{"id":15857,"date":"2026-06-05T09:18:32","date_gmt":"2026-06-05T09:18:32","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/elisavet-syropoulou\/"},"modified":"2026-06-05T13:26:01","modified_gmt":"2026-06-05T13:26:01","slug":"elisavet-syropoulou","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/elisavet-syropoulou\/","title":{"rendered":"Elisavet Syropoulou"},"content":{"rendered":"","protected":true},"excerpt":{"rendered":"","protected":true},"author":7,"featured_media":15858,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-15857","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","post-password-required","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"What the Fish Leave Behind","samenvatting":"In de afgelopen jaren heeft de sector voor aquacultuurvoeders gezocht naar oplossingen voor de beperkte beschikbaarheid van grondstoffen door ingredi\u00ebnten te diversifi\u00ebren, waaronder bijproducten uit andere industrie\u00ebn (bijv. bierbostel, garnalenschalen, gevogeltebijproducten) en ingredi\u00ebnten van organismen op een laag trofisch niveau (bijv. insecten, zeewier). De toevoeging van dergelijke ingredi\u00ebnten verhoogt vaak het koolhydraatgehalte van het dieet, wat de verteerbaarheid van het voer kan verminderen. Hierdoor kan de visgroei in het gedrang komen en kunnen de fecale uitscheidingen toenemen. Deze effecten zijn vooral relevant in recirculerende aquacultuursystemen (RAS), waar hergebruik van water leidt tot het vasthouden van visafval in de kweekomgeving. Ophoping van vast afval kan het welzijn van de vissen schaden door het verstoppen van kieuwen en het veranderen van voedingsgedrag, maar verhoogt ook de microbi\u00eble belasting van het systeem door versterkte heterotrofe groei op overtollige organische koolstof. Dit kan de verspreiding van opportunistische, pathogene bacteri\u00ebn bevorderen en autotrofe microbi\u00eble gemeenschappen verstoren die essenti\u00eble biologische filtratieprocessen ondersteunen, zoals nitrificatie. Daarom is het cruciaal om di\u00ebten te identificeren die fecale afvalproductie minimaliseren of feces genereren die effici\u00ebnt kunnen worden verwijderd via eenvoudige mechanische filtratiemethoden, gebaseerd op hun bezinkingseigenschappen en deeltjesgrootte. Verwijderd fecaal afval kan vervolgens worden verwaard via circulaire praktijken (bijv. anaerobe vergisting, denitrificatie), wat duurzaam hergebruik van hulpbronnen bevordert, mits de fecale koolstof biologisch beschikbaar is voor vervolgprocessen. In deze context was dit project gericht op het beoordelen van de impact van verschillende dieetingredi\u00ebnten op de prestaties van vissen en systemen, waarbij mariene carnivore soorten (bijv. Europese zeebaars, goudbrasem) werden gebruikt als diermodellen vanwege hun beperkte vermogen om koolhydraten te benutten.\n\nHoofdstuk 1 geeft een overzicht van de huidige status van aquacultuurvoeding en productiesystemen en schetst toekomstige trends. Het benadrukt dat van aquafeeds wordt verwacht dat ze steeds vaker alternatieve ingredi\u00ebnten voor vismeel zullen bevatten, gedreven door vismeeltekorten en een groeiende vraag naar voer. Voorspeld wordt dat ook de RAS-productie zal uitbreiden, met name in broederijen, om de productie-effici\u00ebntie te verbeteren en te voldoen aan wettelijke en ruimtelijke beperkingen. Tot slot wordt de as \"Vis\u2013Voer\u2013Systeem\" besproken, waarbij de nadruk ligt op de onderlinge relaties tussen de componenten en het identificeren van hiaten in de kennis.\n\nIn Hoofdstuk 2 werden opkomende koolhydraatrijke ingredi\u00ebnten in een aandeel van 15% opgenomen in di\u00ebten voor Europese zeebaars (Dicentrarchus labrax) en beperkt gevoerd om de effecten van de dieetsamenstelling op de verteerbaarheid van nutri\u00ebnten en afvalproductie te evalueren. De resultaten toonden aan dat de verteerbaarheid van zetmeel afnam bij toenemende gehalten aan zetmeel in het dieet, terwijl de verteerbaarheid van niet-zetmeel-polysachariden (NSP) varieerde per ingredi\u00ebntenbron. Een hoger koolhydraatgehalte in het dieet, met name NSP's, verhoogde de fecale afvalproductie door hun slechte verteerbaarheid. Verhoogde niveaus van zowel zetmeel als NSP's verminderden de effici\u00ebntie van de fecale verwijdering via bezinking, wat leidde tot een grotere ophoping van vaste stoffen in RAS, waarbij zetmeel een sterker effect uitoefende. De lagere bezinkingscapaciteit van de feces was waarschijnlijk gekoppeld aan door het dieet veroorzaakte verandingen in de fecale samenstelling. Over het geheel genomen benadrukken deze bevindingen het belang van het balanceren van koolhydraatniveaus en -types in aquafeeds en bieden ze richtlijnen voor ingredi\u00ebntenselectie in RAS-voeders.\n\nHoofdstuk 3 onderzoekt de verwaarding van bezonken fecaal afval via anaerobe vergisting, waarbij fecale koolstof wordt omgezet in gemakkelijk bruikbare koolstofvormen, zoals organische zuren, die vervolgprocessen (bijv. denitrificatie) kunnen ondersteunen. Het onderzoekt specifiek hoe de fecale samenstelling, be\u00efnvloed door het dieet, de productie van organische zuren be\u00efnvloedt. De resultaten toonden aan dat feces met een lager koolhydraatgehalte leidden tot hogere hoeveelheden organische zuren gedurende 14 dagen anaerobe vergisting en meer fermentatie-eindproducten, zoals acetaat, opleverden. Hoewel het type organische zuren afhing van de fecale samenstelling, bleef de totale microbi\u00eble gemeenschap die de afbraak aanstuurde vergelijkbaar tussen de verschillende dieetbehandelingen. Stikstof en fosfor kwamen ook vrij tijdens de vergisting, maar hun vrijkoming was onafhankelijk van de fecale samenstelling. Concluderend suggereren deze resultaten dat feces met een lager koolhydraatgehalte een hogere fermenteerbaarheid en dus biologische beschikbaarheid van koolstof hebben, waardoor ze potentieel betere kandidaten zijn als koolstofbron voor denitrificatie in RAS.\n\nHoofdstuk 4 test deze hypothese verder door fecaal afval te gebruiken als directe koolstofbron voor denitrificatie in RAS. Om dit te bereiken kregen Europese zeebaarzen twee di\u00ebten die verschilden in ingredi\u00ebntensamenstelling en koolhydraatniveaus, maar die vergelijkbare hoeveelheden bezonken feces opleverden. De specifieke di\u00ebten werden geselecteerd omdat ze, zoals aangetoond in Hoofdstuk 3, feces produceerden die verschillende hoeveelheden en profielen van organische zuren genereerden onder kortstondige anaerobe vergisting. De bezonken feces werden continu toegevoerd aan denitrificatiereactoren die werden ingezet om opgehoopte stikstof uit het RAS te verwijderen. De denitrificatie gedurende de proef van zes weken varieerde niet tussen de fecale bronnen en werd aangestuurd door vergelijkbare microbi\u00eble gemeenschappen. Deze resultaten tonen aan dat, hoewel koolhydraatrijke feces minder fermenteerbaar zijn, ze denitrificatie even goed kunnen ondersteunen wanneer de feces voor langere perioden in de reactoren worden vastgehouden.\n\nHoofdstuk 5 onderzoekt de effecten van het dieet op de vis in plaats van op de systeemprestaties. Goudbrasem (Sparus aurata) kreeg twee di\u00ebten met vergelijkbare koolhydraatniveaus maar verschillende koolhydraattypes (zetmeel vs. NSP) in drie aquacultuursystemen met vari\u00ebrende waterverversing: a) een doorstroomsystem, b) een RAS met hoge waterverversing, en c) een systeem met lage waterverversing. De resultaten toonden aan dat, ongeacht het systeem, de vissen beter groeiden op het dieet op basis van zetmeel. Deze hogere groeiprestaties gingen gepaard met veranderingen in de microbiota van de proximale darm, terwijl de microbiota van de distale darm, huid en kieuwen grotendeels onveranderd bleven. Daarentegen werd de huidmicrobiota sterk be\u00efnvloed door het systeem. Daarnaast had het systeem ook invloed op de microbiota van de proximale darm, zij het in mindere mate dan het dieet. Over het geheel genomen benadrukken deze bevindingen dat zowel het dieet als de kweekomgeving de vismucosale microbiota vormen, maar de gelijkenis tussen visgerelateerde microbiota en systeemgerelateerde microbiota (bijv. tankwater, tankbiofilm) bleef in alle systemen laag.\n\nHoofdstuk 6 werd aangetoond dat systeemgerelateerde microbiota, zoals tankbiofilms, zeer dynamisch zijn en in de loop van de tijd aanzienlijk veranderen. Omgevingsomstandigheden in de systemen, waaronder temperatuur en zuurstof, vormden de tankbiofilmgemeenschappen in sterke mate. Het dieet be\u00efnvloedde daarnaast de tankbiofilmgemeenschap, maar alleen bij een lage waterverversing en zonder specifieke microbi\u00eble taxa te stimuleren. Onder deze omstandigheden bevorderde de ophoping van nutri\u00ebnten, inclusief koolstof en stikstof, ook de groei van de tankbiofilm, zoals weerspiegeld door een verhoogde microbi\u00eble abundantie. Dikke biofilms kunnen loslaten, waardoor mogelijk ongewenste bacteri\u00ebn, zoals pathogenen en sulfideproducenten, die in de RAS-biofilms werden gedetecteerd, worden overgedragen. Deze bevindingen benadrukken het belang van het implementeren van passende strategie\u00ebn om microbi\u00eble groei op tankwanden te beheersen, inclusief gerichte reiniging of het gebruik van aangroeiwerende materialen.\n\nHoofdstuk 7 contextualiseert de belangrijkste bevindingen van elk onderzoeksstadium en vertaalt deze naar praktische aanbevelingen. Het herziet de huidige RAS-voerformuleringen en de implicaties van de opname van koolhydraten in het dieet op de vis- en systeemprestaties, waarbij wordt benadrukt dat koolhydraatrijke di\u00ebten de stikstofuitscheiding kunnen verminderen maar het vaste afval verhogen. Het hoofdstuk verkent ook valorisatieroutes voor aquacultuurslib op basis van de samenstelling, die in commerci\u00eble settings niet alleen wordt be\u00efnvloed door de fecale samenstelling maar ook door voerverlies. Specifiek wordt aangetoond dat koolhydraatrijke di\u00ebten het slibvolume en het koolhydraatgehalte ervan verhogen, met name bij beperkt voerverlies, waardoor de koolstof in het slib geschikt is voor het ondersteunen van vervolgprocessen zoals biocharproductie, biogasopwekking of denitrificatie. Bovendien is de chemische waterkwaliteit gekoppeld aan de microbi\u00eble waterkwaliteit, aangezien de microbiota reageren op de input van nutri\u00ebnten. Het toont aan dat microbi\u00eble activiteit toeneemt bij ophoping van organische koolstof, terwijl alfadiversiteit en microbi\u00eble samenstelling moeilijk te correleren zijn met organische koolstofgehaltes. Tot slot benadrukt het hoofdstuk hoe het dieet de vismicrobiota direct en indirect kan vormen via het effect op de kweekomgeving, waardoor de behoefte aan additteven zoals prebiotica mogelijk afneemt.","summary":"Aquaculture is growing rapidly, but the availability of traditional feed ingredients like fish meal is limited. To meet demand, aquafeeds increasingly include alternative ingredients such as insect meal, seaweeds, and byproducts. These ingredients often contain more carbohydrates, which can be challenging to digest for carnivorous fish like European seabass and gilthead seabream. As a result, higher dietary carbohydrate levels can reduce fish growth and increase faecal waste production. While the effects on growth are well documented, the consequences for solid waste are often overlooked. This is particularly relevant in water-reuse systems such as recirculating aquaculture systems (RAS), where waste accumulation promotes microbial growth and deteriorates water quality, potentially compromising fish welfare.\nThis PhD project took a holistic approach to investigate how different carbohydrate sources influence faecal production, waste buildup, and microbial communities in both the fish and the aquaculture environment. The results provide guidance for selecting feed ingredients that not only support fish growth but also improve solid waste management and RAS functioning.","auteur":"Elisavet Syropoulou","auteur_slug":"elisavet-syropoulou","publicatiedatum":"25 juni 2026","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/elisavetsyropoulou?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/89ad148d-587f-4e72-b4fb-1a07b65915e5\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"18720","isbn":"978-94-6534-425-6","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Wageningen University","afbeeldingen":15859,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Wageningen University","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15857","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/7"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=15857"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15857\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":15860,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15857\/revisions\/15860"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/15858"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=15857"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=15857"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}