{"id":8671,"date":"2026-04-06T10:09:19","date_gmt":"2026-04-06T10:09:19","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/lonneke-ijsseldijk\/"},"modified":"2026-04-06T10:09:25","modified_gmt":"2026-04-06T10:09:25","slug":"lonneke-ijsseldijk","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/lonneke-ijsseldijk\/","title":{"rendered":"Lonneke Ijsseldijk"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":8672,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-8671","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Living on a knife-edge","samenvatting":"Bruinvissen zijn charismatische en beschermde dieren. Dit heeft als gevolg dat er een brede maatschappelijke, wetenschappelijke en politieke interesse is in hun gezondheid en welzijn. Bruinvissen zijn een integraal onderdeel van het mariene voedselweb en hebben een algemene verspreiding, wat erin resulteert dat ze een focussoort zijn in veel onderzoeksprogramma\u2019s die de toestand van het milieu in de zee monitoren. Deze programma's zijn over het algemeen gericht op het vergroten van de kennis over de invloed van mensgerelateerde activiteiten op zee en op de bruinvispopulaties, met als doel het beschermen en behouden van deze dieren en hun leefgebied.\n\nDe Noordzee is wereldwijd gezien een enorm druk gebied waar veel menselijke activiteiten, veelal tegelijkertijd, plaatsvinden. Bruinvissen zijn in de Noordzee de meest voorkomende walvissoort, met een geschat aantal van zo\u2019n 350.000 individuen. Een hoog aantal bruinvissen gecombineerd met veel menselijke activiteiten betekent dat veel dieren worden blootgesteld aan verschillende bedreigingen. Dit zijn onder andere visserij, chemische vervuiling en onderwatergeluid van verschillende bronnen, zoals de scheepvaart, seismisch onderzoek en ontploffingen van oude munitie. Aanvullend daarop is er de laatste jaren een stijging van het aantal offshore-activiteiten voor de bouw van onder andere windparken. Ook worden de grootschalige effecten van klimaatverandering, zoals veranderingen in prooi kwantiteit en kwaliteit, steeds duidelijker zichtbaar. Individuele en cumulatieve stressoren bedreigen de directe overleving van individuele bruinvissen, maar kunnen ook niet-dodelijke effecten veroorzaken die van invloed zijn op de levensvatbaarheid van de populatie en de gezondheid van het milieu.\n\nEen vijfde van de gehele bruinvispopulatie leeft in het Nederlandse gedeelte van de Noordzee. Een hoog aantal kustwaarnemingen in Nederland correspondeert met een hoog aantallen strandingen. Strandingsregistratie wordt door het vrijwillige strandingsnetwerk gedaan. Daarnaast wordt een deel van de gestrande bruinvissen postmortaal onderzocht om hun doodsoorzaak en gezondheidsstatus te monitoren. Tijdens de secties worden ook monsters genomen voor aanvullend onderzoek, onder andere naar reproductie, dieet en chemische vervuiling. Deze onderzoeken moeten inzage geven in de gezondheid van de populatie of, in bredere zin, in de gezondheid van het milieu. De beschikbare kennis over bedreigingen en de effecten op bruinvissen is echter onvolledig. Dat komt vooral omdat de meeste onderzoeks- en beheersinspanningen worden uitgevoerd op nationaal niveau, terwijl een grensoverschrijdende en multidisciplinaire benadering een nauwkeurigere beoordeling van de gezondheidstoestand zou overhevelen. Bruinvissen kennen immers geen landgrenzen. Het combineren van meerdere disciplines, waaronder biologie, ecologie, toxicologie, epidemiologie en pathologie, biedt de mogelijkheid om methoden en meetinstrumenten te ontwikkelen die helpen bij het bepalen en beoordelen van de meest relevante natuurlijke en antropogene bedreigingen voor bruinvissen in de Noordzee. De ambitie van dit proefschrift is om bij te dragen aan deze ontwikkeling en de toepassing daarvan.\n\nIn hoofdstuk 1 wordt de bruinvis ge\u00efntroduceerd als een van de kleinste walvisachtigen en een warmbloedig zeezoogdier, die volledig is aangepast aan het leven in zee. Dat brengt verschillende uitdagingen met zich mee, met in het bijzonder het behouden van een gunstige voedingstoestand. Bruinvissen zijn opportunistische roofdieren en hebben continu voedsel nodig om aan hun energiebehoefte te voldoen, aangezien zij tot 10% van hun eigen lichaamsgewicht aan prooi per dag nodig hebben. Dit geeft ze metabolisch gezien weinig \u2018speelruimte\u2019, ze leven op het scherpst van de snede.\n\nIn hoofdstuk 2 volgt een overzicht van ontbrekende kennisonderwerpen, met welke bedreigingen bruinvissen te maken hebben en een lijst van onderzoeksindicatoren voor toekomstige monitoring. Dit overzicht is tot stand gekomen door het verzamelen van de meest recente kennis van experts over bedreigingen voor bruinvissen, aan de hand van de zogenaamde Delphi-benadering. Het panel van experts bestond uit mensen die werkzaam zijn binnen bruinvisonderzoek en -beheer, in alle landen rond de Noordzee. De drie belangrijkste onderwerpen waarvan kennis nodig is, zijn volgens het expertpanel: bijvangst, populatiedynamiek en de cumulatieve effecten van meerdere stressoren. Bijvangst werd beoordeeld als de grootste bedreiging voor bruinvissen in de komende 20 jaar, gevolgd door respectievelijk chemische vervuiling en geluidsoverlast. Als meest essenti\u00eble indicatoren, die in de toekomst kunnen dienen om de gezondheidstoestand van bruinvissen te monitoren, werden genoemd: onderzoek naar doodsoorzaak, verspreiding, populatiegrootte, habitatgebruik en dieetsamenstelling. Deze resultaten vormden de leidraad voor de thema's van de opvolgende hoofdstukken van dit proefschrift.\n\nEen grootschalige en internationale samenwerking volgde (hoofdstuk 3), waarbij tijdruimtelijke patronen in het aantal bruinvisstrandingen in het Noordzeegebied werden onderzocht. Een dataset met gegevens van 16.181 strandingen over 28 jaar, verkregen van nationale strandingsnetwerken van vijf landen grenzend aan de Noordzee, werd geanalyseerd. Er werd een hoge dichtheid van pasgeboren bruinvissen op de kust van Denemarken en Duitsland gevonden. Dit kan betekenen dat deze regio belangrijk is voor bruinvissen tijdens of vlak na de geboorte. Daarnaast werden grote aantallen jonge mannetjes langs het zuidelijke deel van de Noordzee gevonden, waaronder op de Nederlandse kust. Dit kan een teken zijn dat zwakkere dieren in de populatie vooral in het zuidelijke deel van de Noordzee voorkomen. Ook kan het duiden op een ruimere verspreiding van specifiek jonge mannetjes. Sinds 1990 nam het aantal strandingen in de hele regio toe, met specifiek in het zuidelijke deel van de Noordzee een opvallende toename vanaf 2005. Dit benadrukt de noodzaak om het onderzoek specifiek op dit gebied te richten.\n\nBijvangst in de visserij werd door experts naar voren gebracht als grootste zorg voor bruinvissen in de Noordzee (hoofdstuk 2) en om die reden werd het de focus van hoofdstuk 4. Bijvangstaantallen kunnen worden vastgesteld door waarnemers aan boord van schepen, elektronische monitoring en het vrijwillig rapporteren door vissers. Dit alles wordt echter niet systematisch gedaan. Secties op gestrande bruinvissen kunnen aanvullend inzicht verschaffen in bijvangstaantallen. Er zijn alleen onzekerheden als het gaat om het vaststellen van bijvangst bij gestrande dieren, voornamelijk door het ontbreken van diagnostische hulpmiddelen die specifiek kunnen bepalen of een dier is overleden als gevolg van verstikking onderwater. Uit de literatuur werden 25 criteria verzameld, die gebruikt worden bij de beoordeling van bijvangst bij kleine walvisachtigen. De aan- of afwezigheid van deze kenmerken zijn vervolgens in kaart gebracht bij bruinvissen die in Nederland uit kieuwnetten verkregen waren (n=12). De aanwezigheid van \u2018oppervlakkige incisies\u2019, \u2018omcirkelende afdrukken\u2019 en \u2018recent voedsel\u2019 werd bij het overgrote deel van de bijvangstgevallen geconstateerd. Andere criteria, zoals 'longoedeem', 'longemfyseem' en 'congestie van organen' werden ook vaak gediagnosticeerd, maar zijn niet-specifieke kenmerken voor verstikking onderwater, omdat dit ook veel wordt gezien bij walvisachtigen met een andere doodsoorzaak. Opvallend was dat met name de criteria 'een gunstige gezondheidstoestand', 'de afwezigheid van ziekte' of 'een goede voedingstoestand' niet van toepassing waren op de meerderheid van de bruinvissen. Bij het beoordelen van de bijvangst onder gestrande bruinvissen worden gevallen met dergelijke pathologische bevindingen vaak uitgesloten. Dit kan leiden tot een onderschatting van het aandeel strandingen dat verband houdt met de visserij.\n\nDe volgende studie (hoofdstuk 5) had als focus chemische vervuiling. Met name de overdracht van chemische stoffen bij bruinvissen. Persistente organische verontreinigende stoffen, zoals polychloorbifenylen (PCBs), stapelen op in mariene ecosystemen. Toppredatoren, zoals de bruinvis, hebben daardoor hoge PCB-niveaus in hun weefsel. Er werden metingen gedaan in verschillende weefsels, waaronder blubber, van bruinvissen uit alle leeftijdsgroepen. PCBs worden al aan foetussen doorgegeven via de navelstreng. Het PCB-gehalte neemt vervolgens aanzienlijk toe na de geboorte en zodra het kalf gaat zogen bij de moeder. Moedermelk bevat vooral lager gehalogeneerde stoffen, welke meer toxisch zijn. Pasgeboren bruinvissen worden dus al vroeg in hun leven blootgesteld aan hoge niveaus van verontreinigde stoffen. Van alle onderzochte dieren had 38,5% PCB-concentraties die de drempelwaarde voor negatieve gezondheidseffecten overschreden. Dit waren met name volwassen mannetjes (92,3%). Bij de volwassen vrouwtjes werden veel lagere PCB-niveaus vastgesteld (10,5%), omdat zij die via het geven van melk konden kwijtraken. Daarnaast werd duidelijk dat nutritionele stress leidt tot een hogere afgifte van PCBs via de melk, wat een groter potentieel voor toxiciteit veroorzaakt bij kalveren van vrouwtjes die vermagerd zijn.\n\nIn veel literatuur wordt beschreven dat reproductiestoornissen bij kleine walvisachtigen voornamelijk komt door PCB-vervuiling. In hoofdstuk 5 werd echter bij de minderheid van de volwassen vrouwtjes een reproductiestoornis waargenomen. Daarom richtte de volgende studie (hoofdstuk 6) zich op de voortplanting van vrouwelijke bruinvissen, met daarbij in het bijzonder de focus op leeftijd bij geslachtsrijpheid, zwangerschapspercentages en foetale groei. Er werd onderzocht of vrouwtjes de investering in hun foetus opgeven wanneer ze zelf in een slechte fysieke conditie zijn of in verslechterende omgevingsomstandigheden verkeren, vermoedelijk om de eigen overleving voorrang te geven. Gegevens over ziekte, dieet, vetreserves en reproductieve status, verkregen uit postmortaal onderzoek, werden gebruikt. Dit werd aangevuld met informatie over zwangerschappen en geslachtsrijpheid uit de literatuur, vanuit zestien andere leefgebieden van de bruinvis. Deze gegevens werden vervolgens gecorreleerd aan variabelen die de omgevingsconditie weerspiegelen: gemiddelde energiedichtheid van prooi uit de lokale di\u00ebten, menselijke activiteiten en PCB-belasting. De voedingsstatus van de moeder bleek significante effecten op de grootte van de foetus te hebben. Vrouwtjes in slechte gezondheid hadden een lagere kans om zwanger te zijn of konden de zwangerschap niet voldragen. Zwangerschap werd het best verklaard door de energiedichtheid van lokale prooi: de groep volwassen vrouwtjes uit populaties die vis aten met hogere energetische waardes had een hoger zwangerschapspercentage dan de groep die vis van lagere energetische waarde had gegeten. De kwaliteit van de gegeten prooi lijkt dus bepalend voor het reproductiesucces van deze diersoort.\n\nNaast antropogene bedreigingen kunnen ook natuurlijk stressoren de gezondheid en het voortbestaan van bruinvissen be\u00efnvloeden. In de Noordzee leeft de veelvoorkomende grijze zeehond (Halichoerus grypus). In een eerdere studie werd dit zeezoogdier al als grootschalige predator van bruinvissen ontmaskerd, maar niet alle zeehonden zijn succesvol in hun predatieaanval. In hoofdstuk 7 wordt een forensische, microbiologische benadering beschreven waarmee werd ontdekt dat de bijtwonden die grijze zeehonden toebrengen, maar waaraan bruinvissen niet direct overlijden, tot chronische en uiteindelijk dodelijke infecties kunnen leiden, namelijk met de bacterie Neisseria animaloris.\n\nVerschillende doodsoorzaken die zijn vastgesteld bij gestrande bruinvissen tussen 2008 en 2019, in het bijzonder door direct-menselijk toedoen, werden beschreven en geanalyseerd in hoofdstuk 8. Hier bleek bijvangst de meest voorkomende doodsoorzaak die wordt veroorzaakt door mensen (17%) en waarbij vooral jonge dieren worden getroffen. Piekperiodes zijn in maart en september, al werd er wel een dalende trend over de jaren gezien. Sommige mens-gerelateerde doodsoorzaken werden zelden gediagnosticeerd, zoals trauma als gevolg van een aanvaring met een schip (2%) en het inslikken van en verstrikking in zwerfvuil (0,3%). Specifieke afwijkingen in het binnenoor konden worden onderzocht bij vijftig bruinvissen en er werden afwijkingen geconstateerd bij twee van deze dieren. Infectieziekten komen naar voren als de grootste doodsoorzaak (32,5%) voornamelijk onder volwassen bruinvissen. Aanvallen van de grijze zeehond waren in 23,5% van de onderzochte gevallen de vermoedelijke doodsoorzaak. In het verleden werden meer acute predatiegevallen geconstateerd, terwijl recentelijk meer bruinvissen met ontstoken bijtwonden werden gevonden. Twee-derde van de pasgeborenen stierf na problemen tijdens de zwangerschap, de geboorte of het zogen. Acute verhongering of ernstige vermagering van onbekende oorsprong was de belangrijkste bevinding voor nog eens 8,6% van de dode bruinvissen.\n\nDe beoordeling van patronen in biologische, ecologische en pathologische profielen van individuen is erg belangrijk om veranderingen in de tijd en ruimte te ontdekken. Omdat hoofdstuk 8 een analytisch robuuste benadering miste, is ten slotte een verkennende analyse uitgevoerd van gecombineerde biologische, ecologische en pathologische gegevens die zijn verzameld tijdens het postmortaal onderzoek (hoofdstuk 9). Gebruikmakend van verschillende statistische methoden werden de meest relevante postmortale bevindingen bepaald om doodsoorzaken te categoriseren en voorspellen. Er werden drie clusters in de data gevonden, waarbij leeftijdsklasse, pathologie van de luchtwegen en ontstekingen in meerdere organen het belangrijkste waren in de onderverdeling van die clusters. Externe afdrukken (vermoedelijk van visnetten), wonden door grijze zeehonden en voedingstoestand waren die belangrijkste variabelen voor het voorspellen van doodsoorzaken. Andere kenmerken, zoals planten en zwerfvuil in de magen, geslacht en ijzerophoping in de lever bleken niet informatief om de doodsoorzaak te verklaren of te voorspellen. Deze data-analyses zijn gebaseerd op een groot aantal individuen en maken het dus mogelijk om robuuste trends te ontdekken die niet worden be\u00efnvloed door kleine individuele variatie. De database moet nog worden aangevuld met onder andere data over chemische vervuiling. Daarna kunnen dergelijke analyses informatie verschaffen over bedreigingen die relevant zijn voor de gehele populatie.\n\nUitgebreid onderzoek van gestrande, dode bruinvissen geeft, naast een algemeen begrip van hun biologie, demografie en ecologie, ons ook inzage in de gezondheid van deze dieren en bedreigingen op individuen en populaties. Momenteel is het monitoringsonderzoek van gestrande dieren \u00e9\u00e9n van de zeer weinige effici\u00ebnte en effectieve manieren om de invloed van huidige, nieuwe, opkomende en cumulatieve stressoren op bruinvissen te achterhalen. Het voortzetten van dergelijke monitoringswerkzaamheden is cruciaal om kennis te blijven vergaren over de toestand van de dieren en de Noordzee. Deze kennis is nodig om doelgerichte maatregelen te treffen die bruinvissen beschermen en behouden in onze wateren.","summary":"Harbour porpoises are charismatic and protected animals. This has resulted in a wide social, scientific and political interest into their health and well-being. Porpoises are an integral part of the marine food web, and along with their general distribution, they are the focus species in many environmental monitoring and research programs. These programs generally focus on increasing knowledge about human-related marine activities that may affect harbour porpoise populations, and serve the ultimate goal of protecting and preserving harbour porpoises and their habitat.\n\nThe North Sea is one of the busiest marine areas in the world, where many human activities, often simultaneously, take place. Porpoises are the most common whale species in the North Sea, with an estimated number of about 350,000 individuals. A high number of porpoises combined with a lot of human activities means that many animals are exposed to various threats. These include fishing activities, chemical pollution and underwater noise from different sources, such as shipping, seismic surveys and unexploded ordnance detonations. In addition, there is an increase in the number of offshore activities for the construction of wind farms in recent years. Also, the large-scale effects of climate change, such as changes in prey quantity and quality, are becoming more and more apparent. Individual and cumulative stressors threaten the immediate survival of individual animals, but may also cause non-lethal effects that affect population viability and environmental health.\n\nOne fifth of the North Sea porpoise population lives on the Dutch Continental Shelf. A high number of porpoise sightings in The Netherlands corresponds to a high number of strandings. Stranding recording is done by volunteers of the stranding network. A proportion of the stranded animals is examined post-mortem. This is to determine their cause of death and health status. Samples are also taken for additional research, including on reproduction, diet and contaminants. These investigations should provide insight into the health of the population and, in a broader sense, into the health of the environment. However, the available knowledge about threats and the effects on harbour porpoises is still incomplete. This is mainly because most research and management efforts have been conducted at the national level. Cross-border and multidisciplinary approaches would provide a more accurate assessment of population and ecosystem health. After all, harbour porpoises do not stick to national borders. Combining multiple disciplines, including biology, ecology, toxicology, epidemiology and pathology, provides opportunities to develop methods and measurement tools that aid in the determination and assessment of the most relevant natural and human-related threats to harbour porpoises in the North Sea. The ambition of this thesis is to contribute to this development and its application.\n\nIn chapter 1, the harbour porpoise is introduced as one of the smallest whales (cetaceans), and a warm-blooded marine mammal fully adapted to live in the ocean. That does not come without its challenges, particularly with regard to energetics. Porpoises are opportunistic predators and require continuous food to meet their energetic requirements. They need up to 10% of their own body weight in prey per day. From a metabolic point of view, this gives them little 'leeway': they live on a knife-edge.\n\nChapter 2 describes the current knowledge gaps, future pressures or threats, and essential indicators for continuing research on harbour porpoises in the North Sea. This overview was gained by collecting the most recent expert knowledge on threats to harbour porpoises, using the so-called Delphi approach. The expert panel consisted of people working in various disciplines of harbour porpoise research and management and from all countries around the North Sea. The three main knowledge gaps listed by the experts were bycatch, population dynamics, and cumulative effects of multiple stressors. Bycatch was rated as the top concern for harbour porpoises over the next 20 years, followed by chemical and noise pollution, respectively. The most essential indicators, which can serve as means to monitor these threats and health status of harbour porpoises in the future, were: research into cause of death, distribution, abundance, habitat use and diet composition. These results guided the themes for the following research chapters of this thesis.\n\nA large-scale and international research effort followed (chapter 3), investigating spatio-temporal patterns in population dynamics of harbour porpoises in the North Sea area. A dataset containing 16,181 stranding records over 28 years, obtained from national stranding networks of five countries adjacent to the North Sea, was analysed. There was a high density of new-born porpoises on the North Sea coasts of Denmark and Germany. This indicates that this area is important during and after the calving season. There were large numbers of young males found along the southern North Sea area, including on the Dutch coast. This may be a sign that weaker animals in the population are mainly found in the southern parts of the North Sea. It could also indicate a wider distribution of the young males in particular. Since 1990, the number of strandings increased throughout the region. This was most apparent since 2005 in the southern parts of the North Sea and emphasises the need to focus the research specifically on this area.\n\nBycatch was listed as the main concern for harbour porpoises in the North Sea area (chapter 2) and thus became the focus of chapter 4. Bycatch numbers can be determined by onboard observers, remote electronic monitoring, and when fishermen voluntarily report this. All is, however, not systematically done. Necropsies on stranded animals can additionally provide insight into bycatch numbers. However, there are uncertainties when it comes to assessing bycatch in stranded cetaceans, mainly due to the lack of diagnostic tools specific for underwater suffocation. Through a literature study, 25 criteria were listed that are used in the assessment of bycatch in small cetacean species. The presence or absence of these parameters were scored on harbour porpoises obtained from gillnets in The Netherlands (n=12). Presence of 'superficial incisions', 'circling marks' and 'recent food' were seen in the vast majority of the bycatch cases. Other criteria, such as 'pulmonary oedema', 'emphysema' and 'organ congestion' were also commonly diagnosed. These are, however, nonspecific features of underwater suffocation and commonly seen in cetaceans dying from other causes. It was striking that the previous parameters 'a favourable state of health', 'the absence of disease' and 'a good nutritional status' did not apply to the majority of the porpoises in this study. Cases with such notable pathological findings are often excluded as bycatch when assessing stranded animals. This can lead to an underestimation of the proportion of stranded porpoises which die as a result of fishery activities.\n\nThe next study (chapter 5) focused on chemical pollution, in particular the transfer of contaminants in harbour porpoises. Persistent organic pollutants, such as polychlorinated biphenyls (PCBs), bioaccumulate in marine ecosystems. Top predators, such as the harbour porpoise, therefore contain high levels of PCBs in their tissues. Analyses were done on different tissues, including blubber, of porpoises from all age groups. PCBs passed to foetuses via the umbilical cord, however, concentrations increase significantly after birth through lactation. Milk mainly contains lower halogenated substances, which are more toxic. New-born porpoises are thus exposed to high levels of pollutants already early in life. Of all animals, 38.5% had PCB concentrations that exceeded a threshold value for negative health effects. This was especially true for adult males (92.3%). Adult females had relatively low PCB levels (10.5%) because they were able to get rid of them through lactation. In addition, it became clear that nutritional stress leads to a higher release of PCBs through the milk, which resulted in a greater potential for toxicity in calves of nutritionally stressed females.\n\nIn a large body of literature it is advocated that reproductive disorders in small cetaceans are mainly due to PCB contamination. However, in chapter 5 reproductive disorders were observed in a minority of adult females. Therefore, the following study (chapter 6) focused on the life history parameters: age at sexual maturity, pregnancy rates and foetal growth of female harbour porpoises. It was investigated whether adult females abandon investment in their foetus when they themselves are in poor physical condition or experience deteriorating environmental conditions, presumably to prioritise their own survival. Data on disease, diet, fat reserves and reproductive status were collected from post-mortem examined porpoises. This was combined with life history parameters from sixteen other harbour porpoise habitats gained from literature. These data were then correlated with variables reflecting environmental condition: mean energy density of prey from local diets, cumulative human impact and PCB load. Maternal nutritional status was found to have significant effects on foetal size. Females in poor health had a lower chance of being pregnant and generally did not sustain the pregnancy throughout gestation. Pregnancy rates were best explained by the energy density of local prey: the group of mature females of populations which fed on fish of higher energy levels had a higher percentage of pregnancies compared to the group of mature females who fed on low caloric prey. The quality of the prey eaten therefore seems to determine the reproductive success of this species.\n\nIn addition to anthropogenic threats, natural stressors may influence the health and survival of harbour porpoises. Grey seals (Halichoerus grypus) are abundant in the North Sea. Previously, this marine mammal was revealed as a large-scale predator of harbour porpoises. But not all seals are successful in their predation attack. Using forensic microbiological approaches, in chapter 7 is described that the bite wounds inflicted by grey seals, from which harbour porpoises do not immediately die, can result in chronic and ultimately fatal infections, namely with the bacterium Neisseria animaloris.\n\nAnthropogenic and other causes of death identified in stranded harbour porpoises from 2008-2019 were further described and analysed. Chapter 8 focussed mainly on the directly human-related threats such as bycatch and hearing loss. Bycatch was the largest human-related cause of death (17%), mainly affecting young animals. Peak periods were March and September, although there was a sign of a downward trend over the years. Other human-related causes of death were rarely diagnosed: trauma presumably from collisions with ships (2%), and ingestion and entanglement in marine litter (0.3%). Inner ear abnormalities could only be examined in fifty porpoises, but were found in two of these. Infectious diseases was by far the largest cause of death category (32.5%), mainly for adult porpoises. Grey seal attacks were the suspected cause of death for 23.5%. Previously, more acute predation cases were noted, while recently more harbour porpoises with pathology associated with interactions that did not immediately lead to death were diagnosed. Two-thirds of the neonates died following problems during pregnancy, birth or lactation. Acute starvation or severe emaciation of unknown origin (non-neonates) was the most important finding for a further 8.6% of all stranded harbour porpoises examined.\n\nAssessing patterns in biological, ecological and pathological profiles of individuals is very important to detect changes over time and space. However, chapter 8 lacked an analytically robust approach. Therefore, and as a final study, an exploratory analysis was performed of combined biological, ecological and pathological data collected during post-mortem investigations (chapter 9). Using different statistical methods, the most relevant post-mortem findings to categorise and predict the cause of death were determined. Three clusters were defined, with age class, respiratory pathology and multiple-organ inflammation being the most important in the subdivision of those clusters. External incisions (from fishing nets), grey seal wounds, and nutritional status were the main variables for predicting causes of death. Other data, such as plants and litter in the stomach, iron accumulation in the liver and sex, may be considered uninformative to explain or predict cause of death. These data analyses were based on a large number of individuals and thus make it possible to detect robust trends that are unaffected by small, individual variation. The database should be completed by adding information on chemical pollution, among other factors. The results can then provide information about threats that are relevant at the population level.\n\nExtensive research of stranded, dead harbour porpoises provides us with a general understanding of their biology, demographics and ecology, and also gives us insight into the health of these animals and threats to individuals and populations. Currently, monitoring of stranded animals is one of the very few ways to effectively investigate and quantify the effects of new, emerging and cumulative stressors on harbour porpoises. Continuing this monitoring work will be crucial to gain and increase knowledge about the state of the animals and the North Sea. This knowledge is vital in order to take targeted measures that aid in the protection and conservation of harbour porpoises in our waters.","auteur":"Lonneke Ijsseldijk","auteur_slug":"lonneke-ijsseldijk","publicatiedatum":"2 november 2021","taal":"NL","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/lonnekeijsseldijk?iframe=true","url_download_pdf":"","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604061004","isbn":"","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Universiteit Utrecht","afbeeldingen":8673,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Universiteit Utrecht","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/8671","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=8671"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/8671\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":8674,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/8671\/revisions\/8674"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/8672"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=8671"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=8671"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}