{"id":16618,"date":"2026-08-11T01:41:52","date_gmt":"2026-08-10T23:41:52","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/suzanne-orhan-pees-2\/"},"modified":"2026-08-11T01:42:03","modified_gmt":"2026-08-10T23:42:03","slug":"suzanne-orhan-pees-2","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/suzanne-orhan-pees-2\/","title":{"rendered":"Suzanne Orhan Pees"},"content":{"rendered":"","protected":true},"excerpt":{"rendered":"","protected":true},"author":8,"featured_media":16619,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-16618","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","post-password-required","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Prevention by occupational physicians","samenvatting":"Werkgerelateerde gezondheidsklachten zijn een groot probleem. Niet alleen gaat het gepaard met veel persoonlijk leed, maar ook leidt het tot hoge kosten voor werkgevers en de maatschappij. Dit benadrukt het belang van aandacht voor gezondheid in relatie tot werk. De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) omvat de regels, rechten en plichten voor werkgevers en werknemers om te waarborgen dat alle werkenden in Nederland gezond en veilig kunnen werken. Sinds de wijziging van de Arbowet in 2017 is de preventieve rol van bedrijfsartsen meer centraal komen te staan. Zo kreeg de bedrijfsarts vrije toegang tot de werkvloer, kregen werknemers het recht om preventief een bedrijfsarts te raadplegen in het open spreekuur, en werd het basiscontract ge\u00efntroduceerd, dat minimumeisen stelt voor het contract tussen arbodienstverleners en werkgevers. Toch blijkt dat veel bedrijfsartsen in de praktijk weinig toekomen aan preventieve taken en dat de focus in het werk bij verzuimbegeleiding blijft liggen. Het doel van dit onderzoek was daarom bij te dragen aan het bevorderen van de uitvoering van preventieve taken door de bedrijfsarts. Om dit te realiseren hadden we de volgende doelstellingen geformuleerd:\n- Doelstelling 1: Inzicht geven in de redenen en determinanten van de beperkte uitvoering van preventieve taken door bedrijfsartsen in de praktijk.\n- Doelstelling 2: Het ontwerpen van een interventie gericht op het verbeteren van de uitvoering van preventieve taken door bedrijfsartsen, en het evalueren van zowel de implementatie van de interventie als de effecten op de tijd die aan preventieve taken wordt besteed.\n\nDoelstelling 1: Inzicht geven in de redenen en determinanten van de beperkte uitvoering van preventieve taken door bedrijfsartsen in de praktijk.\nHoofdstuk 2 beschrijft de gedragsdeterminanten van bedrijfsartsen ten aanzien van preventie, namelijk hun houding, ervaren sociale steun en eigen-effectiviteitsverwachting (ASE), en hoe dit samenhangt met de tijd die zij besteden aan preventieve taken. De resultaten laten zien dat bedrijfsartsen over het algemeen een positieve houding hebben tegenover preventieve taken. Zo ziet 96% van de bedrijfsartsen het als hun taak om met preventie bezig te zijn. Toch is hun eigen-effectiviteitsverwachting om preventieve taken uit te voeren relatief laag en verwacht slechts 57% dat het ook zou lukken om het uit te voeren. De ervaren steun vanuit de omgeving verschilt per stakeholder: het merendeel (84%) van de bedrijfsartsen ervaart steun van collega\u2019s om preventieve taken uit te voeren, maar slechts minder dan de helft (43%) ervaart steun van de werkgevers waar zij voor werken. Zowel steun van werkgevers als een hogere eigen-effectiviteitsverwachting hangen samen met meer tijd besteed aan preventieve activiteiten, terwijl er geen associaties gevonden werden voor houding.\n\nHoofdstuk 3 richt zich op de associatie tussen de tijd die bedrijfsartsen besteden aan preventieve taken en hun werkbeleving, op basis van vijf indicatoren: werktempo en werkhoeveelheid, afwisseling in het werk, vaardigheden, inspraak, plezier in het werk. We vonden dat de deelnemende bedrijfsartsen 14,5% van hun tijd besteden aan preventieve taken, vergeleken met 68,9% aan verzuimbegeleiding en 16,6% aan overige taken (onderzoek, beleid en onderwijs). De tijdsbesteding voor preventieve taken staat in verhouding tot de andere taken en dit telt samen op tot 100%. Een toename in tijdsbesteding aan \u00e9\u00e9n taak leidt immers automatisch tot een afname in tijdsbesteding aan \u00e9\u00e9n of meer van de andere taken. Om die reden gebruikten we compositionele data-analyse (CoDa) om te onderzoeken hoe de tijdsbesteding aan preventieve taken samenhangt met werkbeleving. Uit de resultaten bleek dat meer tijd besteed aan preventieve taken, in verhouding tot de andere taken, geassocieerd was met een hogere ervaren afwisseling in het werk en een sterker gevoel dat het werk voldoende gebruik maakt van vaardigheden en competenties. Voor werktempo en werkhoeveelheid, inspraak en plezier in het werk werden geen significante verbanden gevonden. De uitvoering van preventieve taken draagt dus gedeeltelijk positief bij aan de werkbeleving van bedrijfsartsen.\n\nHoewel zelfstandigen zonder personeel (zzp\u2019ers) in Nederland in theorie toegang hebben tot bedrijfsgezondheidszorg, moet men dit vaak zelf regelen en betalen. In een cross-sectionele studie beschreven in hoofdstuk 4 werd daarom gekeken naar het gebruik van preventieve zorg door zelfstandigen en hoe dit geassocieerd is met hun risico perceptie. Risico perceptie werd uitgevraagd aan de hand van de ingeschatte waarschijnlijkheid en ernst van het ontwikkelingen van werkgerelateerde klachten en arbeidsongeschiktheid. Ongeveer 16% van de 348 deelnemende zelfstandigen bleek ooit preventief een bedrijfsarts te hebben bezocht. Dit percentage was iets hoger (20.6%) onder zelfstandigen die een arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten. Een lage ervaren noodzaak was de belangrijkste reden (60.1%) voor het niet gebruiken van preventieve zorg. Ook waren zelfstandigen soms niet op de hoogte van de mogelijkheid (18.4%) of zagen ze de meerwaarde van het bezoeken van een bedrijfsarts niet (15.3%). Risico perceptie was gedeeltelijk geassocieerd met preventieve bezoeken aan de bedrijfsarts. Een lagere risico perceptie ten aanzien van werkgerelateerde klachten hangt samen met een lagere odds op het gebruik van preventieve zorg door de bedrijfsarts. Voor arbeidsongeschiktheid was alleen een lager ingeschatte waarschijnlijkheid geassocieerd met het gebruik van preventieve zorg door de bedrijfsarts. \n\nEen belemmering voor de uitvoering van preventieve taken is dat het vaak onduidelijk is wat het oplevert. Om die reden is een systematische review uitgevoerd naar de effectiviteit van preventieve interventies, uitgevoerd door arboprofessionals, op werkgerelateerde stressklachten. Hoofdstuk 5 beschrijft de resultaten van deze review. Negen studies voldeden aan de inclusiecriteria, al liepen het type interventies, doelgroepen en betrokken arboprofessionals zeer uiteen. Ook bleken de effecten van preventieve interventies wisselend: sommige interventies leveren op korte termijn positieve effecten op of werken vooral bij deelnemers die de interventie goed gevolgd hebben, andere interventies hadden geen effect. Preventieve interventies lijken vooral effectief als ze intensiever of frequenter worden aangeboden, al is het bewijs beperkt en zijn de bevindingen vaak wisselend. Dit onderstreept het belang van goed uitgevoerde en ge\u00efmplementeerde interventies bij het voorkomen van werkstress.\n\nDoelstelling 2: Het ontwerpen van een interventie gericht op het verbeteren van de uitvoering van preventieve taken door bedrijfsartsen, en het evalueren van zowel de implementatie van de interventie als de effecten op de tijd die aan preventieve taken wordt besteed.\nOm bedrijfsartsen te ondersteunen in hun preventieve rol en de implementatie van preventieve taken te verbeteren, hebben we een interventie voor bedrijfsartsen ontworpen. Hoofdstuk 6 beschrijft de ontwikkeling van de interventie en het protocol voor de evaluatie. De interventie is ontwikkeld aan de hand van de stappen van Implementation Mapping. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie uit literatuur en input van betrokken stakeholders. Eerst is in kaart gebracht welke factoren de uitvoering van preventieve taken belemmeren en bevorderen. Vervolgens zijn in bijeenkomsten met stakeholders en op basis van literatuur strategie\u00ebn en methoden opgehaald om de belemmeringen tegen te gaan. Op basis van deze informatie is een interventie ontwikkeld, bestaande uit drie bijeenkomsten voor intercollegiale toetsing (ICT) groepen. ICT-groepen zijn verplicht voor de herregistratie van bedrijfsartsen en dragen bij aan deskundigheidsbevordering en kwaliteitsverbetering. In de drie bijeenkomsten gingen bestaande ICT-groepen aan de slag met het onderwerp preventie, waarbij bedrijfsartsen een persoonlijk actieplan opstelden om belemmeringen tegen te gaan en preventieve taken meer op te pakken het werk. Input van collega\u2019s en reflectie op de eigen gestelde doelen speelden hierbij een belangrijke rol. Voorafgaand aan de interventie ontvingen de voorzitters van de deelnemende ICT-groepen een training ter voorbereiding.\n\nDe interventie voor bedrijfsartsen werd ge\u00ebvalueerd in de IM-PROmPt studie, wat staat voor Implementation of Preventive Tasks by Occupational Physicians. De IM-PROmPt studie is een cluster-randomized controlled trial en werd uitgevoerd tussen mei 2023 en september 2024. De 41 deelnemende ICT-groepen zijn willekeurig ingedeeld in de interventieconditie (N=21, zij ontvingen het programma en bijbehorende ontwikkelde materialen) of de controleconditie (N=20, zij vulden hun ICT-bijeenkomsten in zoals gebruikelijk). De evaluatie van het implementatieproces en de effecten op de uitvoering van preventieve taken in de praktijk staan beschreven in hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8.\n\nDe procesevaluatie, beschreven in hoofdstuk 7, had vier doelen, namelijk het beschrijven van: 1) Het gebruik van de interventie; 2) De mate waarin de interventie is uitgevoerd zoals bedoeld; 3) Belemmerende en bevorderende factoren die de implementatie hebben be\u00efnvloed; en 4) Ervaringen van deelnemende bedrijfsartsen met de interventie. Gegevens voor de procesevaluatie werden verzameld met een vragenlijst die werd ingevuld door 98 bedrijfsartsen in de interventiegroep en 17 individuele interviews met bedrijfsartsen en ICT-voorzitters. De interventie bleek goed opgepakt door deelnemende groepen: 20 van de 21 groepen in de interventieconditie heeft de interventie gevolgd en driekwart van de bedrijfsartsen woonde alle bijeenkomsten bij. Het merendeel van de bedrijfsartsen formuleerde persoonlijke doelen met betrekking tot preventie en ging hiermee aan de slag in de praktijk. Voorbeelden van doelen zijn bijvoorbeeld het aankaarten van het onderwerp preventie bij werkgevers, reserveren van tijd in de agenda voor het oppakken van preventieve taken, of het bezoeken van de werkplek. Wanneer het niet lukte om de gestelde doelen uit te voeren speelde vaak een gebrek aan tijd of weerstand van werkgevers een rol. Bedrijfsartsen gaven aan dat deelname aan de interventie had geleid tot goede discussies met collega\u2019s en meer bewustzijn over (het belang van) preventieve taken. Verschillende groepen gaven dan ook aan het onderwerp preventie terug te laten komen op de agenda van hun ICT-bijeenkomsten. De interventie kan volgens deelnemers verbeterd worden door er meer tijd voor vrij te maken en door meer gebruik te maken van bestaande tools en richtlijnen.\n\nDe effecten van de interventie voor bedrijfsartsen op de tijd die zij besteden aan preventieve taken staan beschreven in hoofdstuk 8. De 227 deelnemende bedrijfsartsen vulden op drie momenten een online vragenlijst in: bij de start (nulmeting), na ongeveer zes maanden en na ongeveer twaalf maanden. De primaire uitkomst in het onderzoek was de tijd besteed aan preventieve taken. Dit werd op twee manieren uitgevraagd: als % van de totale werktijd die wordt besteed aan preventieve taken en als het aantal uren besteed aan verschillende preventieve taken in een gemiddelde maand. Uit de resultaten bleek dat de interventie geen effect had op het % van de werktijd besteed aan preventieve taken: zowel de interventie als controle groep zijn over tijd meer tijd aan preventie gaan besteden, van 14% bij de nulmeting tot 17% bij de twaalf maanden meting. Mogelijk hebben ontwikkelingen buiten het onderzoek, zoals verhoogde aandacht voor het belang van preventie binnen de beroepsvereniging en in beleid, hieraan bijgedragen. Wel had de interventie effect op de tijd die bedrijfsartsen besteden aan het geven van preventief advies bij verzuimbegeleiding. Bedrijfsartsen in de interventiegroep besteedden bij de twaalf maanden meting gemiddeld vijf uur per maand meer aan deze taak dan bedrijfsartsen in de controlegroep. Een verklaring voor het gevonden resultaat is dat bedrijfsartsen voor de uitvoering hiervan niet afhankelijk zijn van extra tijd, geld, of goedkeuring van werkgevers. Het oppakken van deze taak ligt dus grotendeels binnen hun eigen macht, in tegenstelling tot veel andere preventieve taken. \n\nDiscussie en conclusie\nIn hoofdstuk 9, de Algemene Discussie, worden de belangrijkste bevindingen van dit proefschrift besproken aan de hand van eerdere onderzoeksresultaten. Daarnaast komen de methodologische overwegingen aan bod en worden er verschillende aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek, beleid en praktijk. \n\nSamenvattend kan geconcludeerd worden dat bedrijfsartsen tegen belemmeringen op verschillende niveaus aanlopen op het gebied van preventie, waardoor het vaak niet lukt om preventieve taken op te pakken. Veel van die belemmeringen hangen samen met de manier waarop het systeem in Nederland is ingericht en wordt gefinancierd. Hoewel uit de procesevaluatie naar voren kwam dat de ontwikkelde interventie goed is ge\u00efmplementeerd in bestaande ICT-groepen en positief werd ge\u00ebvalueerd door deelnemende bedrijfsartsen, werd er enkel een effect gevonden op het geven van preventief advies bij verzuimbegeleiding. Zowel de praktische belemmeringen, waardoor de focus in het werk van bedrijfsartsen vooral lag op verzuimbegeleiding, als de resultaten van dit onderzoek laten zien dat de bedrijfsarts nog vooral op individueel niveau werkt en onvoldoende de stap maakt naar preventie op organisatieniveau. \n\nToekomstig onderzoek zou zich moeten richten op de vraag wat nog meer nodig is om de uitvoering van preventieve taken te versterken en hoe de interventie hieraan tege moet kan komen. Deze kennis kan, samen met de inzichten uit dit proefschrift, gebruikt worden voor de doorontwikkeling van de interventie, zodat het interventieprogramma kan worden aangeboden aan alle bedrijfsartsen in Nederland. Daarnaast dient er in toekomstig onderzoek meer aandacht uit te gaan naar gedrag en gedragsdeterminanten van andere betrokkenen, zoals werkgevers en werknemers, en te kijken hoe zij bewogen kunnen worden om te investeren in preventie. \n\nVanuit beleid kan er gericht worden op het concretiseren van afspraken rondom preventie, zowel in de contracten tussen arbodiensten en organisaties, als in de wetgeving. Ook kan er gedacht worden aan financi\u00eble prikkels voor werkgevers om te investeren in preventie. Deze beleidsinitiatieven zouden gecombineerd moeten worden met acties die gericht zijn op het vergroten van het bewustzijn bij werkgevers, werknemers en zelfstandigen over wie de bedrijfsarts is en wat hij of zij kan bieden. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door middel van campagnes of informatievoorziening door andere (zorg) professionals. Bedrijfsartsen kunnen dit ondersteunen door zich zichtbaarder te maken binnen organisaties en vaker op de werkvloer aanwezig te zijn.\n\nWe concluderen op basis van dit proefschrift dat preventieve taken nog onderbelicht blijven in het werk van bedrijfsartsen en dat de ontwikkelde interventie nog niet tot voldoende verandering heeft geleid. Om te komen tot een betere uitvoering van preventieve taken is een bredere blik op preventie nodig met meer aandacht voor de context. Binnen deze brede blik op preventie dient aandacht uit te gaan naar zowel individuele kenmerken van werkenden, factoren in de werkomgeving en organisatie, interactie en samenwerking tussen verschillende stakeholders, en de bredere sociale context.","summary":"Work-related health complaints are a major problem. Not only are they associated with significant personal suffering, but they also lead to high costs for employers and society. This highlights the importance of attention to health in relation to work. The Working Conditions Act (Arbowet) sets out the rules, rights, and obligations for employers and employees to ensure that everyone in the Netherlands can work in a healthy and safe environment. Since the revision of the Arbowet in 2017, the preventive role of occupational physicians (OPs) has become more central. For example, OPs were given access to the workplace, employees gained the right to consult an OP preventively during open consultation hours, and the basic contract was introduced, which sets minimum requirements for contracts between occupational health service (OHS) providers and employers. \n\nNevertheless, it appears that many OPs in practice spend little time on preventive tasks, with the focus remaining on sickness absence management. The ultimate aim of the study in this thesis was therefore to stimulate the implementation of preventive tasks by OPs. To realize this, we formulated two objectives: \n- Objective 1: To provide insight into the reasons and determinants of the limited implementation of preventive tasks by OPs in practice. \n- Objective 2: To design an intervention aimed at increasing the execution of preventive tasks by OPs, and evaluate the implementation of the intervention as well as the effects on time allocated to preventive tasks.\n\nObjective 1: To provide insight into the reasons and determinants of the limited implementation of preventive tasks by OPs in practice. \nChapter 2 describes the behavioural determinants of OPs regarding prevention, specifically their attitude, perceived social support, and self-efficacy expectations (ASE), and how these factors relate to the time they spend on preventive tasks. The results show that OPs generally have a positive attitude towards preventive tasks. For example, 96% of OPs see it as part of their job to engage in prevention. Nevertheless, their self-efficacy expectations regarding the execution of preventive tasks are relatively low, with only 57% expecting to be able to carry them out successfully. The perceived support from the environment varies by stakeholder: the majority (84%) of OPs feel supported by colleagues in performing preventive tasks, but less than half (43%) feel supported by the employers they work for. Both support from employers and higher self-efficacy expectations are associated with spending more time on preventive activities, while no associations were found for attitude.\n\nChapter 3 focuses on how OPs\u2019 time allocated to preventive tasks is associated with their work experience, based on five indicators: work pace and workload, variety in work, use of competencies, autonomy, and work enjoyment. We found that participating OPs spend 14.5% of their time on preventive tasks compared to 68.9% on sickness absence management and 16.6% on other tasks (research, policy, and education). Because these tasks represent proportions of the total workload and sum to a fixed total of 100%, we used compositional data analysis (CoDa) to investigate how time allocation relates to work experience. An increase in time spent on one task automatically leads to a decrease in time spent on one or more of the other tasks. The results showed that more time spent on preventive tasks, relative to other tasks, was associated with a greater sense of variety in the work and a higher feeling that the work sufficiently utilizes skills and competencies. No significant associations were found for work pace and workload, autonomy, or work enjoyment. Thus, performing preventive tasks partially contributes positively to the work experience of OPs, without making the work more demanding in terms of workload.\n\nAlthough self-employed workers (SEW) in the Netherlands in theory have access to occupational health care, they often have to arrange and pay for this themselves. The cross-sectional study described in Chapter 4 therefore examined the use of preventive care by SEW and how this is associated with their risk perception. Risk perception was assessed based on the perceived likelihood and seriousness of developing work-related complaints and disability. About 16% of the 348 participating SEW had ever visited an OP preventively. This percentage was slightly higher (20.6%) among SEW who had disability insurance. The main reason for not using preventive care was a perceived lack of necessity (60.1%). Additionally, some SEW were unaware of the possibility (18.4%) or did not see the added value of visiting an OP (15.3%). Risk perception was partly associated with preventive visits to the OP. A lower perceived risk regarding work-related complaints was associated with lower odds of using preventive care provided by the OP. For disability, only a lower perceived likelihood was associated with the use of preventive care by the OP.\n\nA barrier to the implementation of preventive tasks is that the effects are often unclear. For this reason, a systematic review was conducted on the effectiveness of preventive interventions, carried out by occupational health professionals, on work-related stress complaints. Chapter 5 describes the results of this review. Nine studies met the inclusion criteria, although the types of interventions, target groups, and involved occupational health professionals varied greatly. The effects of preventive interventions were also found to be mixed: some interventions showed short-term positive effects or were particularly effective for participants who closely followed the intervention (high fidelity), while other interventions had no effect. Preventive interventions appear to be especially effective when they are offered more intensively or frequently, although the evidence is limited and the outcomes are often mixed. This highlights the importance of well-executed and well-implemented interventions in preventing work-related stress complaints.\n\nObjective 2: To design an intervention aimed at increasing the execution of preventive tasks by OPs, and evaluate the implementation of the intervention as well as the effects on time allocated to preventive tasks.\nTo support OPs in their preventive role and to improve the implementation of preventive tasks, we designed an intervention for OPs. Chapter 6 describes the development of the intervention and the protocol for its evaluation. The intervention was developed using the steps of Implementation Mapping, utilizing both information from the literature and input from relevant stakeholders. First, the factors that hinder or facilitate the execution of preventive tasks were identified. Next, strategies and methods to address these barriers were gathered during stakeholder meetings and from the literature. Based on this information, an intervention was developed consisting of three meetings for peer groups. Peer group meetings are mandatory for the re-registration of OPs and contribute to professional development and quality improvement. In the three meetings, existing peer groups focused on the topic of prevention, during which OPs created a personal action plan to address barriers and increase their engagement in preventive tasks in practice. Input from colleagues and reflection on personal goals played an important role in this process. Before the start of the intervention, the coordinators of the participating ICT groups received training to prepare them.\n\nThe intervention for OPs was evaluated in the IM-PROmPt study, which stands for Implementation of Preventive Tasks by Occupational Physicians. The IM-PROmPt study is a cluster-randomized controlled trial conducted between May 2023 and September 2024. The 41 participating ICT groups were randomly assigned to the intervention condition (N=21, who received the program and accompanying developed materials) or the control condition (N=20, who conducted their peer meetings as usual). The evaluation of the implementation process and the effects on the performance of preventive tasks in practice are described in Chapter 7 and Chapter 8.\n\nThe process evaluation described in Chapter 7 had four objectives: to describe 1) the reach and uptake of the intervention; 2) the extent to which the intervention was implemented as intended; 3) facilitating and hindering factors that influenced implementation; and 4) experiences of participating OPs with the intervention. Data for the process evaluation were collected through a questionnaire completed by 98 OPs in the intervention group and 17 individual interviews with OPs and group coordinators. The intervention was well adopted by participating groups: 20 of the 21 groups in the intervention condition participated in the intervention, and three-quarters of the OPs attended all meetings. The majority of OPs formulated personal goals related to prevention and started working on these in practice. Examples of goals set by OPs were discussing the topic of prevention with employers, blocking time in the agenda for preventive tasks, and organizing workplace visits. When goals could not be achieved, this was often due to lack of time or resistance from employers. OPs indicated that participation in the intervention led to good discussions with colleagues and greater awareness of (the importance of) preventive tasks. Several groups also indicated that they would return to the topic of prevention on the agenda of their ICT meetings. According to participants, the intervention could be improved by allocating more time for it and by making more use of existing tools and guidelines.\n\nThe effects of the intervention for OPs on the working time they spend on preventive tasks are described in Chapter 8. The 227 participating OPs completed an online questionnaire at three time points: at baseline, after approximately six months, and after approximately twelve months. The primary outcome of the study was the time spent on preventive tasks. This was assessed in two ways: as a percentage of the total working time devoted to preventive tasks, and as the number of hours spent on various preventive tasks in an average month. The results showed that the intervention had no effect on the percentage of working time spent on preventive tasks: both the intervention and control groups spent more time on prevention over time, increasing from 14% at baseline to 17% at the twelve-month follow-up. Developments outside the study, such as increased attention to the importance of prevention within the professional association and in policy, may have contributed to this. However, the intervention did have an effect on the time OPs spent on providing preventive advice during sickness absence management. OPs in the intervention group spent, on average, five hours more per month on this task at the twelve-month measurement than those in the control group. One explanation for this finding is that, for this task, OPs are not dependent on extra time, money, or approval from employers. Taking up this task is therefore largely within their own control, unlike many other preventive tasks.\n\nDiscussion and conclusion\nIn Chapter 9, the General Discussion, the main findings of this dissertation are discussed in the context of previous research results. In addition, methodological considerations are addressed, and various recommendations are made for future research, policy, and practice. \n\nIn summary, it can be concluded that OPs encounter barriers at various levels in the area of prevention, which often prevent them from taking on preventive tasks. Many of these barriers are related to the way the system in the Netherlands is organized and financed. Although the process evaluation showed that the developed intervention was well-implemented within existing peer groups and positively evaluated by participating OPs, an effect was found only for providing preventive advice during sickness absence management. Both the practical barriers, which cause the work of OPs to focus mainly on sickness absence management, and the results of this research show that OPs still mainly work at the individual level and do not sufficiently make the transition to prevention at the organizational level.\n\nFuture research should focus on what more is needed to strengthen the execution of preventive tasks and how interventions for OPs can address this. This knowledge, together with the insights from this dissertation, can be used for further development of the intervention. In addition, future research should pay more attention to the behaviour and behavioural determinants of other stakeholders, such as employers and employees, and explore how they can be encouraged to invest in prevention. \n\nPolicy efforts should focus on better formalizing concrete and less voluntary agreements regarding prevention, both in service contracts between OHS and organizations, as well as in legislation. Financial (dis)incentives for employers to invest in prevention should also be considered by policymakers. These policy initiatives should be combined with actions aimed at increasing awareness among employers, employees and SEW of who the OP is and what they can offer. This can be achieved, for example, through campaigns or information provided by other (healthcare) professionals. OPs can support this by making themselves more visible within organizations and visiting the workplace more frequently.\n\nBased on this dissertation, we conclude that preventive tasks remain underutilized in the work of OPs, and that the developed intervention has not yet led to sufficient change. To achieve better implementation of preventive tasks, a broader perspective on prevention is needed, with more attention to the context. Within this broad view of prevention, attention should be paid to individual characteristics of workers, the work environment and organizational factors, interaction and collaboration between different stakeholders, and the wider social context.","auteur":"Suzanne Orhan Pees","auteur_slug":"suzanne-orhan-pees","publicatiedatum":"22 september 2026","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/suzanneorhanpees?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/8741b867-877f-4d69-9d93-146014de0b05\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"19305","isbn":"978-94-6534-589-5","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","afbeeldingen":16620,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/16618","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=16618"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/16618\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":16621,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/16618\/revisions\/16621"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/16619"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=16618"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=16618"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}