{"id":19833,"date":"2026-04-09T10:59:04","date_gmt":"2026-04-09T08:59:04","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/us_portfolio\/roos-van-der-vuurst-de-vries-2\/"},"modified":"2026-08-14T17:52:31","modified_gmt":"2026-08-14T15:52:31","slug":"roos-van-der-vuurst-de-vries","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/roos-van-der-vuurst-de-vries\/","title":{"rendered":"Roos Van Der Vuurst De Vries"},"content":{"rendered":"","protected":false},"featured_media":9641,"template":"","meta":{"_acf_changed":false},"university_us_portfolio":[12],"class_list":["post-19833","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","university_us_portfolio-erasmus-universiteit-rotterdam"],"acf":{"main_text":"","naam_van_het_proefschift":"A Step Ahead of MS","samenvatting":"Multiple sclerose (MS) is een chronische ontstekingsziekte van het centrale zenuwstelsel (CZS). Zowel genetische als omgevingsfactoren zijn van invloed op het ontstaan van MS. MS start bij 85% van de pati\u00ebnten met klinische aanvallen als gevolg van demyelinisatie van de zenuwen in verschillende delen van het CZS. Omdat het ziektebeloop van MS-pati\u00ebnten erg heterogeen in ernst en prognose is, zijn er op het moment van de eerste aanval (CIS) factoren nodig die het ziektebeloop kunnen voorspellen. Betrouwbare prognostische factoren zijn erg belangrijk vanwege het groeiende aantal beschikbare immunomodulerende therapie\u00ebn (IMT) voor MS-pati\u00ebnten. Vroeg in het ziekteproces starten met deze therapie\u00ebn voorkomt latere MS aanvallen en invaliditeit.\n\nDe studies die beschreven worden in dit proefschrift zijn uitgevoerd binnen twee prospectieve cohorten van volwassenen en kinderen die gevolgd zijn na een eerste aanval van demyelinisatie. Het doel van deze studies is om prognostische factoren te vinden die het ziektebeloop na een eerste aanval van demyelinisatie in volwassenen en kinderen kunnen voorspellen.\n\nHoofdstuk 1 geeft een korte introductie over MS en beschrijft klinische en biologische factoren die nu bekend zijn en gebruikt worden voor het voorspellen van het ziektebeloop.\n\nHet eerste deel van dit proefschrift gaat over het ziektebeloop na CIS bij volwassen pati\u00ebnten. In 2017 heeft \u2018the International Panel on Diagnosis of Multiple Sclerosis\u2019 een voorstel gedaan voor nieuwe revisies van de McDonald criteria voor MS. De belangrijkste verandering in de nieuwe criteria is dat als er unieke oligoclonale banden (OCB) worden gevonden in de liquor er niet meer aan spreiding in tijd (DIT) hoeft te worden voldaan. De andere belangrijke verandering is dat niet alleen asymptomatische maar ook symptomatische afwijkingen op de MRI-scan kunnen bijdragen aan DIT en spreiding in plaats (DIS). In hoofdstuk 2 hebben we deze nieuwe criteria toegepast op een cohort van 229 volwassen CIS-pati\u00ebnten. Met deze nieuwe criteria konden twee keer zoveel MS-diagnoses worden gesteld op het moment van de eerste aanval (97 (54%) vs 46 (26%); p<0.01). Wanneer we de nieuwe 2017 criteria gebruikten vonden we een hogere sensitiviteit voor een tweede aanval dan wanneer we de oude 2010 criteria gebruikten (68% vs 36%; p<0.01). De specificiteit was echter lager voor de nieuwe criteria (61% vs 85%; p<0.01). Deze data laten zien dat de McDonald 2017 criteria leiden tot een hoger aantal MS diagnoses bij pati\u00ebnten met een minder actief ziektebeloop.\n\nVermoeidheid is een van de meest gerapporteerde en invaliderende symptomen voor MS-pati\u00ebnten. Hoofdstuk 3 evalueert het langetermijn beloop van vermoeidheid na CIS. Eerst hebben we onze eerdere bevinding bevestigd, namelijk dat vermoeidheid op het moment van CIS voorspellend is voor een toekomstige CDMS-diagnose. Dit was ook het geval na correctie voor geslacht, leeftijd, etniciteit, locatie van de symptomen, contrast-aankleuring op de eerste MRI en IMT voor CDMS-diagnose (hazard ratio (HR) 2.6; p<0.01). Hierna hebben we laten zien dat de vermoeidheids-score (FSS) 0.86 punten hoger was na CDMS-diagnose (p=0.01). Vermoeidheid was al vroeg in het ziektebeloop, op het moment van CIS, aanwezig en werd erger na een tweede aanval.\n\nIn hoofdstuk 4 hebben we onderzocht of de T-cel activatie marker soluble CD27 (sCD27) gemeten in liquor van CIS-pati\u00ebnten voorspellend is voor MS-diagnose en voor een verhoogde aanvalsfrequentie. We vonden dat binnen de CIS-groep, hoge sCD27 waarden voorspelden voor MS-diagnose, onafhankelijk van MRI en liquor metingen (HR 2.4 per 100 U\/mL verhoging van sCD27; p<0.01). Interessant was, dat binnen de groep die een tweede aanval had gekregen, pati\u00ebnten met hoge sCD27 waarden op het moment van CIS een 5.5 keer hogere jaarlijkse aanvalsfrequentie (ARR) hadden tijdens follow-up, vergeleken met pati\u00ebnten met lage sCD27 waarden op het moment van CIS (ARR 0.33 vs 0.06; p=0.02). Soluble CD27 waarden waren ook geassocieerd met IgG index, unieke OCB in liquor, \u22659 T2 afwijkingen en subklinische T2 afwijkingen op de eerste MRI-scan.\n\nIn hoofdstuk 5 hebben we een uitgebreide studie binnen verschillende pati\u00ebntengroepen gedaan naar Th1-like-Th17 cellen (CCR6+CXCR3+), een subpopulatie van T-helper 17 (Th17) cellen (CCR6+). Deze cellen spelen een belangrijke rol in ziekteactiviteit bij MS-pati\u00ebnten. We vonden dat Th1-like Th17 cellen, die niet alleen IL-17 maar ook IFN-\u03b3 en GM-CSF tot expressie brengen, minder aanwezig waren in bloed van CIS-pati\u00ebnten die binnen een jaar gediagnostiseerd werden met CDMS (CIS-CDMS) dan in bloed van CIS-pati\u00ebnten die tenminste 5 jaar lang CIS bleven (CIS-CIS) (6% vs 11%; p=0.01). Voor Th1 (CCR6-CXCR3+) en Th17 (CCR6+ CXCR3-) cellen zagen we deze verlaagde frequentie niet. Ook vonden we een verlaagde effector memory (EM) \/ central memory (CM) ratio voor de Th1-like Th17 subset in CIS-CDMS pati\u00ebnten (0.3 vs 0.5; p<0.01). Deze ratio correleerde met de anti-EBNA1 IgG-titer (p=0.01) en de vermoeidheids-score (FSS) (p<0.01), dit zijn beide markers die geassocieerd zijn met een vroege MS-diagnose. In bloed van pati\u00ebnten die al met MS gediagnostiseerd waren, vonden we sterk verlaagde frequenties van Th1-like Th17 EM cellen vergeleken met CIS-CIS pati\u00ebnten en gezonde controles (0.7% vs 2.8% vs 3.3%; p<0.01). Daarnaast was een groter deel van de Th1-like Th17 cellen positief voor de activatie markers CD38 en HLA-DR. Dit was niet gezien voor Th1 cellen. Dit pleit voor een selectieve activatie van Th1-like Th17 effector-cellen in bloed van pati\u00ebnten met MS. Hierna hebben we gepaarde liquor en bloed samples van CIS en vroege MS-pati\u00ebnten geanalyseerd. Hierin vonden we dat het deel Th1-like Th17 cellen in liquor 2 tot 3 keer hoger was dan in bloed en dat deze cellen in liquor meer IFN-\u03b3 and GM-CSF produceerden dan gepaarde bloed Th1-like Th17 cellen. Ex vivo experimenten bevestigden de lokale verhoging van Th1-like Th17 cellen in het CZS: deze subset was verhoogd in hersenweefsel van MS-pati\u00ebnten. Dit was niet het geval in hersenweefsel van controles. Hierna bestudeerden we de migratie van perifere T-helper subpopulaties naar het CZS. VLA-4 was het adhesiemolecuul dat het meest tot expressie kwam op de Th1-like Th17 cellen, in het bijzonder op de Th17.1 subset (CCR6+CXCR3+CCR4-). Deze specifieke subset hoopte selectief op in het bloed van met natalizumab (een anti-VLA-4 monoclonale antistof) behandelde pati\u00ebnten. We zagen deze ophoping in bloed alleen in natalizumab-behandelde pati\u00ebnten die vrij van aanvallen bleven tijdens de behandelperiode (aanvalsvrije pati\u00ebnten: voor behandeling 3.8% vs na behandeling 6.8%; p<0.01, pati\u00ebnten met aanvallen: voor behandeling 3.2% vs na behandeling 4.0%). Vermindering van VLA-4 expressie door natalizumab werd vooral gezien in de Th17.1 cellen. In vitro trans-well migratie analyses lieten zien dat Th17.1 inderdaad de Th17 subpopulatie was die het meest migreerde door menselijke brein endotheelcel-lagen richting de inflammatoire cytokine CXCL10. Daarnaast waren Th17.1 cellen verhoogd in liquor van CIS en vroege MS-pati\u00ebnten in vergelijking met gepaard bloed. Ook zagen we verlaagde Th17.1 frequenties in bloed van CIS-CDMS vs CIS-CIS pati\u00ebnten (p=0.02). Deze data laat het vermogen van Th1-like Th17 cellen, met name de Th17.1 subset, zien om op te hopen in het CZS en ziekteactiviteit te be\u00efnvloeden in vroege MS-pati\u00ebnten.\n\nHet roken van sigaretten is in eerdere studies aangetoond als risicofactor die het ziektebeloop van MS-pati\u00ebnten be\u00efnvloedt. Er zijn echter tegenstrijdige resultaten wat betreft de voorspellende waarde van roken voor MS-diagnose in CIS-pati\u00ebnten. In hoofdstuk 6 is de associatie tussen roken op het moment van CIS en een toekomstige CDMS-diagnose onderzocht in 250 CIS-pati\u00ebnten. Er was een hoger aantal CDMS-diagnoses in CIS pati\u00ebnten die rookten vergeleken met CIS-pati\u00ebnten die niet rookten (67% vs 36%; p<0.01). Ook was roken op het moment van CIS een onafhankelijke voorspeller voor CDMS-diagnose (HR: 2.3; p<0.01). Daarbij was het interessant dat niet rokende CIS pati\u00ebnten die in het verleden wel gerookt hadden, geen hoger risico op CDMS hadden in vergelijking met CIS-pati\u00ebnten die nog nooit gerookt hadden. Dit wijst erop dat de schadelijke effecten van roken reversibel lijken te zijn.\n\nHet tweede deel van dit proefschrift gaat over het ziektebeloop na CIS bij kinderen versus volwassenen. Hoofdstuk 7 vergelijkt het ziektebeloop en de klinische parameters op het moment van de eerste neurologische uitval tussen 107 kinderen en 276 volwassenen met CIS. De gehele groep is verdeeld in 3 leeftijdscategorie\u00ebn (1-10, 11-17, 18-50 jaar). Het aantal witte stof afwijkingen op de MRI was het grootst in de kinderen van 11-17 jaar. Ook presenteerden kinderen zich vaker met polyfocale-symptomen vergeleken met volwassenen (32% vs 12%; p<0.01). Kinderen in de leeftijd 11-17 jaar werden het meest gediagnostiseerd met MS tijdens follow-up (84% vs 50%; p<0.01). Ook was de tijd tot MS-diagnose voor deze groep het kortst (HR: 3.2, 95%; p<0.01). We hebben de jaarlijkse aanvalsfrequenties binnen de pati\u00ebnten die gediagnostiseerd waren met MS onderzocht. Binnen de groep pati\u00ebnten zonder IMT hadden kinderen de hoogste aanvalsfrequentie vergeleken met volwassenen (2.22 vs 0.91; p<0.01). Maar in de groep die behandeld werd met IMT was de aanvalsfrequentie tussen kinderen en volwassenen gelijk (0.48 vs 0.40). Deze data wijzen erop dat kinderen een meer inflammatoir ziektebeloop hebben dan volwassenen, dit is een argument voor het vroeg starten met IMT bij kinderen van 11-17 jaar. Dit is in overeenstemming met het huidige beleid in volwassen pati\u00ebnten met CIS.\n\nGebaseerd op onze eerdere bevinding in volwassen CIS-pati\u00ebnten dat hoge sCD27 waarden voorspellend waren voor een toekomstige MS-diagnose, hebben we deze T-cel activatie marker ook bekeken bij 94 kinderen met een eerste aanval van demyelinisatie (ADS). In hoofdstuk 8 beschrijven we dat hoge sCD27 waarden in liquor van kinderen met ADS zonder encefalopathie geassocieerd zijn met een toekomstige CDMS-diagnose (HR 2.8 per 100 U\/mL verhoging van sCD27; p<0.01). Deze resultaten kwamen overeen met wat we ook in volwassenen vonden, zoals eerder beschreven in dit proefschrift. De sCD27 waarden van kinderen met ADS en encefalopathie waren hetzelfde als voor monofasische ADS pati\u00ebnten zonder encefalopathie. ADS pati\u00ebnten met encefalopathie hadden lagere sCD27 waarden vergeleken met ADS pati\u00ebnten zonder encefalopathie die tijdens follow-up gediagnostiseerd werden met CDMS. Ook bij kinderen waren sCD27 waarden geassocieerd met de IgG index en unieke OCB in liquor. \n\nUit eerdere studies bleek dat neurofilament light chain (NfL), een marker voor axonale schade, in liquor voorspellend is voor MS-diagnose bij volwassenen met CIS. In kinderen was dit nog niet eerder onderzocht. Daarom hebben we de voorspellende waarde van NfL in liquor van 65 kinderen en 88 volwassenen met CIS bekeken. In hoofdstuk 9 hebben we eerst gevalideerd dat hoge NfL waarden in liquor geassocieerd zijn met CDMS diagnose in volwassen CIS-pati\u00ebnten (HR 2.1; p=0.03). Hierna hebben we laten zien dat NfL een onafhankelijke voorspeller voor CDMS-diagnose is in kinderen met CIS (HR: 3.7; p<0.01). Daarnaast zagen we dat binnen de groep die werd gediagnostiseerd met CDMS, kinderen op het moment van CIS hogere NfL waarden hadden dan volwassenen (4888 vs 2156pg\/mL; p<0.01). Ook lieten we zien dat binnen de pati\u00ebnten met een toekomstige CDMS-diagnose, de pati\u00ebnten met T1-hypointense afwijkingen op de eerste MRI-scan (een teken voor axonale schade) bij zowel volwassenen als kinderen hogere NfL waarden hadden dan de pati\u00ebnten zonder deze afwijkingen (volwassenen: 3188 vs 1588pg\/mL; p<0.01, kinderen: 8920 vs 1668pg\/mL; p<0.01). Dit wijst erop dat kinderen niet alleen een meer inflammatoir ziektebeloop hebben dan volwassenen, zoals eerder in dit proefschrift beschreven, maar dat deze jonge pati\u00ebntengroep ook al vroeg in het ziektebeloop tekenen van neurodegeneratie vertoont.\n\nIn hoofdstuk 10 worden de belangrijkste bevindingen van dit proefschrift bediscussieerd en worden er aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek.","summary":"Multiple sclerosis (MS) is a chronic inflammatory disease of the central nervous system (CNS), affecting genetically susceptible individuals, influenced by environmental factors. In 85% of cases, the disease presents itself with clinical relapses as a result of demyelination in different parts of the CNS. Because the course of MS is highly heterogeneous, prediction factors at time of the first attack (CIS) are needed. The need for reliable prognostic factors is even more urgent since there is a growing number of disease modifying therapies (DMT) available for MS. Early initiation of these therapies is favourable for the prevention of future relapses and disability.\n\nThe studies described in this thesis are executed within two prospective cohorts of adult and paediatric patients followed after a first attack of demyelination. We aimed to find prognostic factors for the disease course after a first attack of demyelination both in children and adults.\n\nChapter 1 gives a short introduction on MS and describes currently known and used clinical, imaging and biological factors for the prediction of disease course.\n\nThe first part of this thesis focused on the disease course after CIS in adult patients. In 2017, the International Panel on Diagnosis of Multiple Sclerosis proposed new revisions to the McDonald criteria for MS. The most important change was that with the new criteria dissemination in time (DIT) could be realized when unique oligoclonal bands (OCB) were found in the cerebrospinal fluid (CSF), this could replace DIT on MRI. The other change was that not only asymptomatic but also symptomatic lesions on MRI could contribute to DIT and dissemination in space (DIS). In chapter 2, we validated these criteria in 229 adult CIS patients. With these new criteria twice as many MS diagnoses could be made at time of the first attack (97 (54%) vs 46 (26%); p<0.01). We found a higher sensitivity for a second attack using the new 2017 criteria than when using the former 2010 criteria (68% vs 36%; p<0.01). However, the specificity was lower for the new criteria (61% vs 85%; p<0.01). These data imply that the McDonald 2017 criteria will lead to a higher number of MS diagnoses in patients with a less active disease course.\n\nFatigue is one of the most reported and disabling symptoms for MS patients. Chapter 3 evaluates the long-term course of fatigue after CIS. First, we validated our previous finding that fatigue at time of CIS predicts a future CDMS diagnosis after adjustments for sex, age, ethnicity, localization of symptoms, gadolinium enhancement at baseline MRI, and DMT before CDMS diagnosis in 235 CIS patients (hazard ratio (HR) 2.6; p<0.01). After that, we showed that the fatigue scores (FSS) increased by 0.86 units after CDMS diagnosis (p=0.01). We demonstrated that fatigue started early in the disease course, already at time of CIS, and increased after a second attack.\n\nIn chapter 4, we investigated whether the T-cell activation marker soluble CD27 (sCD27) measured in CSF from CIS patients predicts MS diagnosis and a high relapse rate. First we showed higher level of CSF sCD27 in 77 patients with CIS than in 30 control individuals. We showed that within the CIS group, high sCD27 levels were predictive for MS diagnosis independently of MRI and CSF measurements (HR 2.4 per 100 U\/mL increase of sCD27; p<0.01). Interestingly, within the group that experienced a second attack, we observed that patients with high sCD27 levels at time of CIS had a 5.5 times higher annualized relapse rate (ARR) during follow-up after the second attack compared to patients with low sCD27 levels at time of CIS (ARR 0.33 vs 0.06; p=0.02). Soluble CD27 levels were also associated with IgG index, unique OCB in CSF, \u22659 T2 lesions and subclinical T2 lesions on baseline MRI.\n\nIn chapter 5, we performed an extensive study, in different patient groups, on Th1-like Th17 cells (CCR6+CXCR3+), which is a subpopulation of T helper 17 cells (CCR6+), a key mediator in MS disease activity. We found that Th1-like Th17 cells, expressing IL-17 but also IFN-\u03b3 and GM-CSF, were decreased in peripheral blood from CIS patients who converted to CDMS within one year (CIS-CDMS) compared to CIS patients who remained monophasic for at least 5 years (CIS-CIS) (6% vs 11%; p=0.01). For Th1 (CCR6-CXCR3+) and Th17 (CCR6+CXCR3-) cells this reduction was not seen. A reduced effector memory (EM) to central memory (CM) ratio was found for the Th1-like Th17 subset in CIS-CDMS patients (0.3 vs 0.5; p<0.01). This ratio correlated with anti-EBNA1 IgG titres (p=0.01) and fatigue scores (FSS) (p<0.01), markers that are shown to be predictive for an early MS diagnosis. In blood from patients who were already diagnosed with MS, we found strongly reduced frequencies of Th1-like Th17 effector memory (EM) cells compared to CIS-CIS and healthy controls (0.7% vs 2.8% vs 3.3%; p<0.01). In MS patients, a higher proportion of Th1-like Th17 cells was positive for the activation markers CD38 and HLA-DR. This was not seen for Th1 cells. This pleads for a selective activation of Th1-like Th17 effector cells in blood from patients with MS. After that, we analysed paired CSF and blood samples from CIS and early MS patients. We found that the Th1-like Th17 proportion in CSF was 2- to 3-fold higher and produced more IFN-\u03b3 and GM-CSF than the paired blood Th17-like Th17 cells. Ex vivo experiments confirmed the local enrichment of Th1-like Th17 cells in the CNS, this subset was enriched in brain tissue from late-stage MS patients and not in brain tissue from non-demented controls. Next, we studied the migration of peripheral T helper subpopulations into the CNS. VLA-4 was the most abundant adhesion molecule on Th1-like Th17 cells, especially on the Th17.1 subset (CCR6+CXCR3+CCR4-). This specific subset accumulated selectively in blood of natalizumab (an anti-VLA-4 monoclonal antibody) treated patients. We saw this only in natalizumab-treated patients who remained free of relapses (relapse-free patients: pre-treatment 3.8% vs post-treatment 6.8%; p<0.01, patients with relapses: pre-treatment 3.2% vs post-treatment 4.0%). And downregulation of VLA-4 by natalizumab was most prominent on Th17.1 cells. In vitro trans-well migration assays confirmed that Th17.1 was the main Th17 subpopulation migrating across human brain endothelial layers towards the inflammatory mediator CXCL10. Furthermore, Th17.1 cells were enriched in CSF from CIS and early MS patients compared to paired blood samples. Also lower Th17.1 frequencies were seen in blood from CIS-CDMS vs CIS-CIS patients (p=0.02). These data demonstrate the ability of Th1-like Th17 cells, in particular Th17.1 cells to migrate to the CNS and influence disease activity in early MS.\n\nCigarette smoking is shown to be a risk factor that influences disease course of MS patients. However, there are conflicting results for the predictive value of smoking for MS diagnosis in CIS patients. In chapter 6, we studied the association between smoking at time of CIS and a subsequent CDMS diagnosis in 250 CIS patients. We found a higher rate of CDMS diagnoses in CIS patients who smoked at time of CIS than in non-smoking CIS patients (67% vs 36%; p<0.01). And smoking at time of CIS was an independent predictor for CDMS diagnosis (HR: 2.3; p<0.01). Interestingly, non-smoking CIS patients who had a history of smoking did not have a higher risk of CDMS than CIS patients who had never smoked, suggesting that the harmful effects of smoking are reversible.\n\nPart 2 focused on the disease course after CIS in paediatric versus adult patients. In chapter 7, we compared disease course and clinical features at disease onset between 107 children and 276 adults who were followed after CIS. We divided the total group in three age groups (1-10, 11-17, 18-50 years). Lesion load on MRI was highest in the 11-17-year-old children. Children presented more often with polyfocal clinical symptoms than adults (32% vs 12%; p<0.01). We saw the highest rate of MS and CDMS conversion in the 11-17-year-old CIS group (84% vs 50%; p<0.01). This group also had the shortest time to MS diagnosis (HR: 3.2, 95%; p<0.01). Annualized relapse rates were evaluated in patients who were diagnosed with MS using a negative binomial regression model with log link. Without DMT, paediatric patients showed a higher ARR than adults (2.22 vs 0.91; p<0.01). However, after DMT administration ARR was the same for paediatric and adult MS patients (0.48 vs 0.40). These data showed a more inflammatory disease course in children after CIS than in adults, this argues for early initiation of DMT in 11-17-year-old children in line with current clinical practice in adult CIS patients.\n\nBased on our earlier finding in adult patients with CIS that high sCD27 levels were predictive for a future MS diagnosis, we evaluated this T-cell activation marker in 94 children with ADS in chapter 8. We found the same result as we found in adults described earlier in this thesis. High CSF sCD27 levels in paediatric ADS patients without encephalopathy were associated with a future CDMS diagnosis (HR 2.8 per 100U\/mL increase in sCD27 levels; p<0.01). Children with ADS and encephalopathy did not differ in sCD27 levels from monophasic ADS patients without encephalopathy. However, ADS patients with encephalopathy had lower levels sCD27 than ADS patients without encephalopathy who were diagnosed with CDMS during follow-up. Also in children, sCD27 levels were associated with OCB and IgG index.\n\nIt has been shown that neurofilament light chain (NfL), a marker for axonal damage, in CSF is predictive for MS diagnosis in adult CIS patients. In children, this was not studied yet. Therefore we investigated the predictive value of NfL in CSF from 65 paediatric and 88 adult CIS patients. In chapter 9, we first validated that high NfL levels were associated with CDMS diagnosis in adult patients with CIS (HR: 2.1; p=0.03). After that we demonstrated that NfL was also an independent predictor for CDMS diagnosis in paediatric CIS patients (HR: 3.7; p<0.01). Moreover, in the group with a future CDMS diagnosis, children had higher NfL levels than adults at time of CIS (4888 vs 2156pg\/mL; p<0.01). We also showed that patients with a future CDMS diagnosis and T1-hypointense lesions on baseline MRI, which is a sign for axonal damage, had higher NfL levels than patients without T1-hypointense lesions, in both adults and children (adults: 3188 vs 1588pg\/mL; p<0.01, children: 8920 vs 1668pg\/mL; p<0.01). These results imply that children not only have a more inflammatory disease course than adults, as shown earlier in this thesis, but also that this young patient group has signs of neurodegeneration already early in the disease course.\n\nChapter 10 discusses the main findings of this thesis and recommendations for future research.","auteur":"Roos Van Der Vuurst De Vries","auteur_slug":"roos-van-der-vuurst-de-vries","publicatiedatum":"30 januari 2019","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/roosvandervuurstdevries?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/a236f61e-1987-4873-bc40-fa43c8b4a578\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604091055","isbn":"978-94-6380-137-9","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Erasmus Universiteit Rotterdam","afbeeldingen":9641,"video_url":"","podcast_url":"","naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Erasmus Universiteit Rotterdam","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/19833","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/9641"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=19833"}],"wp:term":[{"taxonomy":"university_us_portfolio","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/university_us_portfolio?post=19833"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}