{"id":7146,"date":"2026-04-02T08:25:27","date_gmt":"2026-04-02T08:25:27","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/eric-alexander-dik\/"},"modified":"2026-04-02T08:25:33","modified_gmt":"2026-04-02T08:25:33","slug":"eric-alexander-dik","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/eric-alexander-dik\/","title":{"rendered":"Eric Alexander Dik"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":7147,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-7146","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Early Stage Oral Squamous Cell Carcinoma","samenvatting":"Conclusies hoofdstuk 2\n-De groeikenmerken PG, VG en IG bepaald op het resectie preparaat konden worden gerelateerd aan het voorkomen van occulte metastasen en zijn daarom van prognostische betekenis.\n-Er bestaat een slechte correlatie tussen groeikenmerken bepaald op het biopt en het resectie preparaat. Vooral biopten negatief voor een bepaald groeikenmerk, zijn niet betrouwbaar, en kunnen de behandelaar onterecht geruststellen.\n-Tumor infiltratiediepte is in de meeste gevallen (85%) niet betrouwbaar te bepalen op het biopt, omdat de biopt dikte de tumor infiltratie diepte niet overschrijdt.\n-Vergroten van de biopt diameter tot \u2265 de helft van de tumor diameter kan leiden tot een betere voorspellende waarde van het biopt.\n-Het biopt in de huidige vorm is niet van meerwaarde in de behandel planning van de cN0 hals.\n\nBij het OPCC wordt onderscheid gemaakt tussen goed, matig, slecht en ongedifferentieerde tumoren. De differentiatiegraad wordt in veel hoofd hals centra routinematig bepaald op zowel het biopt als het resectie preparaat. Het verslechteren van de differentiatiegraad wordt gerelateerd aan agressiever tumor gedrag en metastasering. Deze relatie is echter controversieel. In hoofdstuk 3 werd het biopt als voorspeller van de differentiatiegraad aanwezig in het resectie preparaat belicht. Om te kijken of het graderen van OPCC\u2019s op biopt en resectie preparaat van meerwaarde is werd gekeken naar een aantal onderwerpen:\n\n1. Er werd gekeken of de differentiatiegraad bepaald op het resectie preparaat en het biopt gerelateerd konden worden aan de aanwezigheid van halsklier metastasen en overleving.\n2. De voorspellende waarde van het biopt werd bepaald door te kijken of de differentiatie graad bepaald op het biopt overeenkwam met de differentiatie graad bepaald op het resectie preparaat.\n3. Er werd gekeken of de verslechtering van de differentiatiegraad in het resectie preparaat te relateren is aan het voorkomen van de ongunstige groeikenmerken PG, VG en IG.\n4. Er werd gekeken of het toevoegen van IG aan de gradering leidt tot een betere correlatie met het N-stadium.\n\nIn totaal werden 145 pati\u00ebnten met een pT1-2 cN0 OPCC van de tong, mondbodem of wang ge\u00efncludeerd.\n\n-Het verslechteren van de gradering op zowel het biopt als het resectie preparaat kon niet worden gerelateerd aan de aanwezigheid van occulte metastasen (resp. p=1.0 en p=0.50) en overleving (resp. p=0.65 en p=0.44).\n-Er bestaat een slechte correlatie tussen het biopt en het resectie preparaat aangaande de differentiatiegraad. Een gelijk resultaat voor goed, matig en slecht gedifferentieerd tumoren werd gevonden in respectievelijk 43%, 83% en 39% van de gevallen.\n-Alleen in geval van slecht gedifferentieerde tumoren werd significant meer vaso-invasieve groei gevonden (p=0.02). Er werd geen significante relatie gevonden tussen het voorkomen van de ongunstige groeikenmerken PG en IG en het verslechteren van de gradering (resp. p=0.15 en p=0.85).\n-Het toevoegen van IG aan de gradering leidt in geval van matig gedifferentieerde tumoren tot een significante relatie met het N-stadium (p=0.02). Bij goed slecht en ongedifferentieerde tumoren wordt geen significantie gezien (resp. p=0.62, p=0.47).\n\nConclusies hoofdstuk 3\n-Er bestaat een slechte correlatie tussen biopt en resectie preparaat aangaande gradering. Derhalve is het biopt te beschouwen als een slechte voorspeller voor het definitieve resectie preparaat.\n-Omdat het verslechteren van de differentiatiegraad niet kon worden gerelateerd aan de aanwezigheid van metastasen of overleving, lijkt de gradering geen prognostische waarde te hebben en is niet van meerwaarde in de behandel planning.\n-Door het toevoegen van het groeikenmerk IG aan de gradering kan de prognostische waarde verbeteren. Waarschijnlijk omdat IG een onafhankelijke voorspeller is voor occulte metastasen.\n\nHet pathologie verslag\n\nBij een OPCC is het pathologie verslag voor een groot deel bepalend in de keuze om al dan niet aanvullend te behandelen na primaire chirurgische therapie. De beoordeling wordt meer en meer uitgevoerd op digitale coupes. Aangezien het verslag een bepalende factor is, is kennis over de inter-observer variatie (IOV) van groot belang om de betrouwbaarheid en dus ook reproduceerbaarheid in te kunnen schatten. In hoofdstuk 4 werd er gekeken naar de IOV tussen pathologen bij de beoordeling van de histologische (groei)kenmerken botinvasieve groei (BI), Perineurale Groei (PG), Vaso invasieve Groei (VG) en Sprieterige Infiltratieve Groei (IG) op digitale HCE coupes van het resectie preparaat. Digitale HCE coupes werden door 6 hoofd hals pathologen uit 6 verschillende hoofd hals centra in Nederland beoordeeld op de aanwezigheid van \u201congunstige\u201d histologische groeikenmerken.\n\n-Voor BI varieerde de inter-observer concordantie tussen 73% tot 100% met een Fleiss\u2019 Kappa van 0.457 (p<0.001) wat een gemiddelde inter-observer overeenkomst genoemd wordt.\n-Voor IG varieerde de inter-observer concordantie tussen 39% en 79% met een Fleiss\u2019 Kappa van 0.100 (p<0.001) wat een geringe inter-observer overeenkomst genoemd wordt.\n-Voor PG varieerde de inter-observer concordantie tussen 33% en 97% met een Fleiss\u2019 Kappa van 0.223 (p<0.001) wat een redelijke inter-observer overeenkomst genoemd wordt.\n\nConclusies hoofdstuk 4\nMet hoogstens een gemiddelde overeenkomst tussen pathologen bij het beoordelen van digitale HCE coupes op ongunstige groeikenmerken is de huidige reproduceerbaarheid niet betrouwbaar genoeg en kunnen de bevindingen niet worden gebruikt om de adjuvante behandelplanning in de dagelijkse klinische praktijk te begeleiden. Verbetering van IOV is noodzakelijk.\n\nAls clinici willen vasthouden aan de overtuiging dat ongunstige histologische parameters van belang zijn in de behandelplanning, kunnen duidelijke en transparante definities van de kwaliteit van schermen en scherminstellingen en duidelijke definities voor de verschillende histologische parameters door regelmatige consensusbijeenkomsten bijdragen aan een betere reproduceerbaarheid. Deze studie kan als basis dienen om het effect van toekomstige trainings- en consensusbijeenkomsten te evalueren.\n\nResectie marges\n\nEen OPCC wordt bij voorkeur verwijderd met een pathologische vrije marge van >5mm (VM). Lokale nabehandeling is dan niet ge\u00efndiceerd. Indien tumorcellen in de resectie randen aanwezig zijn is er sprake van een ir-radicale resectie, een positieve marge (PM). Er is dan doorgaans een indicatie voor een aanvullende behandeling. In geval van vrije resectie randen, echter <5mm, een krappe marge (KM), is er discussie over de indicatie van een aanvullende behandeling. Naast de discussie of er aanvullend behandeld moet worden is er niet zelden gebrek consensus over de te kiezen aanvullende behandeling. In hoofdstuk 5 werd het probleem \u201clokaal recidief\u201d geanalyseerd. Om meer inzicht te krijgen in de rol van resectie marges, en het onderbouwen van het al dan niet toepassen van aanvullende therapie\u00ebn, werden de volgende onderwerpen belicht.\n\n1. Het voorkomen van lokaal recidief na primaire resectie van een OPCC van de tong, mondbodem of de wang.\n2. Het voorkomen van lokaal recidief werd gerelateerd aan de resectie marge, de aanwezigheid van ongunstige groeikenmerken (PG, VG, IG) en de gekozen aanvullende benadering (follow-up, re-resectie of postoperatieve radiotherapie (PORT)).\n3. Follow up pati\u00ebnten met een VM en follow-up pati\u00ebnten met een KM (\u22653mm <5mm) werden vergeleken.\n4. De 3 jaar algemene overleving en ziekte specifieke overleving werd bepaald in relatie tot de resectie marge.\n\nIn totaal werden 200 pati\u00ebnten met een stadium I-II OPCC van de tong, mondbodem of wang ge\u00efncludeerd.\n\n- Negen van de 200 pati\u00ebnten (4.5%) ontwikkelden een lokaal recidief.\n- Van de 200 pati\u00ebnten had 11% een PM, 63% een KM en 26% een VM.\n-E\u00e9n recidief werd gevonden in de re-resectie groep, 5 in de PORT groep en 3 in de follow-up groep.\n-Door de kleine aantallen kon het optreden van een lokaal recidief kon niet worden gerelateerd aan de resectie marge of ongunstige histologische groeikenmerken. Om dezelfde reden kon geen voorkeur voor aanvullende therapie worden bepaald.\n-Vergelijking tussen pati\u00ebnten met een VM en pati\u00ebnten met een KM \u22653mm en \u22642 ongunstige groeikenmerken in de follow-up groep laat geen significant verschil zien in het optreden van recidief en de algemene en ziekte specifieke overleving.\n-Er werd geen significant verschil gezien in algemene en ziekte specifieke overleving bij pati\u00ebnten met een VM, KM of PM.\n\nConclusies hoofdstuk 5\n- Met 4.5% is de kans op lokaal recidief klein ongeacht de resectie marge.\n-Op basis van deze studie is er geen bewijs voor \u00e9\u00e9n aanvullende lokale therapie boven een andere.\n-Wat het optreden van lokaal recidief betreft kon er geen bewijs worden gevonden voor aanvullende behandeling van T1-2 tumoren verwijderd met een marge van \u22653mm en \u22642 ongunstige groeikenmerken.\n-Gezien de bijwerkingen in deze omstandigheden is het incorrect om aanvullende therapie\u00ebn als re-resectie of PORT toe te passen bij vrije marges \u22653mm.\n\nDe hals\n\nDe aanwezigheid van halsklier metastasen bepaald voor een belangrijk deel de prognose van pati\u00ebnten met een OPCC. Met onze huidige primaire staging technieken (Echo hals in combinatie met CT en\/of MRI) missen we tussen de 20 en 40% van de halsklier metastasen. In hoofdstuk 6 werden twee behandelstrategie\u00ebn ge\u00ebvalueerd. De selectieve nekdissectie level I II III (SND) en het nauwkeurig opvolgen van de hals (NOH). In geval van een SND is er sprake van een invasieve therapie met de mogelijke morbiditeiten. Indien gekozen wordt voor het NOH bestaat er een kans dat er reeds occulte metastasen aanwezig zijn en pas later ontdekt worden. Om inzicht te krijgen in de consequenties van de verschillende benaderingen werden de volgende onderwerpen bekeken.\n\n1. De distributie van occulte metastasen over de verschillende behandelgroepen.\n2. Het voorkomen van extra capsulaire groei bij SND pati\u00ebnten en NOH pati\u00ebnten met occulte metastasen.\n3. Het voorkomen van ongunstige histologische parameters bij pati\u00ebnten met metastasen (N+) en zonder metastasen (N-) in de NOH groep.\n4. Het verschil in 3 jaar algemene overleving en ziekte specifieke overleving tussen de verschillende groepen.\n\nIn totaal werden 193 pati\u00ebnten met een stadium I-II OPCC van de tong, mondbodem of wang ge\u00efncludeerd. Bij pati\u00ebnten met een geschatte tumordiameter <15mm en een infiltratiediepte <5mm werd alleen de primaire tumor verwijderd en de hals nauwkeurig opgevolgd. Bij de overige pati\u00ebnten werd naast de tumorresectie een SND level I II III uitgevoerd.\n\n-Van de totaal 193 pati\u00ebnten bleken er 45 (23%) N+.\n-Van de 123 SND pati\u00ebnten bleken er 36 (29%) N+. Van de 70 pati\u00ebnten in de NOH groep bleken 9 (13%) N+.\n-Tenminste 4% van de pati\u00ebnten had extra capsulaire groei in de SND-N+ groep.\n-Tenminste 7% van de pati\u00ebnten had extra capsulaire groei in de NOH-N+ groep.\n-N+ Pati\u00ebnten in de NOH groep hadden een significant grotere tumor infiltratie diepte in vergelijking met N- pati\u00ebnten in deze groep. Ten opzichte van de overige ongunstige histologische kenmerken werden geen significante verschillen waargenomen.\n-Pati\u00ebnten in de SND groep en de NOH groep lieten een vergelijkbare algemene en ziekte specifieke overleving zien met respectievelijk 90% versus 86% (p=0.54).\n-Pati\u00ebnten in de SND-N+ groep hadden een significant betere ziekte specifieke overleving in vergelijking met pati\u00ebnten in de NOH-N+ groep, 82% versus 56% (p=0.02). Er werd geen verschil gezien in algemene overleving tussen deze twee groepen.\n\nConclusies hoofdstuk 6\n-Het beleid om tumoren met een geschatte diameter <15mm en infiltratie diepte <5mm voor wat betreft de hals op te volgen reduceert de a priori kans op een occulte metastase van 23% naar 13% bij pati\u00ebnten met een stadium I-II OPCC van de tong, mondbodem of wang.\n-Ondanks primaire staging en zorgvuldige selectie blijkt toch 13% van de pati\u00ebnten in de NOH groep een occulte metastase te hebben en \u201conder\u201d behandeld te worden.\n-N+ Pati\u00ebnten in de NOH groep bleken een significant grotere infiltratie diepte te hebben. Derhalve werd een SND geadviseerd bij een infiltratie diepte die groter blijkt te zijn dan 4mm.\n-Strikt en nauwkeurig opvolgen is essentieel aangezien N+ pati\u00ebnten in de NOH groep meer extra capsulaire groei toonden met een slechtere ziekte specifieke overleving in vergelijking met N+ pati\u00ebnten in de SND groep.\n\nPrognose\n\nBehandelaars hebben een breed pallet aan behandelopties voor pati\u00ebnten met een OPCC. Pati\u00ebnten worden echter ouder, en de paternalistische pati\u00ebnt dokter verhouding is langzaam aan het verdwijnen. Dit cre\u00ebert spanning tussen de meest effectieve oncologische therapie, en de meest wenselijke therapie, aangaande leeftijd, co-morbiditeit en wensen van de pati\u00ebnt. In hoofdstuk 7 staat prognose centraal. Het doel van deze studie was om een predictie model te ontwikkelen met een nomogram om accuraat de 5 jaar postoperatieve overleving te kunnen bepalen om de behandelaar en pati\u00ebnt te ondersteunen in het gezamenlijk besluit welke therapie de meest passende is. 475 opeenvolgende chirurgisch behandelde OPCC pati\u00ebnten tussen 2003 en 2011 werden retrospectief geanalyseerd. Factoren geassocieerd met algemene overleving werden ge\u00efdentificeerd en ingevoegd in een predictie model en nomogram genoemd \u201coral oncoprognostic\u201d. De sterkste factoren gerelateerd aan algemene overleving waren leeftijd, synchrone primaire tumor, ASA classificatie, primaire tumor locatie, pathologisch T stadium, N stadium en de aanwezigheid van extra capsulaire groei.\n\nConclusies hoofdstuk 7\nOral oncoprognostic is een bruikbaar hulpmiddel om de algemene overleving te bepalen van post chirurgische pati\u00ebnten. Het nomogram kan helpen bij pati\u00ebnt begeleiding en individuele behandelplanning. Aanpassing aan de TNM 8 en externe validatie is echter noodzakelijk.","summary":"Conclusions chapter 2\n-The histological growth parameters PG, VG and IG determined on the resection specimen could be related to the presence of occult metastasis. These parameters have in consequence prognostic value.\n-There is a poor correlation between histological parameters determined on the biopsy and resection specimen. Especially biopsies that lack a specific histological parameter are not reliable and can reassure the clinician wrongly.\n-Reliable determination of tumor infiltration depth is not possible in the majority (85%) of cases because the biopsy thickness does not comprise the tumor thickness.\n-Increase of the biopsy diameter by \u2265 half of the tumor diameter, could improve the predictive value of the biopsy.\n-In this group of patients, the biopsy does currently not add any value in the treatment planning of the cN0 neck.\n\nIn case of an OSCC a distinction is made between well, moderately, poorly and undifferentiated tumors. In many head and neck cancer centers the biopsy specimen as well as the resection specimen is routinely graded. Deterioration of grade is related to aggressive tumor behavior and metastasis. This relation is controversial however. In chapter 3 the value of the biopsy as a predictor for the differentiation grade in the subsequent resection specimen was analyzed. To analyze if grading of OSCC\u2019s on the biopsy and resection specimen is of added value the following topics were covered:\n\n1. The relation between differentiation grade, determined on the biopsy- and resection specimen, and the occurrence of occult metastasis and survival was determined.\n2. The predictive value of the biopsy was determined by analyzing the correlation between biopsy and resection specimen concerning the determination of differentiation grade.\n3. Deterioration of grade determined on the resection specimen was related to the presence of PG, VG and IG.\n4. The effect of adding IG to the differentiation grade on the correlation with the N stadium, was analyzed.\n\nIn total 145 patients with a pT1-2 cN0 OSCC of the tongue, floor of mouth or cheek were included.\n\n-Deterioration of differentiation grade on the biopsy- as well as the resection specimen was not related to the presence of occult metastasis (resp. p=1.0 and p=0.50) nor to survival (resp. p=0.65 and p=0.44).\n-Correlation between biopsy and subsequent resection specimen concerning differentiation grade is poor. A similar differentiation grade in biopsy- and resection specimen considering well, moderately and poorly differentiated tumors, was found in resp. 43%, 83% and 39% of the cases.\n-Only in case of poorly differentiated tumors, a significantly higher amount of VG was found (p=0.02). No significant relation could be found between the presence of the unfavorable histological parameters PG and IG and the deterioration of differentiation grade (resp. p=0.15 and p=0.85).\n-Only the combination of IG with a moderately differentiation grade gave a significantly higher risk on nodal metastasis (p=0.02). Combining the pattern of invasion with well and poorly OSCC\u2019s did not lead to a significantly higher risk on nodal metastasis (resp. p=0.62 and p=0.47).\n\nConclusions chapter 3\n-Concerning the poor correlation of differentiation grade between biopsy and resection specimen, the differentiation grade determined on the biopsy must be considered as a poor predictor for the subsequent resection specimen.\n-Since deterioration of the differentiation grade could not be related to the presence of nodal metastasis nor survival, these criteria don\u2019t have any prognostic value concerning outcome and are consequently of little value for treatment planning.\n-By adding the histological parameter IG to the differentiation grade, the prognostic value could increase, probably because it is an independent risk factor for nodal metastasis.\n\nThe pathology report\nIn case of an OSCC the pathology report is a dictating tool whether to perform an adjuvant therapy after primary surgery. Pathologists assess more and more on digital slides. Since the pathology report is a determining factor, knowledge about the inter-observer variation (IOV) is relevant to estimate the level of reliability and reproducibility of the report. In chapter 4 the pathology report was highlighted. The focus was on the IOV during the determination of the histological parameters: bony invasion (BI), perineural growth (PG), Vascular invasive growth (VG) and Spidery infiltrative growth (IG) on digital HCE slides of the resection specimen.\n\nDigital HCE slides were re-assessed on the presence of unfavorable histological growth parameters by 6 dedicated head and neck pathologists. The IOV between these pathologists was determined.\n-For BI, the inter observer concordance varied between 73% and 100% with a Fleiss\u2019Kappa of 0.457 (p<0.001) which is called a moderate inter-observer agreement.\n-For IG, the inter observer concordance varied between 39% and 79% with a Fleiss\u2019Kappa of 0.100 (p<0.001) which is called a slight inter-observer agreement.\n-For PG, the inter observer concordance varied between 33% and 97% with a Fleiss\u2019Kappa of 0.223 (p<0.001) which is called a fair inter-observer agreement.\n\nConclusions chapter 4\n-With at most a moderate inter observer agreement during the assessment of digital HCE slides on the presence of unfavorable histological parameters, the current reproducibility is not reliable enough to guide adjuvant treatment planning.\n-Improvement of the IOV concerning the assessment of unfavorable histological parameters in OSCC is mandatory.\n-If clinicians want to believe that unfavorable histological parameters are of importance in treatment planning, better reproducibility is warranted. Clear and transparent definitions in quality of screens and screen settings as well as establishing clear definitions for the different histological parameters by regular consensus meetings may contribute.\n-This study could serve as a baseline, to evaluate the effect of future training and consensus meetings.\n\nResection margins\nAn OSCC is preferably removed with a pathologically free margin >5mm (FM) in which case local adjuvant treatment is not indicated. When tumor cells are present in the resection margin there is a pathologically positive margin (PM). In general this is an indication for adjuvant treatment. In case of free resection margins with tumor cells close to the border (<5mm) there is a close margin (CM). In case of close margins discussion arises about the necessity for adjuvant treatment. Then there often is a lack of consensus if and which adjuvant treatment to choose. Chapter 5 focused on local residual disease.\n\n1. The occurrence of local residual disease after primary resection of an OSCC of the tongue, floor of mouth or cheek was analyzed.\n2. The occurrence of local residual disease was related to margin status, the presence of unfavorable histological parameters (PG, VG, IG) and the type of adjuvant approach (i.e. follow up, re-resection or postoperative radiation therapy (PORT)).\n3. Follow-up patients with a FM and a follow-up patients with a CM (\u22653mm <5mm) were compared.\n4. Three year overall and disease specific survival were determined and related to margin status.\n\nIn total 200 patients with a stage I-II OSCC of the tongue, floor of mouth or cheek were included.\n\n-Of the 200 patients 11% had a PM, 63% a CM and 26% a FM.\n-Nine out of 200 patients (4.5%) had local recurrent disease.\n-One recurrence was found in the re-resection group, 5 in the PORT group and 3 in the follow-up group.\n-Two recurrences were found in the PM, 5 in the CM and 2 in the FM group.\n-Because of the small numbers, no significant relation could be found between local recurrence and margin status as well as local recurrence and unfavorable histological parameters. Because of the same reason no preference for local adjuvant therapy could be estimated.\n-No significant differences in recurrence and overall survival were seen between the follow-up group with FM and the follow-up group with CM \u22653mm and \u22642 unfavorable histological parameters (p=0.57).\n-No significant differences in overall and disease specific survival were seen between the FM, CM and PM group.\n\nConclusions chapter 5\n-In our current treatment protocol, the chance of developing local recurrent disease was low (4.5%) regardless of margin status.\n-Based on this study, there is no evidence for one adjuvant treatment modality above another.\n-Concerning local recurrence for T1-2 tumors, no evidence was found for the need for adjuvant treatment in case of margins \u22653mm and \u22642 unfavorable histological parameters: A clear margin of \u22653mm is as safe as \u22655mm.\n-Regarding side-effects in these circumstances, it is incorrect to add therapies like re-resection or PORT in case of clear margins \u22653mm.\n\nThe neck\nThe presence of cervical metastasis is an important prognostic factor concerning survival in patients with an OSCC. With our current primary staging techniques (Ultra Sound in combination with CT and\/or MRI) around 20-40% of the metastasis is missed. In chapter 6 the occurrence of neck nodal metastasis of stage I-II OSCC patients was analyzed. Two treatment strategies were evaluated. The selective neck dissection levels I II III (SND) or watchful waiting (WW). In case of a SND the patient is invasively treated with potential peri-operative morbidities as a result. In case of watchful waiting (WW) of the neck, there is a chance that occult metastases appear during follow up with a treatment delay in consequence. To gain insight in the consequences of the different approaches, the following topics were analyzed:\n\n1. The distribution of occult metastasis over the different treatment groups.\n2. The presence of extra capsular spread.\n3. The presence of unfavorable histological parameters in the resection specimen of patients with (N+) and without (N-) occult metastasis in the WW and SND group.\n4. Differences in three years overall survival (OS) and disease specific survival (DSS) between the two treatment strategies.\n\nIn total 193 patients with a stage I-II OSCC of the tongue, floor of mouth or cheek were included.\nIn patients with an estimated tumor-diameter <15mm and an infiltration depth of <5mm only the primary tumor was resected. The neck was closely followed up (WW-group). The other patients received also a selective neck-dissection level I II III (SND group).\n\n-Forty-five out of 193 patients (23%) had an occult metastasis (N+).\n-Thirty-six out of 123 SND patients (29%) and 9 out of 70 WW patients (13%) were N+.\n-At least 4% of the patients in the SND-N+ group showed extra capsular spread.\n-At least 7% of the patients in the WW-N+ group showed extra capsular spread.\n-WW-N+ patients had a significantly higher infiltration depth compared to WW-N- patients. No significant differences were seen for other histological parameters between these groups.\n-Between the SND and WW group no significant differences were seen in OS resp. 90% vs 86% (p=0.54).\n-The SND-N+ group had a significantly better DSS compared to the WW-N+ group 82% vs 56% (p=0.02). No differences were seen in OS between these groups.\n\nConclusions chapter 6\n-The policy to select patients with an estimated tumor diameter <15mm and infiltration depth <5mm for close follow up of the neck, reduces the chance of having occult metastasis from 23% to 13% in patients with a stage I-II OSCC.\n-Unless primary staging and careful selection still 13% of the patients in the WW group had occult metastasis and is undertreated.\n-WW-N+ patients had a significantly higher infiltration depth compared to WW-N- patients, hence we advise a SND in case of an infiltration depth >4mm.\n-Careful follow-up of the neck is mandatory in the WW group because WW-N+ patients showed more extra capsular growth and a worse DSS compared to SND-N+ patients.\n\nPrognosis\nClinicians have a broad range of treatment options for patients with an OSCC. Patients are getting older and the relevance of patient participation in deciding on their treatment is increasing. This urges to adept the most effective cancer therapy to the most eligible therapy, with age, co-morbidity and wishes of the individual patient taken into concern. In Chapter 7 prognosis is the main topic. The aim of this study was to develop an accurate prediction model and nomogram to predict five-year overall survival of post-operative OSCC patients to support in shared decision making. Four hundred and seventy-five consecutive OSCC patients who were surgically treated between 2003 and 2011 were retrospectively analyzed. Prognostic factors were associated with overall survival, after which a prediction model and nomogram for individual patients was build, called \u201cOral Oncoprognostic\u201d. The strongest prognostic factors for overall survival were: age, synchronous primary tumor, ASA classification, primary tumor location, pathologically determined T stage, nodal stage, and extracapsular extension.\n\nConclusions chapter 7\nOral Oncoprognostic is a useful tool to predict overall survival in post-operative OSCC patients. The nomogram can support patient counselling and individualized treatment planning. However, adjustment to the TNM 8th edition and external validation is necessary.","auteur":"Eric Alexander Dik","auteur_slug":"eric-alexander-dik","publicatiedatum":"15 oktober 2019","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/ericalexanderdik?iframe=true","url_download_pdf":"","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604020821","isbn":"978-94-6380-524-7","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Universiteit Utrecht","afbeeldingen":7148,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Universiteit Utrecht","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/7146","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=7146"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/7146\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":7149,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/7146\/revisions\/7149"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/7147"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=7146"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=7146"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}