{"id":5706,"date":"2026-03-31T07:49:26","date_gmt":"2026-03-31T07:49:26","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/anouschka-middelkoop\/"},"modified":"2026-03-31T07:49:32","modified_gmt":"2026-03-31T07:49:32","slug":"anouschka-middelkoop","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/anouschka-middelkoop\/","title":{"rendered":"Anouschka Middelkoop"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":5707,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-5706","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"main_text":"","naam_van_het_proefschift":"Foraging in the farrowing room to stimulate feeding","samenvatting":"Biggen worden in de gangbare varkenshouderij op 3 tot 4 weken na hun geboorte plotseling gescheiden van hun moeder, waardoor ze geen melk meer kunnen drinken en zelfstandig voer moeten gaan eten. Dit proces wordt spenen genoemd, en gaat vaak samen met het overplaatsen van biggen (naar een ander hok of een ander bedrijf) en het samenvoegen met biggen opgegroeid bij andere zeugen. Deze abrupte veranderingen in voer, omgeving en sociale groep leiden tot veel stress, wat zich uit in slecht eten en groeien, diarree en het vertonen van stress-gerelateerde gedragingen, zoals staartbijten. Spenen wordt daarom vaak gezien als de meest stressvolle periode in het leven van een varken. Biggen die al geleerd hebben vast voer op te nemen voordat ze gespeend worden, eten en groeien beter na spenen, met name als ze veel van dit voer v\u00f3\u00f3r spenen gegeten hebben. Een aanzienlijk deel van de biggen eet echter niet voor ze gespeend worden of slechts kleine hoeveelheden, ondanks dat ze het voer vroeg aangeboden krijgen. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken hoe biggen gestimuleerd kunnen worden om vast voer op te nemen v\u00f3\u00f3r spenen. Verder is de invloed van het vroeg aanbieden van vast voer op gedrag, en het eten van vast voer op de darmfysiologie en darm microbiota nog grotendeels onbekend.\n\nDit proefschrift is opgedeeld in twee delen. In het eerste deel onderzochten we de effecten van het verstrekken van vast voer vanaf een jonge leeftijd op het gedrag en de (darm)fysiologie van de biggen. In het tweede deel van het proefschrift zijn verscheidene strategie\u00ebn onderzocht om meer biggen aan het eten te krijgen en ook de hoeveelheid die ze eten v\u00f3\u00f3r spenen te verhogen, om zo de aanpassing aan vast voer na spenen te vergemakkelijken. Dit werd gedaan door biggen meer mogelijkheden te geven om foerageergedrag te vertonen, zoals wroeten en kauwen. Onder meer natuurlijke omstandigheden foerageren biggen namelijk al vanaf een paar dagen na de geboorte en proberen ze hierbij verscheidene, deels vezelrijke voedselbronnen uit. In de gangbare varkenshouderij is de mogelijkheid tot foerageren echter beperkt, omdat er meestal geen geschikte wroetmaterialen aangeboden worden en de biggen slechts \u00e9\u00e9n type voer verstrekt krijgen. In dit proefschrift werd foerageren van biggen gestimuleerd door 1) het hok te verrijken met wroetmaterialen, afwisselende speeltjes en extra ruimte, 2) wroet-, kauw- en speel-materialen aan de voerbak te bevestigen zodat een \u2018speel-voerbak\u2019 ontstaat, 3) divers voer in de voerbak aan te bieden en 4) voer in de voerbak te verstoppen in zand om zo voedselzoekgedrag te bevorderen.\n\nVerstrekken van vast voer vanaf jonge leeftijd\nIn hoofdstuk 2 en 3 werd onderzocht of het vroeg verstrekken (vanaf 2 dagen leeftijd) van vast voer met fermenteerbare vezels v\u00f3\u00f3r spenen positief kan bijdragen aan de gedrags- en fysiologische ontwikkeling van biggen en zo problemen na spenen kan verminderen. Biggen die voer kregen v\u00f3\u00f3r spenen groeiden 12% beter in de laatste week v\u00f3\u00f3r spenen dan biggen die dit niet kregen, waardoor ze een 5% hoger speengewicht neigden te hebben (Hoofdstuk 2). In de twee weken na spenen verschilden de groepen niet in voeropname, groei, voereffici\u00ebntie en diarree, maar aan het einde van deze twee weken waren de biggen die voer v\u00f3\u00f3r spenen kregen wel 6% zwaarder en 10% uniformer in hun lichaamsgewicht. De groepen verschilden niet in een stress-marker in het bloed en in beschadigende gedragingen die geassocieerd worden met stress. We vonden dus geen aanwijzingen dat het verstrekken van vast voer v\u00f3\u00f3r spenen het speenproces minder stressvol maakt. Het verstrekken van voer v\u00f3\u00f3r spenen be\u00efnvloedde het gedrag van de biggen in geringe mate, aangezien alleen de typen exploratiegedragingen verschilden tussen te groepen, waarbij biggen met voer vaker wroetgedrag in het hok lieten zien, maar minder vaak op mest of lucht kauwden dan biggen zonder voer. Net v\u00f3\u00f3r spenen werd een deel van de biggen opgeofferd om het spijsverteringsstelsel en de darmmicrobiota te bestuderen (Hoofdstuk 3). Biggen die v\u00f3\u00f3r spenen het voer aten dat ze aangeboden kregen, hadden een langere (9.6 \u00b1 0.2 vs. 9.0 \u00b1 0.2 meter) en zwaardere darm (484 \u00b1 23 vs. 438 \u00b1 14 gram zonder darminhoud) dan biggen zonder voer. Ook hadden ze een lagere pH in de blinde (6.3 \u00b1 0.05 vs. 6.7 \u00b1 0.06) en dikke darm (6.9 \u00b1 0.08 vs. 7.2 \u00b1 0.08) en een hogere concentratie van korte-keten vetzuren in de dikke darm (69.3 \u00b1 12.4 vs. 41.2 \u00b1 4.3 \u03bcmol\/gram nat gewicht). Bovendien verschilden hun microbioom in de dikke darm v\u00f3\u00f3r spenen, waarbij de microbiota van etende biggen geassocieerd kon worden met vezelrijk voer en de hoeveelheid voer die ze tot zich namen.\n\nEen deel van de biggen in Hoofdstuk 2 kreeg na spenen een kleine hoeveelheid van het voer dat ze v\u00f3\u00f3r spenen kregen (bekend voer) bovenop het voer verstrekt dat ze na spenen kregen (onbekend voer). We verwachtten dat door een kleine hoeveelheid bekend voer te verstrekken naast het onbekende voer, we de voeropname net na spenen zouden verbeteren en stress zouden verminderen. Het aanvullen van onbekend speenvoer met een kleine hoeveelheid bekend voer stimuleerde het exploreren van voer tot 3 keer, maar de voeropname was alleen 11% hoger tussen 9 en 14 dagen na spenen. Groei en diarree werden niet be\u00efnvloed.\n\nFoerageerstrategie\u00ebn\nIn Hoofdstuk 4 tot en met 8 werd de effectiviteit van verschillende foerageerstrategie\u00ebn in de kraamstal bepaald met een focus op de overgangsfase rondom spenen. Dit werd gemeten door het eetgedrag van biggen v\u00f3\u00f3r spenen en hun aanpassingsvermogen na spenen, gereflecteerd in gedrag, huidkrassen en \u2013schade, mestconsistentie en productiekenmerken te bestuderen.\n\nIn Hoofdstuk 4 werd een deel van het kraamhok verrijkt door wroetmaterialen (stro, zaagsel en turf) te verstrekken op de vloer en de biggen afwisselende speeltjes en extra ruimte te geven. Verrijking van het kraamhok zorgde voor een hogere voeropname vergeleken met kale hokken, welke dubbel zo hoog was in de laatste 2 dagen v\u00f3\u00f3r spenen. De verrijking werd voortgezet na spenen en verhoogde in de periode na spenen de voeropname met 10%.\n\nIn Hoofdstuk 5 kregen biggen een reguliere voerbak of dezelfde voerbak met wroet-, kauw- en speelmaterialen eraan bevestigt. Hierdoor ontstond een speel-voerbak, waarmee biggen konden exploreren en spelen. De speel-voerbak werd inderdaad vaker en door meer biggen bezocht om te snuffelen, wroeten, kauwen en spelen dan een reguliere voerbak. De speel-voerbak zorgde echter niet voor een hogere voeropname dan de reguliere voerbak of voor meer etende biggen. Er werden wel meer \u2018goede eters\u2019 (biggen die op meerdere dagen als eter gescoord werden) gevonden als de speel-voerbak in plaats van een reguliere voerbak werd gegeven aan biggen van zeugen met een lage melkproductie. Ondanks dat alle biggen een gewone voerbak kregen na spenen, deden de biggen die een speel-voerbak hadden v\u00f3\u00f3r spenen het aanzienlijk beter na spenen. In de twee weken na spenen aten ze 15% meer en groeiden ze 16% meer, was diarree 73% minder prevalent, 50% minder ernstig (vastere mestconsistentie) en 43% korter en hadden de biggen anderhalf keer minder huidkrassen. Ook waren er in deze groep minder biggen met oor- en staartschade.\n\nIn Hoofdstuk 6 werd het effect van een divers voeraanbod getest op het eetgedrag van biggen v\u00f3\u00f3r spenen. De helft van de tomen kreeg gelijktijdig twee verschillende voeritems aangeboden en de andere helft van de tomen \u00e9\u00e9n van de voeritems, waaraan dagelijks een andere geur werd toegevoegd (vier geuren in totaal). De tomen met twee voeritems lieten meer voergericht gedrag zien: ze exploreerden het voer 2.6 keer zoveel, hadden meer goede eters, en aten 1.5 keer meer voer dan de tomen met \u00e9\u00e9n voeritem met afwisselende geuren. Het positieve effect van het aanbieden van meerdere voeritems op de vroege voeropname v\u00f3\u00f3r spenen werd bevestigd in Hoofdstuk 7, waarin de biggen ook na spenen gevolgd werden.\n\nIn Hoofdstuk 7 werd aan de biggen \u00e9\u00e9n voeritem gegeven of gelijktijdig vier diverse voeritems. Tomen met een divers dieet exploreerden het voer 3 tot 19 keer meer, aten 5 keer meer en hadden aanzienlijk meer etende biggen tijdens de zoogperiode dan tomen met een monotoon dieet bestaande uit maar \u00e9\u00e9n voeritem. In tomen met een divers dieet aten namelijk dubbel zoveel biggen op 11 dagen leeftijd en aten alle biggen v\u00f3\u00f3r spenen. Toch deden de biggen met het diverse dieet het niet beter na spenen, mogelijk omdat de behandeling na spenen niet werd voorgezet en ze dus ineens een monotoon dieet kregen. We verwachtten dat biggen op een divers dieet door de ervaring met diverse voeritems meer zouden eten van onbekend voer, maar vonden hier geen aanwijzingen voor. Dit werd onderzocht door de voeropname van het onbekende speenvoer te meten in de eerste uren en dagen na spenen (Hoofdstuk 7) en met behulp van gedragstesten waarin biggen werden blootgesteld aan onbekend voedsel, zoals kaas en chips (Hoofdstuk 8).\n\nIn Hoofdstuk 7 kreeg de helft van de tomen ook de mogelijkheid om voedselzoekgedrag te vertonen door in de ene voerbak in het hok voer te verstoppen in zand en in de andere voerbak in het hok voer aan te bieden zonder zand. Biggen exploreerden en aten vaker uit de voerbak met zand dan uit de voerbak zonder zand. De andere helft van de tomen kreeg twee voerbakken zonder zand erin. Tomen met de mogelijkheid tot voedselzoekgedrag exploreerden en aten het voer echter niet vaker dan tomen zonder mogelijkheid tot voedselzoekgedrag, maar hadden wel meer goede eters van regulier vast voer. Biggen die voor spenen de mogelijkheid hadden om voedselzoekgedrag te vertonen leken meer moeite te hebben met de speenovergang dan biggen zonder deze mogelijkheid. Dit werd weerspiegeld in 1.4 keer zoveel beschadigend en 2 keer zoveel agressief gedrag, meer krassen op de huid (5.6 \u00b1 0.7 vs. 4.0 \u00b1 0.6 krassen), en met name in de eerste twee dagen een 23% lagere voeropname en 44% lagere groei.\n\nTen slotte werd in Hoofdstuk 5 aangetoond dat de inname van vast voer v\u00f3\u00f3r spenen niet alleen wordt gestimuleerd door exploratie (Hoofdstuk 4 tot en met 7), maar ook wordt gedreven door een lage energie inname van melk. In deze proef groeide de helft van de tomen op met een zeug op een gehalveerd voerniveau en de andere helft met een zeug op een normaal voerniveau. Biggen van zeugen op een gehalveerd voerniveau groeiden 20% minder hard v\u00f3\u00f3r spenen en hadden daardoor een 12% lager speengewicht dan biggen van zeugen op een normaal voerniveau, doordat ze minder melk kregen en melk met een lager vetpercentage. Dit zorgde voor dubbel zoveel biggen dat at v\u00f3\u00f3r spenen en een trend voor een dubbel zo hoge voeropname v\u00f3\u00f3r spenen, en zorgde vervolgens ook voor een dubbel zo hoge voeropname in de eerste dagen na spenen. Hierdoor resulteerde spenen in deze groep niet in een groeidip (128 vs. -32 gram\/dag in eerste twee dagen na spenen) en vertoonde deze groep minder oorbijten (0.4 \u00b1 0.05 vs. 0.7 \u00b1 0.10% van de tijd). Twee weken na spenen verschilden biggen van zeugen op een gehalveerd of normaal voerniveau niet meer in hun gewicht (10.18 \u00b1 0.17 vs. 10.43 \u00b1 0.14 kg). Dit suggereert dat tomen met een lage melkconsumptie de groeiachterstand die ze ontwikkelen tijdens de zoogperiode kunnen inhalen in de periode na spenen door meer vast voer v\u00f3\u00f3r en na spenen te eten.\n\nConclusie\nHet verstrekken van vast voer vanaf een jonge leeftijd in de kraamstal be\u00efnvloedt het exploreergedrag van biggen en kan de groei-ontwikkeling van biggen voor en na spenen verbeteren. De aangepaste darmfysiologie en darmmicrobiota van etende biggen v\u00f3\u00f3r spenen kan hierin een rol gespeeld hebben. Samenvattend ondersteunen de resultaten uit dit proefschrift dat het verstrekken en eten van vast voer v\u00f3\u00f3r spenen de (darm)ontwikkeling van biggen kan versnellen.\n\nDe resultaten van dit proefschrift hebben bovendien geleid tot nieuwe voerstrategie\u00ebn die het welzijn en de productiviteit van biggen kunnen verbeteren. Dit werd behaald door de ontwikkeling van natuurlijk exploratie-, spel- en eetgedrag van biggen te stimuleren vanaf een jonge leeftijd. De foerageerstrategie\u00ebn in dit proefschrift stimuleerden allen het eetgedrag van zogende biggen, waarbij strategie 1 en 3 succesvoller waren in het bevorderen van voeropnamegedrag dan strategie 2 en 4. Niet alle strategie\u00ebn bevorderden het aanpassingsvermogen van de biggen na spenen echter. Dit komt mogelijk omdat, behalve strategie 1, de strategie\u00ebn niet voortgezet werden na spenen en er daardoor verlies van verrijking optrad. Desondanks zorgde de speel-voerbak v\u00f3\u00f3r spenen voor een sterk verbeterd aanpassingsvermogen van biggen na spenen. Voor een goede prestatie van biggen na spenen is een geleidelijke overgang naar een dieet van vast voer belangrijk en lijken de huisvestingscondities v\u00f3\u00f3r en na spenen op elkaar aan te moeten sluiten. Op basis van dit proefschrift kan worden gesteld dat biggen de mogelijkheid moeten krijgen om vanaf jonge leeftijd te foerageren en spelen, en deze mogelijkheid moeten behouden in de opgroeifases die volgen.","summary":"In common pig production systems, piglets are suddenly separated from their mother at 3 to 4 weeks of age, resulting in an abrupt transition from drinking sow\u2019s milk to independent feeding on solid feed. This process is called weaning, and is often accompanied by transport of piglets (to another pen or another company) and mixing with piglets reared by other sows. These abrupt changes in diet, environment and social group, can lead to a lot of stress, which results in poor eating and growing, diarrhoea and the occurrence of stress-related behaviours, such as tail biting. Weaning is therefore often seen as the most stressful event in a pig\u2019s life. Piglets that have already learned to eat solid feed before weaning, eat and grow better after weaning, especially if they have eaten a large amount of this feed before weaning. However, a significant proportion of piglets do not eat before they are weaned or only eat small amounts, despite being offered the feed from a few days after birth onwards. It is therefore important to investigate how piglets can be stimulated to consume solid feed before weaning. Furthermore, the influence of providing solid feed on behaviour and the influence of eating solid feed on gut physiology and gut microbiota are still largely unknown.\n\nThis dissertation is divided into two parts. In the first part we investigated the effects of providing solid feed from a young age onwards on the behaviour and the (intestinal) physiology of piglets. In the second part of this dissertation, several strategies were investigated to get more piglets to eat and also to increase the amount they eat before weaning, in order to facilitate adaptation to solid feed after weaning. This was done by giving piglets more opportunities to display foraging behaviour, such as rooting and chewing. Under more natural conditions, piglets already forage from a few days after birth and try out various, partly fibre-rich food resources. In conventional pig farming, however, the possibility to forage is limited, because usually no suitable rooting materials are offered and piglets only receive one type of feed. In this dissertation, foraging in piglets was stimulated by 1) enriching the pen with rooting materials on the floor and extra space, and by alternating chew objects 2) attaching rooting, chewing and playing materials to the feeder to create a \u2018play-feeder\u2019, 3) providing diverse feeds in the feeder and 4) hiding feed in the feeder in sand to stimulate food-seeking behaviour.\n\nProviding solid feed from a young age\nIn Chapter 2 and 3 it was investigated whether early provision of solid feed before weaning (i.e. creep feed, including fermentable fibres) can contribute positively to the behavioural and physiological development of piglets and thus reduce problems after weaning. Piglets given creep feed before weaning grew 12% better in the last week before weaning than piglets who did not receive it, resulting in a trend for a 5% higher weaning weight (Chapter 2). Over the two weeks after weaning, the groups did not differ in feed intake, growth, feed efficiency and diarrhoea, but at the end of these two weeks the piglets that received creep feed before weaning were 6% heavier and 10% more uniform in their body weight. The groups did not differ in a stress marker in the blood and in damaging behaviours associated with stress. We therefore found no indications that providing creep feed before weaning makes the weaning process less stressful. Providing creep feed before weaning had little influence on piglet behaviour, as only the types of exploratory behaviour differed between groups, with piglets given creep feed showing more rooting of the environment but less chewing on faeces or sham chewing than piglets without creep feed. Just before weaning, a subset of piglets was sacrificed to study the digestive system and gut microbiota (Chapter 3).\n\nPiglets that ate the creep feed that they were offered before weaning had a longer (9.6 \u00b1 0.2 vs. 9.0 \u00b1 0.2 metre) and heavier gastrointestinal tract (484 \u00b1 23 vs. 438 \u00b1 14 gram without digesta) than piglets without creep feed. They also had a lower pH in the caecum (6.3 \u00b1 0.05 vs. 6.7 \u00b1 0.06) and colon (6.9 \u00b1 0.08 vs. 7.2 \u00b1 0.08) and a higher concentration of short-chain fatty acids in the colon (69.3 \u00b1 12.4 vs. 41.2 \u00b1 4.3 \u03bcmol\/gram wet weight). In addition, their colonic microbiome differed before weaning, whereby the microbiota of eating piglets could be associated with fibre-rich feed and the amount of feed they consumed.\n\nSome of the piglets in Chapter 2 received a small amount of the creep feed they received before weaning as familiar feed on top of the feed they received after weaning, which was an unfamiliar feed. We expected that by providing a small amount of familiar creep feed on top of the unfamiliar weaner feed, we would improve feed intake just after weaning and reduce stress. Supplementing the unfamiliar weaner diet with the familiar creep feed stimulated feed exploration up to 3 times, but feed intake was only higher (by 11%) between 9 and 14 days after weaning. Growth and diarrhoea were not affected.\n\nForaging strategies\nIn Chapter 4 to 8, the effectiveness of different foraging strategies in the farrowing room was determined with a focus on the transition phase around weaning. This was measured by studying the eating behaviour of piglets before weaning and their adaptability after weaning, reflected in behaviour, skin lesions and damage, faecal consistency and production characteristics.\n\nIn Chapter 4, enrichment was added to the farrowing pen by providing rooting materials (straw, sawdust and peat) on the floor and extra space, and by alternating chew objects. Enrichment of the farrowing pen resulted in a higher feed intake before weaning, which was twice as high in the last two days before weaning, compared to barren farrowing pens. Enrichment was continued after weaning and increased feed intake by 10% in the post-weaning period.\n\nIn Chapter 5, piglets were given a conventional feeder or the same feeder with rooting, chewing and playing materials attached to it. This created a play-feeder, which allowed piglets to explore and play with it. The play-feeder was indeed visited more often and by more piglets to nose, root, chew and play compared to a conventional feeder. However, the play-feeder did not cause a higher feed intake or more creep feed eaters than the conventional feeder. More \u2018good eaters\u2019 (piglets that were scored as an eater on multiple days) were found, however, when the play-feeder was given instead of a conventional feeder to piglets from sows with a low milk production. Although all piglets were fed in a conventional feeder after weaning, the piglets that had a play-feeder before weaning did considerably better after weaning. Over the two weeks after weaning, they ate 15% more and grew 16% more, diarrhoea was 73% less prevalent, 50% less severe (better faecal consistency) and 43% shorter in duration, and piglets had 1.5 times fewer skin lesions. There were also fewer piglets with ear and tail damage in this group.\n\nIn Chapter 6, the effect of dietary diversity was tested on the eating behaviour of piglets before weaning. Half of the litters were offered two different feed items at the same time and the other half of the litters one of the feed items, to which a different flavour was added daily (four alternating flavours in total). Litters with two feed items showed more feed-oriented behaviour: they explored the feed 2.6 times as much, had more good eaters, and ate 1.5 times more feed than litters with one feed item with alternating flavours. The positive effect of dietary diversity on early feed intake before weaning was confirmed in Chapter 7, in which the piglets were also monitored after weaning.\n\nIn Chapter 7, the piglets were given one feed item or four different feed items simultaneously. Litters with a diverse diet explored the feed 3 to 19 times more, ate 5 times more and contained more piglets that were eating during the suckling period than litters with a monotonous diet consisting of only one feed item. Litters with a diverse diet consisted of twice as many eaters at 11 days of age and all piglets were seen eating before weaning. However, piglets that were given a diverse diet before weaning did not do better after weaning, possibly because dietary diversity was not continued after weaning and they thus suddenly received a monotonous diet. We expected that piglets on a diverse diet would eat more from unfamiliar feed due to the experience with various feed items, but found no indications for this. This was investigated by measuring the feed intake of the unfamiliar weaner diet in the first hours and days after weaning (Chapter 7) and using behavioural tests in which piglets were exposed to unfamiliar food, such as cheese and crisps (Chapter 8).\n\nIn Chapter 7, half of the litters were also given the opportunity to display food-seeking behaviour by hiding feed in sand in one feeder of the pen and offering feed without sand in the other feeder of the pen. Piglets explored and ate more often from the feeder with sand than from the feeder without sand. The other half of the litters got two feeders without sand in it. However, litters with the possibility of food-seeking behaviour did not explore and eat the feed more often than litters without the possibility of food-seeking behaviour, but did have more good eaters of creep feed. Piglets that had the possibility of food-seeking behaviour before weaning seemed to have more difficulty to cope with weaning than piglets that did not have these possibilities. This was reflected in 1.4 times more damaging behaviour and 2 times more aggressive behaviour, more lesions on the skin (5.6 \u00b1 0.7 vs. 4.0 \u00b1 0.6 lesions), and a 23% lower feed intake and 44% lower growth, particular in the first two days.\n\nFinally, Chapter 5 demonstrated that the intake of creep feed before weaning is not only stimulated by exploration (Chapter 4 to 7), but is also driven by a low energy intake from milk. In this study, half of the litters were reared by restrictedly-fed sows and the other half were reared by full-fed sows. Piglets of restrictedly-fed sows grew 20% less before weaning and therefore had a 12% lower weaning weight than piglets of full-fed sows, because they received less milk and milk with a lower fat percentage. This caused twice as many piglets to eat before weaning and tended to double feed intake before weaning, and therefore also doubled the feed intake in the first days after weaning. As a result, weaning in this group did not result in a growth dip (128 vs. -32 gram\/day in the first two days after weaning) and this group spent less time on ear biting (0.4 \u00b1 0.05 vs. 0.7 \u00b1 0.10% of the time). Two weeks after weaning, piglets from restrictedly- or full-fed sows did no longer differ in their body weight (10.18 \u00b1 0.17 vs. 10.43 \u00b1 0.14 kg). This suggests that litters with a low milk consumption can catch up in growth in the period after weaning by eating more solid feed before and after weaning.\n\nConclusion\nProviding solid feed from a young age in the farrowing room influences the exploratory behaviour of piglets and can improve the growth development of piglets before and after weaning. The adapted gut physiology and gut microbiota of eating piglets before weaning may have played a role in this. In summary, the results from this dissertation support that the provision and intake of solid feed before weaning can accelerate the (intestinal) development of piglets.\n\nThe results of this thesis have also led to new feeding strategies that can improve the welfare and productivity of piglets. This was achieved by stimulating the development of natural exploration, play and eating behaviour of piglets from a young age. The foraging strategies in this thesis all encouraged the eating behaviour of suckling piglets, with strategies 1 and 3 being more successful in promoting feed intake behaviour than strategies 2 and 4. However, not all strategies promoted piglet adaptability after weaning. This may be due to the discontinuation of strategies after weaning, except for strategy 1, resulting in loss of enrichment. Nevertheless, the play-feeder before weaning provided a greatly improved adaptability of piglets after weaning. To ensure a good performance of piglets after weaning, a gradual transition to solid feed is important and the housing conditions before and after weaning should be aligned. On the basis of this dissertation, it can be stated that piglets should be given the opportunity to forage and play from a young age onwards, and that this possibility should be retained in the growth phases that follow.","auteur":"Anouschka Middelkoop","auteur_slug":"anouschka-middelkoop","publicatiedatum":"9 oktober 2020","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/anouschkamiddelkoop?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/6337b258-d62b-41fc-b0e4-b3e84c5ba8c6\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202603310741","isbn":"978-94-6395-333-7","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Wageningen University","afbeeldingen":5708,"video_url":"","podcast_url":"","naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Wageningen University","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/5706","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=5706"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/5706\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":5709,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/5706\/revisions\/5709"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/5707"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=5706"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=5706"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}