{"id":5375,"date":"2026-03-19T13:13:11","date_gmt":"2026-03-19T13:13:11","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/ardilasunu-wicaksono\/"},"modified":"2026-03-19T13:13:21","modified_gmt":"2026-03-19T13:13:21","slug":"ardilasunu-wicaksono","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/ardilasunu-wicaksono\/","title":{"rendered":"Ardilasunu Wicaksono"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":5376,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-5375","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"main_text":"","naam_van_het_proefschift":"The use of hormones to treat dairy cattle reproductive diseases","samenvatting":"Een goede vruchtbaarheid is essentieel om het productieniveau van melkkoeien op peil te houden. Echter, vruchtbaarheidsproblemen komen vaak voor op melkveebedrijven en hebben een effect op de vruchtbaarheid van koeien (bijv. een verminderde bevruchting en een langere tussenkalftijd), op hun productie (bijv. een verminderde melkproductie en een verhoogde kans op afvoer), en daarmee op het inkomen van de veehouder (bijv. economische schade als gevolg van een verminderde productie en behandelingen). Koeien kunnen verschillende vruchtbaarheidsproblemen krijgen, en deze komen vooral voor in de periode van afkalven totdat de koeien weer ge\u00efnsemineerd worden. Zo worden eierstokproblemen vaak gezien wanneer melkveehouders, na de vrijwillige wachtperiode, willen beginnen met insemineren. Vruchtbaarheidshormonen kunnen gebruikt worden om deze vruchtbaarheidsproblemen te verminderen. Daarnaast worden ze ook gebruikt om koeien tochtig te laten worden. De melkveehouderij staat echter onder maatschappelijke druk om het medicijngebruik omlaag te brengen en meer natuurlijk te produceren. Deze maatschappelijke ontwikkelingen vragen om een transparant hormoongebruik op melkveebedrijven. Ook kan het routinematig gebruik van hormonen onderliggende problemen in het vruchtbaarheidsmanagement maskeren.\n\nVruchtbaarheidshormonen worden gebruikt op melkveebedrijven om de vruchtbaarheid van koeien te verbeteren, maar het wetenschappelijk bewijs van hun effectiviteit is niet sluitend. De effectiviteit is meestal bepaald voor individuele dieren in gerandomiseerde en gecontroleerde studies, maar is nog niet bepaald op bedrijfsniveau onder praktijkomstandigheden. Het resultaat van hormonen op bedrijfsniveau kan verschillen van het resultaat op individueel koeniveau omdat het effect van behandelde koeien, welke meestal vruchtbaarheidsproblemen hebben, deels wordt opgeheven door gezonde koeien die niet behandeld zijn. Om het gebruik van vruchtbaarheidshormonen op melkveebedrijven in kaart te brengen is het nodig om de beweegredenen van de melkveehouder ten aanzien van hormonen te onderzoeken. Het bepalen van de kennis van melkveehouders over vruchtbaarheidshormonen, hun houding ten aanzien van het gebruik ervan, en of deze twee aspecten daadwerkelijk het hormoongebruik be\u00efnvloeden, helpt om het hormoongebruik op melkveebedrijven beter te begrijpen. Melkveehouders kunnen verschillende maatregelen nemen om de vruchtbaarheid op hun bedrijf te verbeteren. Het schatten van de economische schade ten gevolg van, vaak aan elkaar gerelateerde vruchtbaarheidsproblemen geeft nuttige inzichten over de economische ruimte voor preventie. Naast het schatten van de economische schade als gevolg van de vruchtbaarheidsproblemen is het ook belangrijk om inzicht te hebben in de economische impact van het gebruik van vruchtbaarheidshormonen. Het evalueren van beide aspecten geeft melkveehouders inzicht in welke maatregel waarschijnlijk de meeste winst oplevert in relatie tot het hormoongebruik.\n\nDit proefschrift had het doel om, aan de hand van een ge\u00efntegreerde epidemiologische en economische aanpak, de besluitvorming omtrent het gebruik van hormonen voor de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen op Nederlandse melkveebedrijven te ondersteunen. Vier subdoelen werden gespecificeerd om dit algemene doel te bereiken:\n1. Het onderzoeken van de associatie, op bedrijfsniveau, tussen het gebruik van vruchtbaarheidshormonen en de vruchtbaarheid op Nederlandse melkveebedrijven.\n2. Het bepalen van de kennis en houding van melkveehouders ten aanzien van vruchtbaarheidshormonen in relatie tot het gebruik van deze vruchtbaarheidshormonen.\n3. Het schatten van de kosten van vruchtbaarheidsproblemen.\n4. Het vergelijken van de economische impact van het structureel gebruik van vruchtbaarheidshormonen bij individuele koeien ten opzichte van de gangbare methodiek op Nederlandse melkveebedrijven waarbij hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts.\n\nIn Hoofdstuk 2 is op bedrijfsniveau de associatie gelegd tussen het gebruik van vruchtbaarheidshormonen en de vruchtbaarheid van het melkvee. Verkoopcijfers (2017 \u2013 2019) van vruchtbaarheidshormonen aan 754 representatieve Nederlandse melkveebedrijven behorende bij 5 grote dierenartspraktijken zijn hiervoor gebruikt. Deze verkoopcijfers zijn gekoppeld aan vruchtbaarheidskengetallen uit de melkproductieregistratie (CRV, Arnhem). Hormoongebruik werd uitgesplitst naar prostaglandines, gonadotrope hormonen, en progesteron, en is op bedrijfsniveau uitgedrukt als het jaarlijks aantal hormoonbehandelingen per 100 gemiddeld aanwezige volwassen melkkoeien. Het hormoongebruik werd daarna gecategoriseerd (geen gebruik, laag, medium, en hoog gebruik) op basis van de 33 en 66-percentielen van de deelnemende bedrijven met hormoongebruik. Drie vruchtbaarheidskenmerken (tussenkalftijd, interval afkalven \u2013 eerste inseminatie, en het gemiddelde aantal inseminaties per koe) zijn geanalyseerd op bedrijfsniveau met behulp van multivariabele regressietechnieken. Over alle bedrijven (bedrijven met en zonder hormoongebruik) was het mediane jaarlijkse hormoongebruik op 36.1 behandelingen per 100 volwassen koeien. Dit terwijl de mediaan op 39.2 behandelingen per 100 volwassen koeien lag voor bedrijven die hormonen gebruikten. De statistische modellen lieten zien dat bedrijven met een hoog hormoongebruik (meer dan 50.6 behandelingen per 100 volwassen koeien per jaar) een tussenkalftijd en een interval afkalven \u2013 eerste inseminatie hadden die respectievelijk 9.3\u00b12.6 en 16.4\u00b12.1 dagen korter was dan van bedrijven die geen hormonen gebruikten (424.0\u00b12.7 en 114.0\u00b12.1 dagen). Bedrijven met een hoog hormoongebruik hadden gemiddeld verder 0.3\u00b10.04 meer inseminaties nodig om hun koeien drachtig te krijgen in vergelijking met bedrijven die geen hormonen gebruikten (1.83\u00b10.04 inseminaties per koe). Gebruikmakend van een grote, representatieve dataset, kan geconcludeerd worden dat het gebruik van vruchtbaarheidshormonen geassocieerd is met een verbeterde vruchtbaarheid, in termen van een kortere tussenkalftijd en interval afkalven \u2013 eerste inseminatie, maar dat dit gepaard ging met gemiddeld meer inseminaties om koeien drachtig te krijgen.\n\nIn Hoofdstuk 3, is een online vragenlijst verstuurd om de beweegredenen van Nederlandse melkveehouders ten aanzien van vruchtbaarheidshormonen te bepalen en dit te relateren aan hun hormoongebruik. Algemene bedrijfskenmerken werden daarbij verzameld naast de kennis, houding, en gedrag van melkveehouders met betrekking tot het hormoongebruik. Hormoongebruik werd daarbij gerapporteerd door melkveehouders en gebaseerd op de verkoopcijfers van de bijbehorende dierenartsenpraktijk (wat een goede indicatie van het daadwerkelijke hormoongebruik is). Een score (0-10) werd ontwikkeld op basis van 10 objectieve vragen die de kennis van melkveehouders met betrekking tot vruchtbaarheidshormonen toetsten. Verder is een factor analyse uitgevoerd om achterliggende structuren van 19 vragen met betrekking tot de houding van melkveehouders (die vaak aan elkaar gerelateerd zijn) te identificeren. Dit resulteerde in 4 factor variabelen welke betrekking hadden op 1) de voordelen van het gebruik van hormonen, 2) opvattingen ten aanzien van het behandelingsprotocol, 3) het niet-hormoon gerelateerde vruchtbaarheidsmanagement, en 4) barri\u00e8res voor het gebruik van hormonen. Verschillende regressietechnieken zijn vervolgens gebruikt om kennis aan houding (multivariate lineaire regressie) en kennis en houding aan zelf gerapporteerd (logistische regressie) en daadwerkelijk hormoongebruik (negatief binomiale regressie) te relateren. Alle statistische modellen corrigeerden daarbij voor 8 algemene bedrijfskenmerken. De gemiddelde score voor de kennis van de melkveehouder over vruchtbaarheidshormonen was 5.9 \u00b1 1.8 en 83% van de melkveehouders rapporteerden dat ze hormonen gebruikten als hun koeien niet tochtig werden na de vrijwillige wachttijd. Er werd geen significante relatie gevonden tussen de kennis van melkveehouders en de 4 factor variabelen betreffende hun houding ten aanzien van vruchtbaarheidshormonen. Een betere kennis over vruchtbaarheidshormonen was echter positief geassocieerd met een hoger hormoongebruik (zowel zelf-gerapporteerd als daadwerkelijk gebruik). Eenzelfde relatie werd gevonden tussen het hebben van een sterkere opvatting ten aanzien van de voordelen van het gebruik van hormonen en zelf-gerapporteerd en daadwerkelijk hormoongebruik. Een sterkere opvatting ten aanzien van het behandelingsprotocol was verder ook geassocieerd met een hoger daadwerkelijk hormoongebruik. Dit terwijl een sterkere opvatting ten aanzien van niet-hormoon gerelateerd vruchtbaarheidsmanagement significant geassocieerd was met een lager daadwerkelijk hormoongebruik.\n\nIn Hoofdstuk 4 was een stochastisch bio-economisch simulatie model ontwikkeld om de kosten van vruchtbaarheidsproblemen op een bedrijf van 200 koeien te schatten. Het model simuleerde moeilijk afkalven, het aan de nageboorte blijven staan, acute baarmoederontsteking, chronische baarmoederontsteking, geen eisprong, cysteuze follikels, suboestrus, en hun complexe onderlinge relaties. Inputwaarden van het model werden daarbij gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en de meningen van experts. Negen scenario\u2019s werden gesimuleerd: Scenario 1 was een basis scenario met alle vruchtbaarheidsproblemen in het model. Scenario\u2019s 2 t\/m 8 waren gebaseerd op het eerste scenario, maar waarbij telkens 1 van de vruchtbaarheidsproblemen afwezig was: 2) moeilijk afkalven, 3) het aan de nageboorte blijven staan, 4) acute baarmoederontsteking, 5) chronische baarmoederontsteking, 6) geen eisprong, 7) cysteuze follikels, en 8) suboestrus. In het laatste, negende scenario waren alle vruchtbaarheidsproblemen afwezig. Het nettoresultaat van elk scenario werd over 1 jaar werd berekend. Vervolgens werd het nettoresultaat van de scenario\u2019s zonder een (of meerdere) vruchtbaarheidsproblemen (scenario\u2019s 2 t\/m 9) vergeleken met het basis scenario. Dit verschil werd beschouwd als de kosten van de verschillende (of alle zeven) vruchtbaarheidsproblemen. Deze studie toonde aan dat alle zeven vruchtbaarheidsproblemen samen tot een kostenpost leiden van gemiddeld \u20ac100 per koe per jaar. De hoogste gemiddelde kosten waren daarbij voor acute baarmoederontsteking (\u20ac30\/koe\/jaar) terwijl de laagste gemiddelde kosten \u20ac4 per koe per jaar waren voor moeilijk afkalven. De hoogste gemiddelde kosten per geval waren wederom voor acute baarmoederontsteking (\u20ac257\/geval) terwijl de laagste gemiddelde kosten per geval voor cysteuze follikels waren (\u20ac58\/geval). Geconcludeerd werd dat het voork\u00f3men van 1 vruchtbaarheidsprobleem de mate van voorkomen van andere vruchtbaarheidsproblemen zou kunnen voorkomen gezien de onderlinge relaties ertussen, wat de economische schade zou kunnen verminderen.\n\nIn Hoofdstuk 5 is de economische impact van de verschillende hormoonstrategie\u00ebn ge\u00ebvalueerd, met een aangepaste versie van het simulatie model van Hoofdstuk 4. Deze hormoonstrategie\u00ebn waren gebaseerd op het structureel gebruik van vruchtbaarheidshormonen bij individuele koeien op een vast moment in de lactatie en werden vergeleken met de gangbare methodiek op Nederlandse melkveebedrijven, waarbij koe-specifieke hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts. Vier hormoonstrategie\u00ebn werden gemodelleerd: 1) de basisstrategie waarbij hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts, 2) een synchronisatie hormoonprogramma startend op een vast moment na afkalven gevolgd door inseminatie op een vast moment na de hormoonbehandeling (FTAI) 3) synchronisatie hormoonprogramma zoals bij 2) gevolgd door oestrusdetectie (FTAI + ED) en 4) oestrusdetectie gevolgd door een synchronisatie hormoonprogramma en inseminatie op een vast moment AI (ED + TAI). Het nettoresultaat werd berekend voor elk van deze 4 hormoonstrategie\u00ebn. Vervolgens werd het nettoresultaat van de laatste 3 hormoonstrategie\u00ebn vergeleken met het nettoresultaat van de basisstrategie. Het hoogste nettoresultaat werd gevonden voor het FTAI + ED hormoonprogramma (strategie 3) met een gemiddeld \u20ac23,8 hoger nettoresultaat, gevolgd door de FTAI (\u20ac19,6) en de ED + TAI (\u20ac14,3) hormoonstrategie. Over het algemeen resulteerde het structureel gebruik van vruchtbaarheidshormonen tot hogere kosten als gevolg van dit hormoongebruik, maar ook door de hogere afkalf- en voerkosten, doordat er meer koeien drachtig werden. Echter, de meeropbrengsten als gevolg van een hogere melkproductie en verkoop van kalveren door meer drachtige koeien, wogen op tegen de extra kosten door een hoger hormoongebruik in de structurele hormoonstrategie\u00ebn. Hormoonstrategie\u00ebn waarin vruchtbaarheidshormonen structureel toegepast worden op individuele koeien leveren een winst op ten opzichte van de huidige hormoonstrategie op Nederlandse melkveebedrijven, waarbij koe-specifieke hormoonbehandelingen worden ingezet na een diagnose door een dierenarts.\n\nIn de algemene discussie (Hoofdstuk 6) zijn de resultaten uit de voorgaande hoofdstukken ge\u00efntegreerd en de data en gebruikte methoden bediscussieerd. Verdere richtingen voor het gebruik van vruchtbaarheidshormonen op Nederlandse melkveebedrijven worden beschreven en deze dienen gebaseerd te zijn op een verantwoord gebruik, een veterinair advies en overeenkomstig met de Richtlijn \u201cVruchtbaarheidsbehandelingen als onderdeel van de veterinaire begeleiding van melkveebedrijven\u201d (KNMvD, 2020). Daarnaast zijn mogelijkheden voor verder mogelijk onderzoek naar vruchtbaarheidsproblemen en vruchtbaarheidshormonen aangegeven. Als laatste zijn inzichten vanuit dit proefschrift beschreven die ook relevant kunnen zijn voor kleinschalige melkveebedrijven, zoals in Indonesi\u00eb.\n\nGebaseerd op alle bevindingen, zijn de belangrijkste conclusies van dit proefschrift als volgt:\n\n1. Op bedrijfsniveau was een verhoogd hormoongebruik (meer dan 50.6 behandelingen per 100 volwassen koeien per jaar) geassocieerd met een betere vruchtbaarheid, zoals een kortere tussenkalftijd en een korter interval afkalven \u2013 eerste inseminatie, maar resulteerde dit wel in gemiddeld meer inseminaties per koe (Hoofdstuk 2).\n2. De kennis van veehouders was niet geassocieerd met hun houding ten aanzien van hormoongebruik. Echter, de kennis van veehouders en sterkere opvattingen over de voordelen van het gebruik van hormonen en het gebruik van een behandelingsprotocol waren geassocieerd met een hoger hormoongebruik (Hoofdstuk 3).\n3. Een sterkere voorkeur ten aanzien van niet-hormoon gerelateerd vruchtbaarheidsmanagement was geassocieerd met een lager hormoongebruik (Hoofdstuk 3).\n4. De complexe onderlinge relaties in acht nemend, waren de gemiddelde jaarlijkse totale kosten van vruchtbaarheidsproblemen op bedrijfsniveau \u20ac100 per koe per jaar. De hoogste gemiddelde jaarlijkse kosten waren \u20ac30 per koe per jaar voor acute baarmoederontsteking, terwijl de laagste jaarlijkse kosten werden geschat op \u20ac4 per koe per jaar voor moeilijk afkalven. Per geval waren de hoogste kosten opnieuw voor acute baarmoederontsteking (\u20ac257 per geval) terwijl de laagste kosten voor cysteuze follikels waren (\u20ac58\/geval; Hoofdstuk 4).\n5. Hormoonstrategie\u00ebn waarbij vruchtbaarheidshormonen structureel toegepast werden, gaven economische voordelen ten opzichte van een strategie waarbij hormonen worden ingezet na diagnose door een dierenarts tijdens een drachtcontrole (Hoofdstuk 5).\n\nOverall beschouwend, en in vergelijk met het huidig gebruik van vruchtbaarheidshormonen in Nederland, leidt een gemiddeld hoger hormoongebruik tot een betere vruchtbaarheid, een hogere melkproductie, en lagere afvoer van melkkoeien. Dit resulteert in economische voordelen voor de melkveehouder. Echter, de beslissing van melkveehouders om meer hormonen te gaan gebruiken lijkt tegenstrijdig met hun voorkeur voor een niet-hormoon gerelateerd vruchtbaarheidsmanagement. Zulke beslissingen zouden verder ook tegemoet moeten komen aan de maatschappelijke druk om het medicijngebruik omlaag te brengen en meer natuurlijk te produceren. Veterinaire richtlijnen voor het gebruik van vruchtbaarheidshormonen zouden daarom in lijn moeten zijn met de maatschappelijk wens voor een lager medicijngebruik zodat een balans gevonden wordt tussen economische en ethische afwegingen.","summary":"To sustain optimal production levels in dairy cows, reproductive performance is an important factor. Nevertheless, reproductive diseases commonly occur on dairy farms, posing an impact to reproductive performance (e.g., a reduced pregnancy rate and a longer calving interval), cow productivity (e.g., a reduced milk production and an increased risk of culling), and farm profitability (economic losses associated with reduced cow productivity and treatments). Several reproductive diseases can occur in dairy cows, predominantly occurring from calving until the end of the post-partum period, when cows are re-inseminated. For instance, dairy farmers generally initiate breeding after the voluntary waiting period ends, but post-partum ovarian disorders may occur during this critical phase of the lactation. To mitigate those reproductive diseases, hormonal treatments can be used. In addition to their therapeutic applications, hormones can also be administered to induce oestrus in cows. However, the use of hormones in dairy farming does generate societal concerns, particularly regarding the demand to reduce medicine use and to produce naturally. These societal developments necessitate increased transparency regarding the application of hormonal treatments for fertility in dairy farms. Furthermore, the routine reliance on hormones may obscure underlying reproductive management issues, potentially overlooking the fundamental causes that need to be addressed.\n\nReproductive hormones are used in dairy farms to improve cow reproductive performance, but the evidence on their effectiveness remains inconclusive. The effectiveness of reproductive hormones is commonly observed at the cow level in randomized clinical trials, while their impact at the herd level under field conditions has not been investigated. The overall herd level effect of hormone use on reproductive performance may differ from the cow level, because the treatment effect of problematic cows might be alleviated by the reproductive performance of healthy cows. In addition, to investigate the use of hormones in dairy farms, it is crucial to explore farmers' mindsets and behaviour related to hormone use. This will help to understand the extent of their knowledge about the hormones farmers use, their attitude for using them, and whether their mindsets influence their behaviour regarding hormone use. Additionally, the occurrence of reproductive disorders implies the needs dairy farmers for preventive measures. The estimation of the economic impact of interrelated reproductive disorders can provide useful insights for dairy farmers regarding the prevention of reproductive disorders. Besides the evaluation of the economic impact of reproductive disorders, it is essential to assess economic impact of the use of hormones. Evaluating this will provide insights for dairy farmers to decide which reproductive management strategy provides them the highest economic benefit in relation to their hormone use intensity.\n\nHence, the aim of this thesis was to support decision-making on the use of reproductive hormones to treat reproductive diseases in Dutch dairy farms, through an integrated epidemiological and socio-economic analysis. Therefore, four sub-objectives were specified to reach the aim of this thesis:\n\n1. To investigate the herd level association of reproductive hormone use with reproductive performance in Dutch dairy herds.\n2. To determine and associate dairy farmers\u2019 knowledge and attitude regarding the use of reproductive hormones with their hormone use behaviour.\n3. To estimate the costs of reproductive disorders, including dystocia, post-partum puerperal disorders and post-partum ovarian disorders, in dairy farms.\n4. To compare the economic impact of reproductive management programs applying systematic hormonal treatments to individual cows with a reproductive management program applying cow-specific hormonal treatments based on a veterinary diagnosis.\n\nIn Chapter 2, an ecological study was conducted to associate hormone use for reproductive diseases and oestrus induction with reproductive performance at herd level. Hormone sales data from 754 representative Dutch dairy farms belonging to 5 large veterinary practices from 2017 to 2019 (1,679 observations in total) were utilized. Hormone use was classified into prostaglandin, gonadotropin-releasing hormone, and progesterone, and was expressed at herd level as the annual number of hormone doses per 100 adult dairy cows. Hormone use was categorized into 4 levels (no usage, low, medium, and high use), following the 33 and 66 percentiles of herds that applied them. Three herd-level reproductive performance indicators (calving interval, calving to first insemination interval, number of inseminations per cow) were analysed using multivariable General Estimating Equations models. The median annual total hormone use was 36.1 doses per 100 adult dairy cows in all herds while the median was 39.2 doses per 100 adult dairy cows among the herds that applied hormones. The final statistical models identified that herds with a high hormone use had a calving interval and a calving to first insemination interval that was 9.3\u00b12.6 and 16.4\u00b12.1 days shorter than that of non-user herds (424.0\u00b12.7 and 114.0\u00b12.1 days), respectively. Furthermore, high-user herds needed on average 0.3\u00b10.04 inseminations more to get their cows pregnant compared to non-user herds (1.83\u00b10.04 number of inseminations per cow). In conclusion, using a large representative herd-level dataset, hormone use was associated with a better reproductive performance in terms of calving interval and calving to first insemination interval but gave extra average number of inseminations per cow.\n\nIn Chapter 3, an online questionnaire among Dutch dairy farmers was undertaken to determine and associate dairy farmers\u2019 knowledge and attitude with their reproductive hormone use behaviour. Data on herd characteristics, knowledge, attitude and hormone use behaviour were collected. Hormone use behaviour data were determined by self-reported based data on the questionnaire and actual hormone sales data. A knowledge score (0-10) was determined based on 10 objective knowledge questions. An explanatory factor analysis was conducted to identify latent structures among 19 attitude variables, resulting in 4 factor variables. Those attitude factors were defined as the attitude towards the benefits of using hormones, the attitude towards following a treatment protocol, the attitude towards non-hormonal fertility management, and the attitude towards barriers of using hormones. Several regression analyses were conducted to associate knowledge with attitude (multivariate multiple regression analysis), and knowledge and attitude with self-reported behaviour (logistic regression analysis) and with actual hormone use (negative binomial regression analysis). All models were corrected for 8 herd characteristic variables. The mean knowledge score was 5.9 \u00b1 1.8 and 83% of the farmers indicated that they used hormones if their cows were not in oestrus after exceeding some expected days in milk. No significant association was found between knowledge and the 4 attitude factors. However, a higher knowledge score was positively associated with hormone use behaviour (self-reported and actual hormone use). The same direction was shown for a stronger attitude towards the benefits of using hormone with both higher hormone use behaviours. A stronger attitude towards following the treatment protocol was positively associated with a higher actual hormone use while a stronger attitude towards non-hormonal fertility management was associated with a lower actual hormone use.\n\nIn Chapter 4, a stochastic bio-economic simulation model of a 200-cow herd with daily time steps was developed to estimate the costs of dairy cow reproductive disorders. The simulation model included dystocia, retained placenta, acute metritis, chronic endometritis, anovulation, cystic ovarian disease and sub-oestrus, thereby taking into account their complex interrelations. The parameterization of the probabilities on developing reproductive disorders were based on scientific literature and expert opinion. Nine scenarios were simulated and included a 1) default scenario where all reproductive disorders were included in the simulation model. The second to eighth scenarios were simulated with zero (0) probability of each specific disorder, including 2) dystocia, 3) retained placenta, 4) acute metritis, 5) chronic endometritis, 6) anovulation, 7) cystic ovarian disease, and 8) sub-oestrus. In the ninth scenario, all disorders were absent. The annual net economic return (NER) of the herd was calculated for all the scenarios. Subsequently, the NER of the scenarios with zero probability of one of the disorders (scenarios 2-9) were compared to the NER of the default scenario and its difference was considered the cost of each specific reproductive disorder (or of all 7 reproductive disorders combined). This study showed that taking into account all disorders resulted in the mean annual cost of \u20ac100 per average cow in the herd per year. At herd level, the highest mean annual cost was observed for acute metritis (\u20ac30\/cow\/year) while the lowest mean annual cost was observed for dystocia (\u20ac4\/cow\/year). The highest cost per case was observed for acute metritis (\u20ac257\/case) while the lowest cost per case was observed for cystic ovarian disease (\u20ac58\/case). Given the interrelationships among reproductive disorders, preventing one disorder could reduce the occurrence of others, thereby lowering their overall economic impact.\n\nIn Chapter 5, using an adapted version of the simulation model of Chapter 4, the economic impact of several hormone-based reproductive management programs was evaluated. The updated simulation model included systematic hormonal treatments to individual cows with a specific day in milk. It also included a reproductive management program using cow-specific hormonal treatment based on a veterinary diagnosis during a fertility check. Four hormone-based reproductive management programs were modelled: 1) default reproductive management program reflects the current reproductive management of Dutch dairy herds, 2) Fixed Time Artificial Insemination (FTAI) reproductive management program, 3) FTAI with detection of oestrus reproductive management program (FTAIHED), and 4) detection of oestrus followed by timed AI (EDHTAI) reproductive management program. The NER was calculated for each of the 4 reproductive management programs and compared to a default reproductive management program. The highest NER was observed for the FTAIHED reproductive management program with \u20ac23,764 higher net revenues, followed by the FTAI and the EDHTAI reproductive management programs with \u20ac19,550 and \u20ac14,314 higher net revenues, respectively. Overall, systematic hormone-based reproductive management programs gave higher costs due to the higher use of hormones administered as well as higher calving and feed costs per year due to more pregnant cows. Nevertheless, the additional revenues of milk and calves in the systematic hormone-based reproductive management programs outweighed the cost of intervention. Reproductive management programs where hormones were systematically used gave economic advantages over the current default reproductive management program in which hormones are administrated to individual cows based on a veterinary diagnosis of ovarian disorders during a fertility check.\n\nIn the general discussion (Chapter 6), the results of the previous chapters are synthesized, and the used data and methods are discussed. Future directions to use reproductive hormones in Dutch dairy farms are described in this chapter, suggesting that dairy farmers continue implementing reproductive management programs that reasonably apply reproductive hormones, based on veterinary advice and in alignment with the fertility guideline's recommendations. Potential future research in the Netherlands regarding the use of reproductive hormones and reproductive disorders are described. Additionally, the future insights of this topic for smallholder dairy farmers are discussed.\n\nBased on all the findings, the main conclusions of this thesis are:\n\n1. At herd level, an increased hormone use was associated with a better reproductive performance in terms of shorter calving interval and calving to first insemination interval but with an extra number of inseminations per cow (Chapter 2).\n2. Farmers\u2019 knowledge was not associated with their attitude towards hormone use. Meanwhile, farmers\u2019 knowledge and a stronger farmers\u2019 attitude on benefits of using hormones and on following the hormonal treatment protocol were positively associated with a higher hormone use (Chapter 3).\n3. A stronger farmers\u2019 attitude towards non-hormonal fertility management was associated with a lower hormone use (Chapter 3).\n4. By taking into account their complex interrelations, the mean annual cost of dairy cow reproductive diseases was \u20ac100\/cow\/year. At herd level, the highest mean annual cost was observed for acute metritis at \u20ac30\/cow\/year, while the lowest mean annual cost was observed for dystocia at \u20ac4\/cow\/year. In terms of cost per case, the highest cost was observed for acute metritis (\u20ac257\/case) while the lowest cost was observed for cystic ovarian disease (\u20ac58\/case; Chapter 4).\n5. Reproductive management programs where hormones were systematically used gave economic advantages over the reproductive management program in which hormones are administered to individual cows based on a veterinary diagnosis during a fertility check (Chapter 5).\n\nOverall, in comparison with the current use of hormones in the Netherlands, an increased use of reproductive hormones improves cow reproductive performance, increases milk production, and reduces culling rates, thereby offering economic benefits to dairy farmers. However, a farmer\u2019s decision to use more hormones must be balanced with their preference to implement non-hormonal fertility management. Moreover, these decisions should also meet societal concerns regarding the use of hormones and their preference for natural dairy production practices. Therefore, in order to balance economic and ethical considerations regarding reproductive management in dairy herds, fertility guidelines should align the use of hormones in reproductive programs with societal demands.","auteur":"Ardilasunu Wicaksono","auteur_slug":"ardilasunu-wicaksono","publicatiedatum":"9 april 2025","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/ardilasunuwicaksono?iframe=true","url_download_pdf":"","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202603191310","isbn":"978-94-6510-434-8","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Wageningen University","afbeeldingen":5377,"video_url":"","podcast_url":"","naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Wageningen University","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/5375","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=5375"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/5375\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":5378,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/5375\/revisions\/5378"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/5376"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=5375"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=5375"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}