{"id":7548,"date":"2026-04-02T12:24:20","date_gmt":"2026-04-02T12:24:20","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/ingrid-boelhouwer\/"},"modified":"2026-04-02T12:25:28","modified_gmt":"2026-04-02T12:25:28","slug":"ingrid-boelhouwer","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/ingrid-boelhouwer\/","title":{"rendered":"Ingrid Boelhouwer"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":7549,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-7548","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Work functioning beyond return to work past cancer diagnosis","samenvatting":"Naar schatting is inmiddels ongeveer 5 procent van de werkenden in Nederland in het verleden geconfronteerd met een kankerdiagnose. Nog niet zo heel lang geleden betekende een kankerdiagnose dat men meteen stopte met werken. Tegenwoordig keert bijna drie kwart van de werkenden die kanker krijgen, vroeger of later, weer terug naar werk. Bovendien komen kankerdiagnoses onder de gehele bevolking steeds meer voor, hetgeen voornamelijk verklaard wordt door de bevolkingstoename en door het groeiend aantal ouderen, bij wie kanker meer voorkomt dan bij jongeren. Doordat de werkende bevolking door de hogere pensioenleeftijd gemiddeld steeds ouder wordt, is er binnen de groep werkenden dus daardoor ook sprake van een toenemend aantal kankerdiagnoses. Daarnaast zijn de overlevingskansen voor een aantal veel voorkomende vormen van kanker gestegen. Een voorbeeld is borstkanker, waarvoor de gemiddelde 5-jaarsoverleving inmiddels 88% is. Al deze ontwikkelingen verklaren dat de groep werkenden die in het verleden te maken heeft gehad met een kankerdiagnose is toegenomen en naar verwachting nog verder in omvang zal toenemen.\n\nHelaas is er vanuit onderzoek weinig bekend over het functioneren in werk van diegenen die in het verleden met een kankerdiagnose zijn geconfronteerd. Het onderzoek dat vooral wordt gedaan, betreft de periode waarin het re-integratieproces normaal gesproken plaatsvindt, dat wil zeggen tijdens de eerste twee jaar na diagnose. Dit promotieonderzoek richt zich specifiek op de periode daarna, namelijk vanaf twee jaar na kankerdiagnose en na de terugkeer naar werk.\n\nHet krijgen van kanker kan een ingrijpende ervaring zijn, die ook op de lange termijn psychosociale gevolgen kan hebben, zoals bijvoorbeeld de angst voor terugkeer van kanker. De behandelingen zijn bedoeld om te genezen of de ziekte te beteugelen, maar kunnen op de lange termijn diverse onbedoelde effecten hebben die van invloed kunnen zijn op het functioneren op het werk. Het mogelijke verband van deze zogeheten late effecten van kankerbehandelingen en het huidig \u00e9n toekomstig functioneren in werk, is de focus van dit promotieonderzoek. Vervolgens gaat het ook om mogelijkheden in de werkomgeving om hier op in te spelen, waardoor het functioneren in werk wordt ondersteund of verbeterd.\n\nIn dit promotieonderzoek staan drie soorten late effecten centraal; lichamelijke klachten, vermoeidheid en cognitieve klachten. Ten eerste, wanneer lichamelijke late effecten in ogenschouw worden genomen, blijkt de grote diversiteit van dergelijke klachten als mogelijk gevolg van kankerbehandelingen. Zo kan bestralingstherapie op de lange termijn klachten geven door schade aan bijvoorbeeld het bindweefsel of het hart. Operaties kunnen verkleefde littekens met zich meebrengen of bijvoorbeeld lymfoedeem doordat de lymfeklieren zijn verwijderd. Anti-hormoontherapie kan botontkalking veroorzaken of pijn in gewrichten. Problemen met de hartfunctie kunnen het gevolg zijn van chemotherapie en immuuntherapie. Ten tweede, is vermoeidheid een veel voorkomend laat effect van kankerbehandelingen. Deze vermoeidheid wordt beschreven als onvoorspelbaar en niet in overeenstemming met de verrichte activiteiten, in ieder geval heel anders dan de \u2018gewone\u2019 vermoeidheid die gezonde mensen na inspanning kennen. Ten derde, gaat het om cognitieve problemen als mogelijk laat gevolg van de kankerbehandelingen. Deze problematiek staat steeds meer in de belangstelling van onderzoekers. Chemotherapie blijkt invloed te kunnen hebben op het brein, waarmee klachten als concentratieverlies of problemen met het geheugen verklaard worden. Echter ook behandelingen met anti-hormonen kunnen mogelijk van invloed zijn. Cognitieve problemen kunnen worden onderzocht met neuropsychologisch onderzoek of kunnen gerapporteerd worden door diegenen die hiermee kampen, bijvoorbeeld door middel van vragenlijstonderzoek. Vermoeidheid en cognitieve klachten kunnen onderling samenhangen, maar ook met andere psychosociale factoren. Vermoeidheid kan cognitieve klachten veroorzaken, en het omgekeerde kan ook. Wanneer er dus sprake is van zowel vermoeidheid, als van cognitieve klachten, moet uitgezocht worden of er sprake is van een onderlinge oorzakelijke relatie. Dat heeft invloed op de richtingen die het beste gekozen worden om tot oplossingen te komen om het functioneren te verbeteren. De vraag is dan namelijk of er in geval van zowel cognitieve klachten als vermoeidheid allereerst aandacht moet zijn voor de vermoeidheid, voor de cognitieve klachten of misschien toch voor beide tegelijk.\n\nZoals hierboven reeds gezegd, wordt in dit promotieonderzoek het verband tussen lichamelijke klachten, vermoeidheid en cognitieve klachten enerzijds en functioneren in werk anderzijds onderzocht. Voor wat betreft het functioneren in werk gaat het in dit promotieonderzoek om werkvermogen en burn-outklachten. Daarnaast is het de vraag wat werkenden kan helpen wanneer late effecten het functioneren in werk in de weg zitten. Hierbij wordt een aantal hulpbronnen in de werkomgeving onderzocht die zijn ontleend aan het Job-Demands Resources (JD-R) model. Hulpbronnen zijn factoren die gunstig zijn voor het functioneren in werk en betreffen \u2013 naast bijvoorbeeld mogelijke persoonlijke hulpbronnen zoals veerkracht \u2013 ook factoren die op de werkvloer in interacties en werkprocessen een rol kunnen spelen. Om deze laatste groep hulpbronnen gaat het in dit promotieonderzoek. Gekozen is daarbij voor autonomie en steun op de werkvloer (door collega\u2019s en door leidinggevenden). De vraag is steeds of deze hulpbronnen een gunstige samenhang laten zien met het functioneren in werk \u00e9n of deze hulpbronnen mogelijk een bufferende werking hebben op de verwachte verbanden tussen chronische late effecten en ongunstiger functioneren in werk. Buffering zou betekenen dat deze hulpbronnen het verband tussen chronische late effecten enerzijds en mogelijk daardoor verminderd functioneren op het werk anderzijds minder sterk maken, en dat is dan dus gunstig. Het onderzoek richt zich uiteraard op werkenden die in het verleden geconfronteerd werden met een kankerdiagnose en te maken hebben met mogelijk chronische late effecten van kankerbehandelingen. Hiernaast is er echter ook een deelstudie gedaan onder werkenden met mentale en\/of lichamelijke chronische aandoeningen anders dan kanker.\n\nVijf vragen zijn in dit promotieonderzoek onderzocht en beantwoord:\n\nDeelvraag 1: Wat is de huidige stand van kennis over de samenhang tussen mogelijke late effecten van kankerbehandeling (lichamelijke klachten, vermoeidheid of cognitieve klachten) en werkvermogen bij werkenden meer dan twee jaar na de diagnose van kanker die weer aan het werk zijn, \u00e9n over de mogelijke buffering door werkbronnen van deze veronderstelde samenhang?\n\nDeze vraag werd beantwoord door een systematisch literatuuronderzoek. Uit een aantal studies was op te maken dat het werkvermogen in de eerste twee jaar na diagnose afnam, maar werd gevolgd door een herstel. Toch bleken werkvermogen na twee jaar nog steeds lager te zijn dan bij gezonde werkenden. Er werden geen eerdere studies gevonden over het beloop van het werkvermogen na de eerste twee jaar na diagnose. W\u00e9l waren er onderzoeken die rapporteerden over verschillende cross-sectionele verbanden van late effecten (lichamelijke klachten, vermoeidheid of cognitieve klachten) met werkvermogen van werkenden die meer dan twee jaar geleden de diagnose kanker kregen. Er werd bij hogere late effecten een lager werkvermogen vastgesteld. Sociale steun door collega\u2019s of door de leidinggevende en autonomie hingen cross-sectioneel samen met een hoger werkvermogen. Er werden geen onderzoeken gevonden naar een mogelijk bufferend effect van deze hulpbronnen op het verband tussen late effecten en werkvermogen. Onderzoek naar longitudinale effecten, oftewel effecten door de tijd heen, werden ook niet gevonden in de studies die in dit systematisch literatuuronderzoek waren opgenomen.\n\nDeelvraag 2: Wat is het verband tussen mentale en\/of lichamelijke chronische aandoeningen op het werkfunctioneren en bufferen hulpbronnen dit veronderstelde verband?\n\nUit deze deelstudie onder werknemers in onderwijs- en (semi-)overheidsorganisaties in Nederland, bleek dat alle drie de groepen (lichamelijke chronische aandoeningen, mentale chronische aandoeningen, en zowel lichamelijke als mentale aandoeningen) samengaan met een lager werkvermogen. Hogere burn-outklachten bleken alleen een samenhang te vertonen met de twee groepen met mentale chronische aandoeningen (al dan niet gecombineerd met lichamelijke chronische aandoeningen), en dus niet als er uitsluitend sprake was van lichamelijke chronische aandoeningen. Over het algemeen gingen hogere autonomie en een ondersteunende leiderschapsstijl samen met een hoger werkvermogen, maar dat gold niet voor sociale steun van collega\u2019s. Deze hulpbronnen hingen wel alle drie samen met minder burn-outklachten. Autonomie bufferde het verband tussen de chronische mentale aandoeningen en een lager werkvermogen, \u00e9n het verband tussen de groep met zowel lichamelijke als mentale chronische aandoeningen en meer burn-outklachten. Verder was bij een meer ondersteunende leiderschapsstijl juist sprake van een minder gunstig verband met functioneren in werk onder de werknemers met mentale chronische aandoeningen (met of zonder lichamelijke chronische aandoeningen) te zien. Er werd geen buffering gevonden voor sociale steun door collega\u2019s.\n\nDeelvraag 3: Wat is de impact van late effecten van de behandeling (lichamelijke klachten, vermoeidheid en cognitieve klachten) en van hulpbronnen in het werk (autonomie, ondersteunende leiderschapsstijl en sociale steun van collega\u2019s) op het toekomstige werkvermogen van werknemers die 2 - 10 jaar geleden geconfronteerd werden met een borstkankerdiagnose?\n\nDeze deelstudie toonde aan dat hogere niveaus van vermoeidheid en cognitieve klachten een lager toekomstig werkvermogen voorspelden (9 maanden later), waarbij rekening werd gehouden met de hoogte van de individuele score aan werkvermogen op de eerste vragenlijst. Lichamelijke klachten hadden naast vermoeidheid en cognitieve klachten geen significant effect op toekomstig werkvermogen. Echter ook lichamelijke klachten gingen op zich afzonderlijk samen met een lager toekomstig werkvermogen en moeten niet genegeerd worden. Hogere niveaus van autonomie, een ondersteunende leiderschapsstijl en sociale steun van collega\u2019s voorspelden geen hoger toekomstig werkvermogen. Wel gaat een hoger niveau van deze hulpbronnen samen met een hoger werkvermogen op hetzelfde moment, wat suggereert dat het gunstige effect mogelijk slechts kort aanhoudt. Bij deelnemers met gemiddelde of veel lichamelijke klachten was er geen verschil in toekomstig werkvermogen tussen gemiddelde en hoge autonomie in het werk. Het toekomstige werkvermogen was echter opmerkelijk lager wanneer de autonomie laag was. Er werd geen moderatie door de andere hulpbronnen gevonden in deze deelstudie.\n\nDeelvraag 4: In hoeverre hebben de late effecten van kankerbehandelingen (lichamelijke klachten, vermoeidheid en cognitieve klachten) en hulpbronnen in werk (autonomie en ondersteunende leiderschapsstijl) effect op toekomstige burn-outklachten bij werknemers met een diagnose borstkanker 2 - 10 jaar geleden?\n\nIn deze deelstudie werd vastgesteld dat een hoger niveau van vermoeidheid en cognitieve klachten leidden tot hogere toekomstige burn-outklachten (9 maanden later), waarbij rekening werd gehouden met de individuele beginscore aan burn-outklachten op de eerste vragenlijst. Er werd naast vermoeidheid en cognitieve klachten geen significant oorzakelijk effect van lichamelijke klachten op toekomstige burn-outklachten waargenomen, doordat de invloed van vermoeidheid en cognitieve klachten sterker was. Hogere niveaus van autonomie of een ondersteunende leiderschapsstijl hadden geen direct effect op toekomstige burn-outklachten, want dat effect liep volledig via de huidige burn-outklachten. Er werd geen buffering waargenomen voor ondersteunend leiderschap, maar meer autonomie bufferde w\u00e9l het negatieve verband tussen cognitieve klachten en toekomstige burn-outklachten. Dit laatste was niet eerder onderzocht en is een opvallende bevinding.\n\nDeelvraag 5: Wat zijn de ervaringen en idee\u00ebn van managers en professionals over de begeleiding van werknemers bij late effecten van kanker(behandeling) en wat is hun idee over het effect van autonomie, sociale steun door collega\u2019s en een open organisatiecultuur?\n\nIn de gehouden interviews zijn de late effecten van kankerbehandelingen besproken. Zowel de eerder beschreven lichamelijke klachten, vermoeidheid en cognitieve problemen werden herkend en beschouwd als late effecten van kankerbehandelingen die ervaren kunnen worden tijdens het functioneren in werk. Sommige professionals meldden dat de openheid om dergelijke klachten in de context van werk te delen, een open en veilig psychologisch klimaat in de omgang met elkaar vergt, en dat dat helaas niet in iedere organisatie of op iedere werkvloer aanwezig is. Wanneer de leidinggevende of human resource management op de hoogte is van cognitieve problemen en vermoeidheid werd ook aangegeven dat begeleiding soms ingewikkeld is, enerzijds door de onzichtbaarheid en de complexiteit van de klachten, anderzijds omdat manieren om ermee om te gaan in de praktijk op de werkvloer en binnen werkactiviteiten niet altijd bekend zijn of speciaal maatwerk vergen. Sommige taken kunnen bij cognitieve klachten overigens niet meer uitgevoerd worden, vanwege de daaraan verbonden risico\u2019s. In die gevallen is het dus absolute noodzaak om bekend te zijn met deze klachten en de mogelijke gevolgen tijdens het werk. Er is gespecialiseerde professionele ondersteuning mogelijk, maar deze is veelal onbekend of komt om andere redenen lang niet bij iedereen die dat nodig heeft terecht. Autonomie in het werk werd in het algemeen als een belangrijke factor beschouwd en de behoefte aan interventies op maat werd uitgesproken. Zo werd er ook gewaarschuwd voor de valkuil van het doen van een stap terug in functieniveau, waardoor het risico bestaat dat de nieuwe werkzaamheden minder autonomie mogelijk maken, hetgeen als nadelig werd beschouwd. Ook kwamen de angst voor terugkeer van kanker of een andere kijk op het leven in diverse interviews aan de orde als een vorm van mogelijke late effecten van het krijgen van kanker, evenals de problemen waarmee zelfstandigen worden geconfronteerd. Veel zelfstandigen zijn onvoldoende verzekerd en hebben daardoor geen mogelijkheden om (betaalbare) ondersteuning of begeleiding te vinden.\n\nAlgemene conclusies en aanbevelingen\n\nAllereerst is het belangrijk om op te merken dat de door de werkenden gerapporteerde klachten niet met zekerheid (alleen) door de kankerbehandelingen worden veroorzaakt. Omdat echter met eerder onderzoek is aangetoond dat deze klachten als late effecten kunnen worden gekenmerkt, is in dit promotieonderzoek van de zelfrapportage van fysieke klachten, vermoeidheid en cognitieve klachten uitgegaan.\n\nAl deze klachten bleken onderlinge samenhang te vertonen. Met name voor vermoeidheid en cognitieve klachten is dit ook uit ander onderzoek bekend. Tijdens de interviews in dit promotieonderzoek werd er bovendien op gewezen dat vermoeidheid de oorzaak van cognitieve klachten kan zijn en dat cognitieve klachten voor vermoeidheid kunnen zorgen. Uit eerdere studies bleek ook dat vermoeidheid een veelvoorkomend laat effect van kankerbehandeling is en samengaat met een lager werkvermogen, en dat dit verband onder werkenden die in het verleden met kanker werden geconfronteerd mogelijk zelfs iets sterker is dan onder andere populaties werkenden. In de deelstudies in dit promotietraject werd op basis van de eigen dataverzameling onder werkenden 2 - 10 jaar na kankerdiagnose ook gezien dat vermoeidheid en cognitieve klachten niet alleen samengaan met een lager huidig werkvermogen en hogere burn-outklachten op hetzelfde moment, maar ook voorspellend waren voor een lager toekomstig werkvermogen en hogere toekomstige burn-outklachten. Het belang van deze resultaten is dat vermoeidheid en cognitieve klachten dus niet alleen op dit moment belemmerend kunnen zijn in functioneren in werk, maar dat er een effect kan zijn dat doorwerkt in toekomstig functioneren in werk. Dit maakt het nog belangrijker om dergelijke klachten serieus te nemen. Bij het onderzoeken van burn-outklachten kan ernstige vermoeidheid door kankerbehandelingen er bovendien mogelijk toe leiden dat dit tot een burn-out diagnose leidt. Dit kan dan weer tot gevolg hebben dat de behandeling niet aansluit bij de oorzaak van de klachten.\n\nDe hulpbronnen autonomie en steun op de werkvloer (door collega\u2019s en door leidinggevenden) bleken in de analyses onder werkenden die in het verleden borstkanker kregen geen direct effect te hebben op toekomstig werkvermogen of burn-outklachten. Wel blijken deze hulpbronnen samen te gaan met hoger werkvermogen en lagere burn-outklachten op het moment zelf. Vandaar dat het vermoeden is dat het effect vrij kortdurend is en steeds aandacht nodig heeft. Voor autonomie en de steun van collega\u2019s bleek tijdens het literatuuronderzoek dat in een aantal studies onder werkenden na kanker ook was vastgesteld dat dit samenhing met hoger werkvermogen. Voor geen enkele van de hulpbronnen in werk bleek echter eerder te zijn onderzocht of er sprake was van buffering van het verband tussen mogelijke late effecten en werkvermogen of burn-outklachten. In de deelstudie onder werkenden met chronische aandoeningen bleken autonomie en een ondersteunende leiderschapsstijl in een aantal gevallen een bufferende werking te hebben op de verbanden met werkvermogen of burn-outklachten. Er werd echter geen buffering gevonden door sociale steun door collega\u2019s. In de deelstudies gebaseerd op de eigen dataverzameling onder werkenden 2 - 10 jaar na een borstkankerdiagnose, is alleen voor autonomie een resultaat met betrekking tot buffering te melden. Dit betreft de buffering door autonomie van het verband tussen cognitieve klachten en toekomstige burn-out klachten. Kennelijk helpt hogere autonomie in geval van hogere cognitieve klachten in het verminderen van toekomstige burn-outklachten. Dit is een belangrijk en niet eerder gerapporteerd resultaat, want dit laat zien dat de rol van de werkende en de ruimte die deze krijgt in het zelf bepalen van de inhoud en de aanpak van het werk een gunstiger werking heeft op het functioneren in werk naar mate cognitieve klachten hoger zijn. Een omgekeerd effect (namelijk verslechtering van het verband) werd voor autonomie gevonden aangaande het verband tussen lichamelijke klachten en werkvermogen. Autonomie mag bij veel lichamelijke klachten niet te laag zijn, omdat het werkvermogen dan veel lager is dan bij een gemiddeld niveau van autonomie, maar hoge autonomie heeft bij veel lichamelijke klachten een gelijk werkvermogen tot gevolg als bij een gemiddeld niveau van autonomie. Er is dus sprake van een optimum niveau aan autonomie bij een hoog niveau aan lichamelijke klachten. Bovendien blijkt hier ook uit dat \u2013 zoals professionals tijdens de interviews ook aangaven \u2013 maatwerk belangrijk is. Uit dit promotieonderzoek blijkt tenslotte dat het meest gunstige niveau aan autonomie goed moet worden bepaald; afhankelijk van het profiel van verschillende late effecten. Dit zal in dialoog met de werkende vastgesteld kunnen worden. Toekomstig onderzoek zou wellicht profielen aan verschillende niveaus van late effecten kunnen aantonen, waarmee eenvoudiger richtlijnen kunnen worden gegeven over de meest optimale aanpak op de werkvloer. Ook kan dan meer advies worden gegeven, want bijvoorbeeld aanpassingen in uren en taken zijn aanpassingen die veel worden genoemd, maar hoe werktaken of de baan ook zo veel mogelijk werkplezier en positieve energie op kunnen leveren moet niet vergeten worden, juist met het oog op goed functioneren in werk, \u00f3\u00f3k binnen deze populatie werkenden.\n\nPraktische implicaties voor leidinggevenden, professionals en werkenden met of na kanker.\n\nContact, openheid en in dialoog oplossingen zoeken, bleken in veel van de gehouden interviews sleutelwoorden, maar m\u00e9t de kanttekening dat helaas niet iedere werkomgeving dit toelaat. Vooral cognitieve klachten en vermoeidheid zijn gecompliceerd gezien hun onzichtbaarheid voor de omgeving. Om te erkennen dat eventuele late effecten het functioneren op het werk be\u00efnvloeden, moeten de klachten daarom worden gedeeld, maar dat vinden werkenden soms lastig vanuit vrees voor discriminatie of stigmatisering. Die vrees hoeft overigens ook niet ongegrond te zijn, bleek tijdens de interviews. Mede daarom is het belangrijk dat alle werknemers ervan op de hoogte zijn dat een bedrijfsarts een medisch beroepsgeheim heeft. Ook bestaan er gespecialiseerde bedrijfsartsen op het gebied van oncologie (zogeheten BACO\u2019s) en vele andere professionals die gespecialiseerd zijn op het gebied van werk en kanker. Deze professionals bieden vele mogelijkheden voor begeleiding en ondersteuning. Binnen organisaties kan human resource management een cruciale rol kunnen spelen als adviseur van leidinggevenden, regie voerend op de aanpak rondom werk en kanker en als partij die de andere professionals bereikbaar maakt voor de werknemers. Overigens kan ook de informele zorg of steun vanuit de priv\u00e9 omgeving heel belangrijk zijn voor de werkende.\n\nVoor alle professionals, en vooral voor degenen die weinig ervaring hebben met werkenden die kanker hebben gehad, is het belangrijk om op de hoogte te zijn van de late effecten van kanker en kankerbehandelingen met het oog op het functioneren in werk. Het is belangrijk dat alle late lichamelijke effecten die relevant zijn op de werkplek, evenals cognitieve klachten en vermoeidheid, serieus worden genomen. Ook de werkende zou bekend moeten zijn met de mogelijkheid van late effecten van de behandelingen zodat deze herkend kunnen worden als deze mochten optreden, en zodat er voor de best passende aanpak kan worden gekozen. Geconfronteerd worden met de situatie voor en na kankerdiagnose en kankerbehandelingen kan ingewikkeld zijn. Dat is iets wat veel van deze werkenden hebben ondervonden. Helaas is professionele hulp niet voor alle werkenden makkelijk vindbaar en toegankelijk. Late effecten van kankerbehandelingen komen veel voor en dit onderwerp \u00e9n wat werkenden die hiermee kampen verder helpt, moet nadrukkelijker op de agenda komen van onderzoekers, human resource management, leidinggevenden en allen die hier een rol in kunnen spelen.","summary":"An estimated 5 percent of the workers in the Netherlands have been diagnosed with cancer in the past. Not so long ago, a cancer diagnosis meant that people would stop working immediately. Today, nearly three-quarters of the workers who get cancer, sooner or later, return to work. In addition, cancer diagnoses are more common among the entire population, which is mainly explained by population growth and the growing number of elderly people, who are at higher risk of developing cancer than younger people. On average the working population is aging due to a higher retirement age, which leads to an increasing number of cancer diagnoses within the group of workers. In addition, the survival rates for a number of common types of cancer have increased. An example is breast cancer, for which the average 5-year survival rate is now 88%. These developments together cause that the group of workers, who had to deal with a cancer diagnosis in the past has grown and is expected to increase in the future.\n\nUnfortunately, little research is known about work functioning of those, who have been confronted with a cancer diagnosis in the past. Current research mainly focuses on the reintegration process, normally during the first two years after diagnosis. This PhD research focuses specifically on the period from two years until ten years after cancer diagnosis and after the workers returned to work.\n\nGetting cancer can be a life-changing experience, which may cause psychosocial effects in the long term, such as the fear of cancer recurrence. The treatments are intended to cure or suppress the disease, but may have unintended effects in the long term, that can affect functioning at work. The possible association between these so-called late effects of cancer treatments and the current and future functioning at work is the focus of this PhD research. Subsequently, opportunities in the work environment are investigated, which could support and enhance the functioning in work of people two to ten years past cancer diagnosis.\n\nThis PhD research focuses on three types of late effects; physical complaints, fatigue and cognitive complaints. When physical late effects are considered, a wide range of complaints is apparent, like radiation therapy can cause long-term problems due to damage to, for example, the connective tissue or the heart. Operations can involve scarring (adhesion formation) or, for example, lymphedema because the lymph nodes have been removed. Antihormone therapy can cause osteoporosis or pain in the joints. Chemotherapy and immunotherapy can result in problems of the heart functioning. Besides physical complaints fatigue is a common late effect of cancer treatments. This fatigue is described as unpredictable and not related to the activities that have been performed, in any case very different from \u2018normal\u2019 fatigue, which healthy people experience after exercising. Also cognitive problems are a possible late consequence of the cancer treatments. These problems are increasingly focus of research. Chemotherapy may affect brain functioning, resulting in complaints like loss of concentration or memory problems. However, treatments with antihormones may also potentially have an influence on cognitive functioning. Cognitive problems can be investigated with neuropsychological research or can be reported by those, who suffer from them, for example by questionnaire research. Fatigue and cognitive complaints can be related to each other, but also to other psychosocial factors. Fatigue can cause cognitive complaints, but the reverse can also occur. So when both fatigue and cognitive complaints occur, a possible mutual causal relationship must be investigated. This influences the targets for interventions to enhance functioning of the worker in concern, since the question is therefore whether attention should first be paid to cognitive complaints, fatigue or both.\n\nAs mentioned above, this PhD research investigates the association between physical complaints, fatigue and cognitive complaints on the one hand and work functioning on the other. With regard to work functioning work ability and burnout complaints are investigated. In addition, the question is what can help workers when late effects diminish work functioning. A number of resources in the work environment, that are derived from the Job-Demands Resources (JD-R) model are examined. Resources are factors, which are beneficial for functioning at work and concern \u2013 in addition to, for example, possible personal resources such as resilience \u2013 also factors, that can play a role in interactions and work processes in the workplace. This last group of resources is the focus of this PhD research. The choice was made for autonomy and support in the workplace (from colleagues and from supervisors or managers). The question is if these resources have a beneficial direct effect on work functioning and if these resources may have a buffering effect on the expected associations between chronic late effects and less favorable work functioning. Buffering would imply that these resources make the association between chronic late effects on the one hand and possibly reduced functioning in work on the other hand less strong, which is beneficial. The research obviously focuses on workers, who have been confronted with a cancer diagnosis in the past and are dealing with possible chronic late effects of cancer treatments. In addition, a sub-study was carried out among workers with mental and\/or physical chronic conditions other than cancer.\n\nFive questions have been investigated and answered in this PhD research:\n\nSub-question 1: What is the current state of knowledge about the association between possible late effects of cancer treatment (physical complaints, fatigue or cognitive complaints) and work ability in workers. more than two years after the cancer diagnosis, who returned to work, and about the possible buffering by job resources of this assumed association?\n\nThis question was answered by a systematic literature review. A number of studies showed that the work ability decreased in the first two years after diagnosis, but was followed by a recovery. Nevertheless, after two years, work ability was still lower than among healthy workers. No previous studies were found about the course of work ability past the first two years after diagnosis. However, studies were found that reported on various cross-sectional associations of late effects (physical complaints, fatigue or cognitive complaints) with work ability of workers, who were diagnosed with cancer more than two years ago. A lower working ability was observed with higher late effects. Social support by colleagues or by the manager and autonomy were cross-sectionally associated with a higher work ability. No studies were found about a possible buffering effect of these resources on the relationship between late effects and work ability. Research into longitudinal effects, or effects over time, were also not found in the studies included in this systematic literature review.\n\nSub-question 2: What is the relationship between mental and\/or physical chronic conditions at work functioning and do resources buffer this supposed association?\n\nThis sub-study among employees in educational and (semi-)government organizations in the Netherlands showed that all three groups (physical chronic disorders, mental chronic disorders, and both physical and mental disorders) are associated with a lower work ability. In general, higher burnout complaints were all found to be associated with mental chronic disorders (whether or not combined with physical chronic conditions), and not with exclusively physical chronic conditions. Higher autonomy and a supportive leadership style were related to a higher work ability. This did not apply to social support from colleagues. The three job resources were all related to fewer burnout complaints. Autonomy buffered the association between chronic mental disorders and lower work ability, and the association between the group with both physical and mental chronic conditions and more burnout complaints. A more supportive leadership style was associated with a less favorable relationship with functioning at work among the group employees with mental chronic diseases (with or without physical chronic conditions). Furthermore, no buffering was found for social support by colleagues.\n\nSub-question 3: What is the association of late effects of treatment (physical complaints, fatigue and cognitive complaints) and of resources at work (autonomy, supportive leadership style and social support from colleagues) with the future work ability of employees, who were confronted with a breast cancer diagnosis two to ten years ago?\n\nThis sub-study showed that higher levels of fatigue and cognitive complaints predicted lower future work ability (9 months later), taking into account the level of the individual work ability score on the first questionnaire. In addition to fatigue and cognitive complaints, physical complaints had no significant effect on future work ability. However, physical complaints were also associated with a lower future work ability and should not be ignored. Higher levels of autonomy, a supportive leadership style and social support from colleagues did not predict higher future work ability. However, a higher level of these resources was associated with a higher current working ability, suggesting that the beneficial effect may only last for a short time. In participants with average or many physical complaints, there was no difference in future work ability between average and high autonomy. However, future work ability was remarkably lower when autonomy was low. No moderation by the other resources was found in this sub-study.\n\nSub-question 4: To what extent do the late effects of cancer treatments (physical complaints, fatigue and cognitive complaints) and job resources (autonomy and supportive leadership style) have an association with future burnout complaints in employees with a breast cancer diagnosis two to ten years ago?\n\nIn this sub-study, it was found that a higher level of fatigue and cognitive complaints predicted higher future burnout complaints (9 months later), taking into account the individual initial score of burnout complaints on the first questionnaire. In addition to fatigue and cognitive complaints, no significant causal effect of physical complaints on future burnout complaints was observed, because the influence of fatigue and cognitive complaints was stronger. Higher levels of autonomy or a supportive leadership style had no direct effect on future burnout complaints but an association with current burnout complaints, which in turn were associated with future burnout complaints. No buffering was observed with regard to supportive leadership, but more autonomy did buffer the negative association between cognitive complaints and future burnout complaints. The latter had not been studied before and is a remarkable finding.\n\nSub-question 5: What are the experiences and ideas of managers and professionals about the guidance of employees with late effects of cancer (treatment) and what is their idea about the effect of autonomy, social support by colleagues and an open organizational culture?\n\nIn the interviews, the late effects of cancer treatments were discussed. Both the previously described physical complaints, fatigue and cognitive problems were recognized and considered as late effects, that were experienced during functioning at work. Some professionals reported that the willingness to share such complaints in the context of work requires an open and safe psychological climate, which unfortunately is not present in every organization or workplace. When the manager or human resource management is aware of cognitive problems and fatigue, guidance is sometimes complicated, due to the invisibility and complexity of the complaints and because ways to deal with them are not always known on the work floor and within work activities and require special customization. Some tasks can no longer be performed in the case of cognitive complaints, because of the associated risks. In those cases, it is necessary to be familiar with these complaints and the possible consequences during work. Specialized professional support is possible, but does not reach everyone, who needs it. Autonomy in work was generally considered an important factor and the need for tailor-made interventions was expressed. There were warnings with regard to workers taking a step back in job level, because this may involve the risk of less autonomy in the new work situation, which was considered disadvantageous. Also, the fear of cancer return or a different view on life were discussed in various interviews as a form of possible late effects of getting cancer, as well as the problems that self-employed people face. Many self-employed people are insufficiently insured and therefore have no opportunities to find (affordable) support or guidance.\n\nGeneral conclusions and recommendations\n\nFirst of all, it is important to note that the complaints reported by the workers are not caused with certainty (only) by the cancer treatments. However, because previous research has shown that these complaints can be characterized as late effects, this PhD study has used the self-reporting of physical complaints, fatigue and cognitive complaints.\n\nIt was noticed that all three complaints show mutual associations, especially for fatigue and cognitive complaints, this is known from other research. During the interviews in this PhD research, it was pointed out that fatigue can be the cause of cognitive complaints and that cognitive complaints can cause fatigue. Furthermore, previous studies have shown that fatigue is a common late effect of cancer treatment and is associated with lower work ability, and that this association may even be slightly stronger among workers, who have faced cancer in the past than among other populations of workers. In the sub-studies based on the data collection in this PhD project among workers two to ten years after cancer diagnosis, fatigue and cognitive complaints are not only associated with a lower current work ability and higher current burnout complaints, but were also predictive of a lower future work ability and higher future burnout complaints. The importance of these results is that fatigue and cognitive complaints can not only be a hindrance in work functioning at the moment, but it affects future functioning in work as well. This shows the importance to take such complaints seriously. In addition, when investigating burnout symptoms, severe fatigue due to cancer treatments can possibly lead to a burnout diagnosis, which can result in the treatment not being in line with the cause of the complaints.\n\nThe job resources autonomy and support in the workplace (by colleagues or by supervisors \/ managers) had no direct association with future work ability or burnout complaints among salaried workers, who were confronted with a breast cancer diagnosis in the past. Nevertheless, these resources appear to be associated with higher current work ability and lower current burnout complaints, suggesting a short-term effect on better work functioning, indicating that these resources need attention continuously. The searches of the literature showed that a number of studies had also found that autonomy and support by colleagues was associated with higher current work ability among workers after cancer diagnosis. However, for none of the job resources had been investigated whether there was buffering of the relationship between possible late effects and work ability or burnout complaints. In the sub-study among workers with chronic conditions, autonomy and a supportive leadership style appeared in a number of cases to have a buffering effect on the associations with work ability or burnout complaints. No buffering was found of social support by colleagues. In the sub-studies based on the data collection within this PhD project among workers two to ten years after a breast cancer diagnosis, a result regarding buffering can only be reported for autonomy. This concerns the buffering by autonomy of the relationship between cognitive complaints and future burnout complaints. Apparently, higher autonomy in case of higher cognitive complaints helps to reduce future burnout complaints. This is an important and previously unreported result, because it shows that the role of the worker and the opportunities that are offered in determining the content and approach to work has a more favorable effect on functioning at work the higher cognitive complaints are. A reverse effect (namely deterioration of the relationship) was found for autonomy regarding the relationship between physical complaints and work ability. Autonomy should not be too low in the situation of high levels of physical complaints, because then the work ability is much lower than at an average level of autonomy. However, in the situation of high levels of physical complaints a similar work ability is observed for an average level and for a high level of autonomy. Therefore the conclusion is that there is an optimum level of autonomy in the case of physical complaints. Moreover, this shows that \u2013 as professionals indicated during the interviews \u2013 customization is important. Finally, this PhD research shows that the most favourable level of autonomy must be properly determined; depending on the profile of different late effects and in this will have to be determined in dialogue with the worker. Further research may show profiles of different levels of late effects, providing guidelines with regard to the most optimal approach in the workplace. For example, adjustments in hours and tasks are adjustments often mentioned, however it is also important to focus on how work tasks or the job can provide as much work pleasure and positive energy as possible, with a view to functioning well at work, also within this population of workers.\n\nPractical implications for supervisors, managers, professionals and workers with or past cancer.\n\nContact, openness and seeking solutions in dialogue turned out to be keywords in the interviews, but unfortunately this is not common in every work environment. Especially cognitive complaints and fatigue are complicated given their invisibility to the environment. In order to recognize that any late effects affect functioning at work, the complaints must therefore be shared, but workers sometimes find this difficult out of fear for discrimination or stigmatization. That fear is not necessarily unfounded, as also emerged from the interviews. Partly for this reason, it is important that all employees are aware that a occupational physician has to comply with doctor-patient confidentiality. There are also specialized occupational physicians in the field of oncology (so-called BACO\u2019s) and many other professionals, who are specialized in the field of work and cancer. These professionals offer many opportunities for guidance and support. Within organizations, human resource management can play a crucial role as an advisor to supervisors and managers, directing the approach to work and cancer and making other professional guidance accessible to the employees. Moreover, informal care or support from the private environment can also be very important for the worker. For all professionals, and especially for those who have little experience with workers who have had cancer, it is important to be aware of the late effects of cancer and cancer treatments. It is crucial that all late physical effects relevant in the workplace, as well as cognitive complaints and fatigue, are taken seriously. The worker should be familiar with the possibility of late effects of the treatments so they can be recognized if they should occur, and the most appropriate approach should be chosen. Facing the situation before and after cancer and cancer treatments can be confronting. Unfortunately, professional help is not easy to find and accessible for all workers. Late effects of cancer treatments are common and should be more explicitly on the agenda of researchers, human resource management and line management, and all those who can help workers, who are struggling with this.","auteur":"Ingrid Boelhouwer","auteur_slug":"ingrid-boelhouwer","publicatiedatum":"30 september 2022","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/ingridboelhouwer?iframe=true","url_download_pdf":"","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604021219","isbn":"978-94-6423-871-6","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Open Universiteit","afbeeldingen":7550,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Open Universiteit","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/7548","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=7548"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/7548\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":7551,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/7548\/revisions\/7551"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/7549"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=7548"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=7548"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}