventricular septal defect in 33.3% and patent ductus arteriosus in 5.8%. The incidence of PPHN in DS was 5.2%, which is significantly higher than the general population. The reported mortality in newborns with DS was overall 3.3% and was still significant higher in children with a CHD versus no CHD (5.8% versus 1.5%). The presence of a CHD in children with DS had no influence on their birth weight, mean gestational age and Apgar score.\n\nChapter 6 describes the frequently occurring respiratory problems in children with DS. Recurrent wheezing has been reported in more than one-third of children with DS. The aim of this study was to compare the prevalence of current wheeze in children with DS, their siblings, and nonrelated population controls. This was a case-control study in which the International Study of Asthma and Allergy in Childhood questionnaire for respiratory symptoms was completed by parents of 130 children with DS, for 167 of their siblings, and by the parents of 119 age- and sex-matched control children from the general population. Both wheeze ever and wheeze during the last 12 months were more commonly reported in DS than in their siblings or controls. The relative risk of current wheeze in DS was 2.8 compared with siblings, and 2.75 compared with controls. A doctor\u2019s diagnosis of asthma was found in 3.1% in children with DS, in 4.2% in siblings and in 6.7% in controls. During 4-years follow-up, the diagnosis of asthma could not be confirmed in the 24 DS children with current wheeze, and atopy was found in none of them. In children with DS and wheeze a number of DS specific pathophysiological factors should be considered, like anatomical and immunological problems. Wheeze is common in children with DS, we found it likely to be related to the factors specific for DS and probably unrelated to asthma and atopy.\n\nChapter 7 describes Health-Related Quality of Life (HRQoL) in preschool children with DS, compared to a reference group and identifies determinants for HRQoL. HRQoL was measured with the TNO-AZL preschool children Quality of Life Questionnaire (TAPQoL). Mental development was assessed by means of the Bayley Scales of Infant Development second version (BSIDII). Behavioural problems were measured with the Child Behavior Checklist (CBCL), functional status was assessed with the Dutch adaptation of the Pediatric Evaluation of Disability Inventory (PEDI). Health problems were studied using the medical file. Maternal education was defined as higher-, senior secondary- or junior vocational education. Fifty-five children with DS (mean age 40.6 months SD 12.8) and their parents participated in this study. In our study of preschool children with DS the HRQoL is influenced by developmental quotient, respiratory and gastro-intestinal health problems, problem behaviour, and maternal education, but not by CHD and adaptive function. Our goals for treatment should be altered and attention should be given to the underlying causes which influence HRQoL in children with DS.\n\nConclusion (Chapter 8)\n\nNowadays the outcome of medical aspects and mortality is improved and DS is more accepted in the Western World. Children with DS born recently meet family and community as well as health care attitudes, that are more positive and DS educated than years ago. The DS phenotype is well understood so we are better prepared to support the child with DS and their families. However, more work has to be done on the understanding of families and community processes that optimize function and independent living. In the parents\u2019 decision-making process, whether to continue or stop their DS pregnancy a pediatrician with sufficient knowledge of the current well-being of children with DS can play an important even central role for these parents. The prevalence of DS will always be the net effect of the balance of the technical possibilities on the one hand and the personal feelings of the future parents on the other hand and is not easy to predict on the base of evidence only.","auteur":"Michel Weijerman","auteur_slug":"michel-weijerman","publicatiedatum":"22 december 2011","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/michelweijerman?iframe=true","url_download_pdf":"","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604080856","isbn":"978-90-865-9572-3","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","afbeeldingen":13253,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/9487","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=9487"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/9487\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":9490,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/9487\/revisions\/9490"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/13253"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=9487"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=9487"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}