{"id":28541,"date":"2026-10-29T17:22:00","date_gmt":"2026-10-29T16:22:00","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/carola-minkels\/"},"modified":"2026-10-31T11:42:34","modified_gmt":"2026-10-31T10:42:34","slug":"carola-minkels","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/carola-minkels\/","title":{"rendered":"Carola Minkels"},"content":{"rendered":"","protected":true},"featured_media":28542,"template":"","meta":{"_acf_changed":false},"university_us_portfolio":[28],"class_list":["post-28541","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","post-password-required","hentry","university_us_portfolio-vrije-universiteit-amsterdam"],"acf":{"main_text":"","naam_van_het_proefschift":"Strokes towards more evidence-based swimming lessons: motor learning and motivation in children","samenvatting":"Mensen zwemmen sinds mensenheugenis. In lang vervlogen tijden uit noodzaak, bijvoorbeeld om voedsel te verzamelen of om van het ene gebied naar het andere te trekken. Tegenwoordig heeft zwemmen vooral een recreatieve en sportieve functie. Mensen zwemmen om fit te worden of te blijven. Daarnaast is goed kunnen zwemmen van groot belang voor de veiligheid in en rond water. Niettemin blijkt uit onderzoek dat veel mensen hun basiszwemvaardigheden na verloop van tijd deels verliezen en moeite hebben om deze toe te passen in andere wateren dan het binnenzwembad. Mogelijk laat de effectiviteit van de gehanteerde leermethoden in het zwemonderricht aan kinderen te wensen over en\/of motiveren deze methoden onvoldoende om te blijven zwemmen en daarmee de zwemvaardigheid te onderhouden. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken hoe goed de gangbare leermethoden werken in vergelijking met andere, nieuwe leermethoden. Daarbij moet gekeken worden naar retentie (in hoeverre blijven de aangeleerde vaardigheden behouden) en transfer (in hoeverre zijn de aangeleerde vaardigheden toepasbaar in andere situaties dan waarin zij zijn verworven). Daarnaast moet in kaart gebracht worden in welke mate de verschillende methoden mensen motiveren om te blijven zwemmen. Dit proefschrift beoogt in een dergelijk onderzoek te voorzien en daarmee inzichten te verkrijgen die bijdragen aan zowel het wetenschappelijk begrip van motorisch leren en motivatie als de zwempraktijk.\n\nIn het eerste hoofdstuk werd besproken welke wetenschappelijk onderbouwde leermethoden kunnen worden toegepast in de zwemles. Verschillende leermethoden kwamen hierbij aan bod, waaronder expliciete verbale instructie en feedback, observationeel leren aan de hand van video\u2019s (videomodellering), het gebruik van analogie\u00ebn (analogieleren), het richten van de aandacht op het effect van een beweging (leren met een externe focus van aandacht) en de constraints-led approach (CLA). In deze laatste benadering worden leerlingen ondersteund bij het zoeken naar geschikte bewegingsoplossingen door het manipuleren van factoren die samenhangen met de omgeving, de taak en het organisme (in deze context de leerling). Daarnaast werden theorie\u00ebn besproken waarmee de motivatie van kinderen tijdens de zwemles bevorderd zou kunnen worden, zoals de zelfdeterminatietheorie en de OPTIMAL-theorie van motorisch leren. Binnen de zelfdeterminatietheorie wordt onderscheid gemaakt tussen intrinsieke motivatie, waarbij kinderen een activiteit leren omdat zij deze leuk of interessant vinden, en extrinsieke motivatie, waarbij gedragingen vooral gedreven worden door externe factoren zoals beloningen, druk of goedkeuring van anderen. Volgens deze theorie zijn kinderen intrinsiek gemotiveerder om te leren wanneer zij keuzevrijheid ervaren (autonomie), het gevoel hebben ergens beter in te worden (competentie) en een gevoel van betrokkenheid ervaren met anderen (verbondenheid). De OPTIMAL-theorie is hier deels op gestoeld en stelt dat motorisch leren wordt versterkt wanneer de intrinsieke motivatie wordt gestimuleerd door kinderen keuzevrijheid te geven en positieve verwachtingen over het eigen kunnen te cre\u00ebren. De leermethode die centraal staat in deze theorie is het gebruik van instructies met een externe focus van de aandacht, dat wil zeggen instructies die de aandacht richten op het effect van de beweging in plaats van op de beweging zelf. Tezamen vormen deze inzichten het theoretisch kader voor de in het proefschrift gerapporteerde studies.\n\nDe studie in het tweede hoofdstuk had als doel inzicht te krijgen in hoe zwemlessen in Nederland momenteel worden gegeven. Daarbij stond de vraag centraal in welke mate zweminstructeurs tijdens hun zwemlessen tegemoetkwamen aan de drie basisbehoeften uit de zelfdeterminatietheorie, te weten autonomie, competentie en verbondenheid, die verondersteld worden de intrinsieke motivatie te voeden. Er werden 128 zwemlessen geobserveerd, allemaal gegeven door verschillende zweminstructeurs. De lessen maakten deel uit van vier verschillende lesprogramma\u2019s, waarvan \u00e9\u00e9n speciaal was ontwikkeld op basis van de zelfdeterminatietheorie. Uit de resultaten bleek dat de zweminstructeurs vooral goed scoorden op de ondersteuning van verbondenheid. Kinderen voelden zich over het algemeen welkom en veilig tijdens de lessen. De ondersteuning van competentie was beperkter, terwijl de ondersteuning van autonomie de minste aandacht kreeg. Dit betekent dat kinderen gemiddeld over alle lessen relatief weinig ruimte kregen om zelf keuzes te maken of invloed uit te oefenen op de les. De lessen in het op de zelfdeterminatietheorie gebaseerde lesprogramma scoorden hoger op alle drie de basisbehoeften. Voor autonomie was dit verschil statistisch significant, maar voor competentie en verbondenheid niet. Uit aanvullende analyses bleek dat factoren zoals de groepsgrootte en de opleiding en de ervaring van de zweminstructeur geen aanwijsbare invloed hadden op de tegemoetkoming in de basisbehoeften. Samenvattend laat het onderzoek zien dat zweminstructeurs in Nederland al redelijk goed tegemoetkomen aan de basisbehoefte verbondenheid tijdens zwemlessen, maar dat er nog ruimte is voor verbetering in het ondersteunen van competentie en met name autonomie. Door de principes uit de zelfdeterminatietheorie sterker toe te passen in zwemlesprogramma\u2019s kunnen deze mogelijk intrinsiek motiverender en effectiever worden gemaakt.\n\nIn hoofdstuk 3 werd een verkennend literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van motorische leermethoden voor de ontwikkeling van zwem- of watervaardigheden bij kinderen van 5 tot 12 jaar. Hierbij werd ook gekeken naar de theoretische onderbouwing van deze methoden en de kwaliteit van het onderzoek. Studies werden ge\u00efncludeerd ongeacht de taal waarin zij waren gepubliceerd en het tijdstip van publicatie. Studies gericht op specifieke doelgroepen, zoals wedstrijdzwemmers of kinderen met een beperking, of louter op cognitieve of affectieve uitkomsten, zoals motivatie, werden uitgesloten. In totaal voldeden 23 studies aan de genoemde criteria. Vier studies onderzochten de effectiviteit van videomodellering en \u00e9\u00e9n studie onderzocht de effectiviteit van CLA. De overige 18 studies onderzochten leermethoden die niet waren gestoeld op een expliciete theorie. Uit de studies naar videomodellering bleek dat deze methode over het algemeen effectief is om zwemvaardigheden bij kinderen aan te leren. De effecten leken sterker bij kinderen ouder dan zes jaar en wanneer videomodellering werd gecombineerd met verbale instructies. Het werd niet duidelijk welk type instructiemodel\u2014bijvoorbeeld een medeleerling, een expert of jezelf\u2014het sterkst bijdraagt aan betere zwemprestaties. De CLA-studie toonde aan dat kinderen deze methode leuker vonden dan expliciete verbale instructie, ondanks het feit dat expliciete verbale instructie resulteerde in een betere vooruitgang in zwemvaardigheden en ouders deze methode geschikter en effectiever vonden. De overige niet-theoretisch onderbouwde studies onderzochten onder meer de effectiviteit van specifieke zwemlesprogramma\u2019s, verschillende leeromgevingen en het gebruik van hulpmiddelen. De meeste van deze studies rapporteerden positieve effecten. Door de bank genomen laat de literatuur zien dat er nog maar weinig onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van motorische leermethoden in het zwemonderwijs voor kinderen. Het beschikbare onderzoek is bovendien grotendeels niet-theoretisch van aard en van povere methodologische kwaliteit. In toekomstig onderzoek moeten deze tekortkomingen worden ondervangen, onder meer door leermethoden nauwkeuriger te beschrijven, gebruik te maken van controlegroepen en het meten van zowel het behoud van de verworven vaardigheden in de tijd (retentie) als de overdracht van deze vaardigheden naar andere of nieuwe situaties (transfer).\n\nIn hoofdstuk 4 werd onderzocht hoe effectief videomodellering is bij het aanleren van de borstcrawl door kinderen en welke invloed verschillende soorten instructiemodellen hebben op zowel het leerproces als de motivationele factoren. In het betreffende onderzoek werden drie modellen\u2014zelfmodellering, zelfobservatie, peermodellering\u2014 met elkaar en met een controlegroep vergeleken. Bij zelfmodellering zagen de kinderen zichzelf op video de borstcrawl uitvoeren op een hoger niveau dan zij op dat moment daadwerkelijk beheersten. Bij zelfobservatie bekeken de kinderen videobeelden van hun eigen huidige niveau als vorm van feedback. Bij peermodellering bekeken de kinderen leeftijdsgenoten die de borstcrawl beter uitvoerden, maar geen experts waren. De controlegroep kreeg uitsluitend expliciete verbale instructie, zonder gebruik van videobeelden. Alle groepen die videomodellering ontvingen, kregen daarnaast ook expliciete verbale instructies. Het belangrijkste verschil met de controlegroep was daarmee de toevoeging van observationeel leren via video. Twee theoretische kaders werden gebruikt om de effecten van videomodellering te verklaren. De common coding theorie werd gebruikt om de directe aandacht- en informatie-aspecten van videomodellering te duiden. Volgens deze theorie activeert het observeren van een motorische vaardigheid vergelijkbare motorische processen in het brein van de waarnemer, waardoor het leren van de vaardigheid gemakkelijker wordt. Dit effect is vermoedelijk sterker bij zelfmodellen, omdat deze modellen optimaal aansluiten bij het eigen kunnen van de waarnemer. Daarnaast werden de sociale leertheorie en de theorie over zelfeffectiviteit gebruikt om de indirecte motivatie-effecten van videomodellering te verklaren. Volgens deze theorie\u00ebn kunnen zelfmodellen, en vooral zelfmodellering, de zelfeffectiviteit van kinderen vergroten doordat zij de kinderen sterken in hun overtuiging dat zij de vaardigheid succesvol kunnen uitvoeren. Dit kan vervolgens een positieve invloed hebben op zowel hun intrinsieke motivatie als hun leerprestaties. Het doel van hoofdstuk 4 was daarom ook om te onderzoeken of videomodellering vooral werkt via directe leerprocessen, zoals aandacht en informatie, of indirect via motivationele processen. Kinderen van 5 tot 9 jaar namen deel aan de studie, die acht weken besloeg. Na vaststelling van hun beginniveau met een pretest volgden zij zes reguliere zwemlessen, waarna het eindniveau werd bepaald met een posttest. E\u00e9n week later werd een retentietest afgenomen om na te gaan in hoeverre de vaardigheden over de tijd behouden waren gebleven. Voorafgaand aan iedere zwemles bekeken de kinderen de instructievideo\u2019s die hoorden bij de betreffende onderzoeksgroep. De controlegroep keek in plaats daarvan naar een Shrek-video. Alle drie de vormen van videomodellering zorgden voor significant grotere afnames in de tijd die kinderen nodig hadden om 8 meter te zwemmen ten opzichte van uitsluitend expliciete verbale instructie. Tussen de verschillende vormen van videomodellering werden geen significante verschillen gevonden. Een vergelijkbare trend werd gesignaleerd voor de zwemtechniek, al waren deze verschillen niet statistisch significant. Ook werden er geen verschillen gevonden in de motivationele variabelen tussen de groepen. Aanvullende analyses lieten zien dat de verbeteringen in zwemprestaties vooral werden veroorzaakt door de directe effecten van videomodellering, zoals aandacht en informatie, en niet door veranderingen in motivationele processen. Samenvattend lijkt videomodellering een effectieve methode om kinderen de borstcrawl aan te leren. Er werd echter geen bewijs gevonden dat het type instructiemodel invloed had op de leerresultaten. Ook bleek videomodellering geen effect te hebben op motivationele variabelen. Dit suggereert dat het effect van videomodellering vooral het resultaat is van directe leerprocessen, zoals het bekijken en observeren van bewegingen, en minder of in het geheel niet van motivationele processen. Voor zweminstructeurs betekent dit dat videomodellering een bruikbaar hulpmiddel kan zijn in zwemlessen en dat zij het type instructiemodel naar eigen inzicht kunnen kiezen op basis van de situatie, de voorkeuren van het kind en hun eigen manier van lesgeven.\n\nIn hoofdstuk 5 werd onderzocht wat de effecten zijn van vijf verschillende motorische leermethoden\u2014expliciete verbale instructie, videomodellering met expliciete verbale instructie, analogieleren, leren met een externe focus van aandacht en een CLA-methode\u2014op het verwerven van zwemvaardigheden. Het onderzoek richtte zich op het aanleren van de enkelvoudige rugslag bij kinderen. Daarbij werd gekeken naar het behoud van de aangeleerde vaardigheden over tijd (retentie) en naar de mate waarin kinderen deze vaardigheden konden toepassen onder andere of nieuwe omstandigheden (transfer). Ook werd onderzocht of de verschillende leermethoden invloed hadden op de intrinsieke motivatie van kinderen. Kinderen tussen de 5 en 10 jaar namen deel aan een studie van zes weken, bestaande uit vijf zwemlessen. Daarnaast werden een pretest, een tussentijdse meting, een posttest, een retentietest en een transfertest afgenomen. Tijdens iedere les kregen de kinderen instructies die aansloten bij de aan hen toebedeelde leermethode. In het geval van de CLA-methode kregen kinderen oefensituaties aangeboden waarbij de taak werd aangepast om hen te leiden naar gewenste bewegingsoplossingen. De resultaten leidden tot enkele voorlopige conclusies. Ten eerste verbeterden kinderen die leerden met videobeelden met expliciete verbale aanwijzingen hun zwemtechniek meer dan kinderen die leerden met analogie\u00ebn, een externe focus van aandacht of de constraints-led approach. Er waren daarnaast aanwijzingen dat expliciete verbale instructies het minst effectief waren voor het verbeteren van bewegingsuitkomsten, zoals zwemsnelheid en slaglengte. De expliciete leermethoden leidden tot minder goede overdracht naar een nieuwe situatie dan leren met analogie\u00ebn, een externe focus van aandacht of de constraints-led approach. Tijdens het leerproces verbeterde de zwemsnelheid bij de constraints-led approach minder dan bij het leren met analogie\u00ebn. Tot slot leek de gebruikte leermethode geen invloed te hebben op de intrinsieke motivatie van kinderen tijdens de zwemles.\n\nIn het laatste hoofdstuk werd de sterkte van het wetenschappelijke bewijs voor de in het proefschrift onderzochte motorische leermethoden bij het aanleren van zwemvaardigheden aan kinderen beoordeeld met behulp van de Strength of Recommendation Taxonomy (SORT). Hiermee is gekeken naar zowel de resultaten van de studies in dit proefschrift als naar de bevindingen uit andere wetenschappelijke studies. Een A-aanbeveling betekent dat er consistent bewijs van hoge kwaliteit beschikbaar is. Een B-aanbeveling betekent dat het bewijs beperkt is of wisselend van kwaliteit. Een C-aanbeveling is vooral gebaseerd op praktijkervaring of een oordeel van deskundigen. Uit de resultaten kwam het sterkste bewijs naar voren voor videomodellering. Deze methode kreeg een B-aanbeveling. Dit betekent dat meerdere studies positieve resultaten lieten zien, maar dat de kwaliteit van het onderzoek nog niet optimaal was. Aan analogieleren, leren met een externe focus van aandacht en de CLA-methode konden geen offici\u00eble kwaliteitsoordelen worden toegekend, omdat er nog te weinig onderzoek naar was gedaan. De resultaten van dit proefschrift suggereren dat deze methoden in sommige opzichten mogelijk effectiever zijn dan expliciete verbale instructie, met name bij het toepassen van aangeleerde zwemvaardigheden in andere of nieuwe situaties. Daarbij lijken analogieleren en leren met een externe focus van aandacht het meest veelbelovend, terwijl de ondersteuning voor de CLA-methode aanmerkelijk minder sterk is. Ook voor de invloed van de verschillende leermethoden op motivationele factoren konden nog geen kwaliteitsoordelen op basis van de SORT worden gegeven vanwege het beperkte bewijs. Wel laten de bevindingen uit hoofdstuk 2 zien dat het ondersteunen van de basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid mogelijk kan bijdragen aan een grotere intrinsieke motivatie van kinderen voor zwemmen. Echter, geen van de onderzochte motorische leermethoden leidde direct tot verbeteringen in motivationele uitkomsten, wat impliceert dat voor het bevorderen van de intrinsieke motivatie van kinderen voor zwemmen naar andere oplossingen moeten worden gezocht dan de gehanteerde leermethoden als zodanig.\n\nToekomstig onderzoek moet de wetenschappelijke basis van het zwemonderwijs verder helpen versterken. Dit proefschrift laat zien dat het niet gemakkelijk is, maar wel mogelijk en nuttig is. Ten eerste is er behoefte aan een observatiestudie die in kaart helpt te brengen welke leermethoden momenteel worden gebruikt om de ontwikkeling van zwemvaardigheden te ondersteunen bij kinderen in Nederlandse zwemlessen. Door deze methoden te koppelen aan uitkomsten zoals actieve oefentijd en het aantal lessen dat kinderen nodig hebben om hun zwemdiploma te behalen, kan mogelijk beter worden vastgesteld welke methoden in de praktijk het meest effici\u00ebnt zijn.\n\nEr is ook behoefte aan longitudinale studies van hoge methodologische kwaliteit om de effectiviteit van videomodellering, analogieleren, leren met een externe focus van aandacht en de CLA-methode verder te onderzoeken. Het huidige bewijs is nog beperkt en van wisselende kwaliteit, waardoor het niet (goed) mogelijk is om definitieve conclusies te trekken. Daarnaast is het wenselijk dat ook andere motorische leermethoden, zoals differentieel leren\u2014waarbij variatie in het leerproces centraal staat\u2014worden onderzocht in vergelijkbaar zorgvuldig opgezette studies.\n\nTot slot zou toekomstig onderzoek zich moeten richten op de motivatieprocessen die een rol spelen bij het leren van zwemvaardigheden door kinderen. Daarbij is het belangrijk om te onderzoeken hoe de basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid kunnen worden ondersteund in zwemlessen en of dit leidt tot een hogere intrinsieke motivatie bij de kinderen en betere leerresultaten. Speelse leeromgevingen, zoals \u2018deliberate play\u2019 of \u2018Teaching Games for Understanding\u2019, kunnen daarin waardevolle aanknopingspunten bieden om beter te begrijpen hoe blijvende motivatie voor zwemmen kan worden gestimuleerd.\n\nMet betrekking tot de huidige zwemlessen worden zweminstructeurs aangeraden om videomodellering regelmatig in hun lessen te gebruiken. Omdat geen specifiek instructiemodel (zoals het kind zelf of een ander kind) duidelijk effectiever is, kunnen instructeurs naar eigen inzicht kiezen welk model het beste past bij de situatie, de voorkeuren van het kind of hun eigen lespraktijk. Het toepassen van videomodellering in zwemlessen kan leiden tot een effici\u00ebnter leerproces, omdat kinderen zwemvaardigheden sneller verwerven. Hierdoor ontstaat voor instructeurs meer ruimte voor de begeleiding van vers ingestroomde leerlingen, de ontwikkeling van lessen en curricula, voortdurende professionele ontwikkeling en andere kwaliteit bevorderende activiteiten. Dit is met name relevant in het licht van het huidige tekort aan gekwalificeerde zweminstructeurs in Nederland.\n\nNaast de meest gebruikte methode van expliciete verbale instructie kunnen andere motorische leermethoden, zoals analogieleren en leren met een externe focus van aandacht, en in mindere mate ook de CLA-methode, een waardevolle aanvulling vormen op de nu gangbare leermethoden. Deze methoden kunnen binnen lessen worden gecombineerd en afgewisseld, wat het leerproces kan verbeteren doordat instructies en oefensituaties gevarieerd worden. Bovendien kunnen instructeurs de gebruikte leermethode afstemmen op de voorkeuren van individuele kinderen. Mogelijk wordt hierdoor de behoefte van kinderen aan autonomie ondersteund en daarmee bijgedragen aan een grotere intrinsieke motivatie voor het leren zwemmen.\n\nTot slot is het belangrijk dat instructeurs zich ervan bewust zijn dat geen van de onderzochte leermethoden direct de motivatie van kinderen lijkt te verbeteren. Wel zijn er aanwijzingen dat het geven van autonomie de intrinsieke motivatie voor zwemmen kan bevorderen. Dit kan bijvoorbeeld door kinderen zelf keuzes te laten maken, hen uit te nodigen om initiatief te nemen, uit te leggen waarom bepaalde oefeningen belangrijk zijn, gebruik te maken van zelfgestuurd videomodellering en door een ondersteunende, niet-dwingende manier van communiceren te gebruiken.","summary":"From the earliest human interactions with water to modern-day activities such as waterskiing and scuba diving, swimming skills have been essential for human survival, transportation, recreation, and well-being. While water safety remains the prevailing incentive for learning to swim, it also introduces individuals to swimming as a form of physical activity that offers extensive physical and mental health benefits. Accordingly, and preferably at a young age, individuals should develop the skills that are required for safe aquatic activities, as well as the motivation to continue swimming beyond the initial learning phase. However, research shows that basic swimming skills are often insufficiently retained or transferred to real-world contexts after initial acquisition. This may be due to ineffective learning methods and\/or a lack of motivation in individuals to continue swimming and maintain their swimming skills. Therefore, identifying the most effective motor learning methods to enhance skill retention and transfer, and sustain motivation should be a central focus of swimming research. Scientifically, such research may advance understanding of effective learning methods and explore the reciprocal relationship between motor learning and motivation. Practically, these insights could provide swimming instructors with empirically supported learning methods that may promote effective skill learning and sustained motivation, both of which are critical for lifelong safety and engagement in aquatic environments.\n\nThe overarching aim of the present thesis is to help strengthen the practice of swimming lessons to make them more evidence-based, such that swimming skills are taught and learned effectively in terms of skill retention and transfer, as well as developing sustained motivation to keep swimming. To set the stage for this work, Chapter 1 provided a brief overview of theoretically grounded motor learning methods applicable to swimming lessons, aimed at enhancing skill learning and promoting motivation. As regards skill learning, the chapter discussed explicit verbal instruction, observational learning through video modeling, analogy learning, external-focus-of-attention learning, and the constraints-led approach (CLA). In terms of motivation, the chapter explored learning methods based on the principles of the self-determination theory (SDT) and the OPTIMAL theory of motor learning. The chapter introduced the key concepts, strengths, limitations, practical applications, and empirical evidence of the different motor learning methods and motivational theories. This provided the foundation for the studies presented in the subsequent chapters of this thesis.\n\nChapter 2 aimed to gain insight into the current practices of swimming lessons in the Netherlands. Specifically, it examined to what extent Dutch swimming instructors supported the three basic psychological needs of autonomy, competence, and relatedness, which, according to SDT, are fundamental to the development of intrinsic motivation. A total of 128 swimming lessons, each delivered by a different swimming instructor, were observed. The lessons were part of four different teaching programs, one of which was explicitly designed according to SDT principles. Overall, instructors displayed behaviors that thwarted autonomy, offered limited support for competence, and more support for relatedness. Lessons following the SDT-based teaching program scored higher in the provision of all three needs. This finding was significant for autonomy, but not for competence or relatedness. Regression analyses further revealed that the teaching program was the only significant predictor of instructors\u2019 SDT employment. Instructor education, instructor experience, and group size were not significant predictors. In sum, swimming instructors in the Netherlands already effectively cater to the basic psychological need for relatedness. However, there is room for improvement in catering to the needs of autonomy and competence, particularly autonomy. This may be achieved by deliberately integrating SDT principles into teaching programs for swimming.\n\nChapter 3 presented a scoping review examining the effectiveness of motor learning or teaching methods for acquiring swimming or aquatic skills in children aged 5\u201312 years, including an evaluation of their theoretical underpinnings, methodological quality, and key findings. Studies were included regardless of the language in which they were published or their date of publication. Studies focusing exclusively on specific populations (e.g., competitive swimmers or children with disabilities) or cognitive or motivational outcomes were excluded. A total of 23 studies met the mentioned inclusion criteria. Four studies investigated the effectiveness of video modeling, generally with positive results. The effects appeared to be more pronounced in children older than six years and when video modeling was combined with verbal instruction. However, it remained unclear which type of model (e.g., peer, expert, or self-models) is most effective in enhancing learning outcomes. A single study investigating CLA demonstrated that a CLA-based swimming program was perceived more positively by the participating children than a program based on explicit verbal instruction. However, the latter program led to significantly better improvements in aquatic skills from pre-test to post-test and was appreciated more by parents. The remaining 18 studies were atheoretical and investigated the effectiveness of learn-to-swim programs, learning environments, and the use of assistive devices, with many reporting positive effects of the motor learning methods under investigation during practice. Overall, the literature on the effectiveness of motor learning methods for teaching swimming skills to children was found to be scarce, largely atheoretical, and of questionable methodological quality. For future studies, these findings imply that they should prioritize the development of theoretically grounded interventions and employ more rigorous methodological designs, including comprehensive reports of intervention procedures, adequately controlled comparisons, and proper retention and transfer tests.\n\nChapter 4 compared the effects of self-modeling (i.e., viewing oneself perform at a higher skill level than one currently possesses), self-observation (i.e., viewing oneself perform at one's current skill level, as video feedback), peer-modeling (i.e., observing peers with higher, but not expert, skill levels), and a control condition (i.e., explicit verbal instruction only) on children\u2019s learning of the front crawl and motivational beliefs. Importantly, all video-modeling interventions were accompanied by explicit verbal instruction. Therefore, the primary distinction between the video-modeling interventions and the control condition was the presence of video-based observational modeling. This study examined video modeling through two complementary theoretical frameworks: the common coding theory and social learning and self-efficacy theories. According to the common coding theory, observing an action activates corresponding motor representations in the observer, thereby directly facilitating skill learning. This activation is expected to be stronger for self-models, as they more closely match the observer\u2019s own movement repertoire. The social learning and self efficacy theories suggest that self-models\u2014particularly self-modeling\u2014may enhance self-efficacy through positive internal reinforcement, thereby increasing intrinsic motivation and indirectly improving learning outcomes. Chapter 4 further aimed to dissociate the proposed direct attentional and informational effects of video modeling from its indirect motivational effects. Children aged 5\u20139 years participated in an eight-week intervention and completed a pre-test, six regular swimming lessons, a post-test, and a retention test. Before each swimming lesson, children viewed instruction videos corresponding to their intervention condition. The control group watched a Shrek video. The results indicated that all three video-modeling intervention groups led to significantly greater reductions in swimming time from pre-test to post-test and retention test compared to the control condition with explicit verbal instruction alone. There were no significant differences between the video-modeling intervention groups. A similar trend was observed for swimming technique, although this did not reach statistical significance. No significant group differences were found in motivational beliefs. Mediation analyses revealed that the observed improvements in swimming performance were driven by direct attentional and informational effects. Evidence of indirect effects mediated by motivational beliefs was absent. In conclusion, video modeling enhances children\u2019s front crawl learning. However, no evidence was forthcoming that the type of model used influenced learning outcomes. Furthermore, video modeling did not affect motivational beliefs. Therefore, video modeling seems to primarily affect learning through direct attentional and informational mechanisms rather than through indirect motivational pathways. These findings suggest that video modeling is an effective tool for teaching children swimming skills. Instructors may select the type of model based on contextual factors, child preferences, and their own teaching approach.\n\nThe study reported in Chapter 5 compared the effects of five motor learning methods: explicit verbal instruction, video modeling with explicit verbal instruction, analogy learning, external-focus-of-attention learning, and CLA. The study examined the effects of these methods in 5-to-10-year-old children learning the elementary backstroke, as well as intrinsic motivation for swimming. Children participated in a six-week intervention consisting of five swimming lessons, alongside a pre-test, intermediate test, post-test, retention test, and transfer test. During each lesson, children received instructions or materials corresponding to their assigned motor learning intervention. The results allowed for several preliminary conclusions, which should be interpreted with caution, considering the study\u2019s relatively small sample size (n = 9\u201310 per intervention group) and substantial within-group variability. First, video modeling with explicit verbal cues was more effective than analogy learning, external-focus-of-attention learning, and CLA in improving movement form during acquisition and retention, whereas there was some evidence that explicit verbal instruction may be the least effective method for improving movement outcomes. Both explicit instructional methods showed less favorable transfer to a novel task context compared to analogy learning, external-focus-of-attention learning, and CLA. During acquisition, constraints-led instruction resulted in smaller improvements in velocity than instruction-by-analogy. Lastly, the type of instructional method did not seem to influence children\u2019s intrinsic motivation for swimming lessons.\n\nIn the final Chapter, the overall strength of evidence for the motor learning methods examined in the present thesis with respect to children's swimming skill learning was assessed using the Strength of Recommendation Taxonomy (SORT). This evaluation incorporated findings from the studies included in this thesis, as well as from other literature. An A-level recommendation is based on consistent, high-quality evidence, a B-level recommendation on inconsistent or limited-quality evidence, and a C-level recommendation on expert opinion or usual practice. Overall, the strongest evidence was found for the effects of video modeling, which received a B-level recommendation, reflecting consistent findings but limitations in methodological quality. No formal recommendations could be made for analogy learning, external-focus-of-attention learning, or CLA due to limited evidence. However, the present thesis provided preliminary evidence suggesting that these methods may be more effective than explicit verbal instruction, especially in promoting the transfer of swimming skills to novel task conditions. Analogy learning and external-focus-of-attention learning showed the most promising effects, whereas support for CLA was less robust. Also, no formal recommendations based on SORT could be made regarding the effects of the individual motor learning methods on motivational beliefs due to limited evidence. Nevertheless, findings from Chapter 2 cautiously suggest that supporting children\u2019s basic psychological needs for autonomy, competence, and relatedness may enhance their intrinsic motivation for swimming. However, none of the examined motor learning methods directly improved motivational outcomes. This suggests that enhancing children's motivation for swimming may require other strategies beyond the motor learning method employed as such.\n\nThere is ample room for future research to help strengthen the evidence base for swimming lessons further. The findings of the present thesis demonstrate that conducting high-quality research within the practical realities of swimming lessons is challenging, yet both feasible and essential for advancing evidence based swimming lessons. Children should be involved in this research process to ensure that their perspectives and experiences are considered. Furthermore, observational studies are needed that may help identify the learning methods currently employed in swimming lessons in the Netherlands that promote motor learning. Linking these methods to outcomes such as active practice time and the number of swimming lessons needed to obtain swimming diplomas may help identify the most efficient learning methods in real-world settings.\n\nIn addition, well-controlled longitudinal intervention studies of high methodological quality are required to further evaluate the effectiveness of video modeling, analogy learning, external-focus-of-attention learning, and CLA in teaching children to swim. The current evidence base remains limited in both quantity and methodological rigor, precluding firm conclusions regarding their effectiveness. Furthermore, beyond the learning methods examined in this thesis, additional motor learning methods, such as differential learning, should be investigated using similarly rigorous research designs.\n\nFinally, future research should examine the motivational processes underlying the learning of swimming skills by children. Specifically, it should examine how the basic psychological needs of autonomy, competence, and relatedness can be supported in lessons and whether this enhances intrinsic motivation, long-term participation in swimming, and learning outcomes. Playful learning environments, such as deliberate play or Teaching Games for Understanding, may be important avenues to better understand how to promote sustained motivation for swimming beyond initial acquisition.\n\nWith respect to current practices, swimming instructors are recommended to incorporate video modeling as a regular learning method in lessons. Since no specific model type (e.g., peer or self-model) proved superior in terms of learning outcomes or motivation, instructors can select a model type based on contextual factors, child preferences, or their own teaching approach. Implementing video modeling in swimming lessons may contribute to more efficient swimming lessons, since children learn swimming skills more quickly. As a result, instructors may have more time available for newly enrolled children, lesson development, curriculum development, continuing professional development, and other quality-enhancing activities, which may be especially valuable given the current shortage of qualified swimming instructors in the Netherlands.\n\nSecond, alternative motor learning methods, such as analogy learning and external-focus-of-attention learning, as well as CLA to a lesser degree, may be useful additions to traditional explicit verbal instruction. These methods can be combined and varied within swimming lessons, which may enhance learning by providing diversity in practice conditions. In addition, instructors can select learning methods based on individual preferences and responsiveness, allowing for a more personalized approach to learning swimming skills. This approach may support children's need for autonomy, thereby promoting their intrinsic motivation for swimming.\n\nLastly, instructors should be aware that none of the motor learning methods investigated directly enhanced motivation. However, there are indications that providing children with autonomy support may increase their intrinsic motivation for swimming. This can be accomplished by encouraging children to take initiative, offering meaningful choices, explaining the rationale behind learning activities, using self-regulated video modeling, and employing autonomy supportive instructional language.","auteur":"Carola Minkels","auteur_slug":"carola-minkels","publicatiedatum":"14 december 2026","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/carolaminkelsproof?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/d9f9641d-b425-437c-a86d-95d74a8f4c87\/highres","url_epub":"","ordernummer":"19778","isbn":"978-94-6534-812-4","doi_nummer":"https:\/\/doi.org\/10.5463\/thesis.1994","naam_universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","afbeeldingen":28542,"video_url":"","podcast_url":"","naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/28541","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/28542"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=28541"}],"wp:term":[{"taxonomy":"university_us_portfolio","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/university_us_portfolio?post=28541"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}