{"id":15275,"date":"2026-05-20T06:54:20","date_gmt":"2026-05-20T06:54:20","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/noah-littel\/"},"modified":"2026-05-20T06:54:41","modified_gmt":"2026-05-20T06:54:41","slug":"noah-littel","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/noah-littel\/","title":{"rendered":"Noah Littel"},"content":{"rendered":"","protected":true},"excerpt":{"rendered":"","protected":true},"author":7,"featured_media":15276,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-15275","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","post-password-required","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Archives of Passion","samenvatting":"Inclusie, diversiteit en intersectionaliteit zijn niet nieuwe, recentelijk ge\u00efntroduceerde onderwerpen op de agenda van erfgoedinstellingen \u2013 noch zijn interventies van \u2018kritische bezoekers\u2019 om de representativiteit van erfgoedinstellingen te verbeteren nieuw. Institutionele geschiedenissen en de kritische interventies die in het verleden gedaan zijn neigen echter vergeten te worden. Het archief van de hartstocht: een affectieve geschiedenis van archief- en informatie-activisme in de Nederlandse homolesbische en vrouwenbewegingen sinds de jaren 1970 laat zich lezen als een kritische interventie die zulke cycli van \u2018institutionele vergeetachtigheid\u2019 tegengaat. Aan de hand van archiefonderzoek en oral history interviews bespreek ik de voortdurende en herhalende discussies rondom thema\u2019s als inclusie, exclusie en intersectionaliteit. Deze thema\u2019s speelden al een rol sinds het oprichten van gemeenschapsarchief-initiatieven in de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig, al was het toen met andere termen en in andere samenstellingen. In dit proefschrift breng ik Nederlandse historische casussen in gesprek met een transnationale historiografie over gemeenschapsarchieven en queer en feministische archiefpraktijken. \n\nDit historische onderzoek kan geplaatst worden in verschillende onderzoeksvelden, zoals in kritisch archief-, informatie- en erfgoedonderzoek en in de geschiedschrijving van sociale bewegingen. Hierbij berust ik me op meerdere kritische benaderingen: queer of colour theory en critical race theory; affect theory; en intersectioneel feministisch (ofwel \u2018caleidoscopisch\u2019) gedachtegoed. Als rode draad door dit proefschrift lopen een aantal onderzoeksvragen. In deel I onderzoek ik hoe homolesbische archiefinitiatieven feministische en queer archiefpraktijken hebben ontwikkeld. Hoe vormde hun collectiebeleid, informatiestructuur en collectieve organisatiestructuur een tegenhang voor traditionele archivistiek en hoe heeft dit bijgedragen aan het cre\u00ebren van queer en feministische werelden? In deel II en III richt ik mij op inclusie en exclusie in het gemeenschapsarchief. Gemeenschapsarchieven werden opgericht om te functioneren als \u2018ideologische omkeringen\u2019 van de uitsluitingen van traditionele archiefstandaarden. Ik laat zien hoe deze initiatieven zelf ook hun eigen nieuwe archiefnormen cre\u00eberden. Ik stel de vraag hoe deze gemeenschapsinitiatieven hun praktijken moesten herzien om representatiever te worden voor meervoudige minderheidsgroepen. Hoe benaderden deze instituten de intersectionaliteit inherent aan hun achterban en hoe gingen ze om met de afwezigheden en uitsluitingen in hun archiefpraktijken? Om deze vragen te beantwoorden combineer ik mijn archiefonderzoek en oral history interviews met veldobservaties vanuit mijn onderzoekpositie binnen IHLIA LGBTI Heritage en Atria: kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. \n\nOm \u2018institutionele vergeetachtigheid\u2019 tegen te gaan, richt ik me op \u2018het archief van het archief\u2019 \u2013 waarmee ik de organisatorische archiefcollecties van instellingen zelf bedoel. Organisatie-archieven zijn vaak onontsloten en extern opgeslagen, omdat deze voor archiefinstellingen zelf meestal weinig prioriteit hebben. In navolging van de methodologie van Chandra Frank breng ik deze vergeten geschiedenissen van intersectionele archiefpraktijken en kritische bezoekers naar het heden. Ik doe dit door vanuit twee perspectieven \u2013 of \u2018lenzen\u2019 \u2013 naar mijn onderzoeksmateriaal te kijken. Ten eerste gebruik ik een \u2018caleidoscopische lens\u2019, ge\u00efnspireerd door de manier waarop Wigbertson Julian Isenia, Eliza Steinbock en Gianmaria Colpani dit metaforische hulpmiddel gebruiken. Deze lens helpt me om archiefstukken te \u2018herschikken\u2019: met een \u2018caleidoscopische lens\u2019 kan ik bewijsmateriaal dat prominenter voorkomt in archiefcollecties in gesprek brengen met bewijs dat juist alleen te vinden is in de marge van organisatie-archieven, zoals bijvoorbeeld opmerkingen in de kantlijn van notulen. Deze aanpak zorgt ervoor dat in mijn analyse de expliciet uitgesproken intenties in beleidsplannen en archiefpublicaties samen gezien kunnen worden met de impliciete keuzes die achter de schermen gemaakt worden, in de dagelijkse archiefpraktijken. \n\nTen tweede gebruik ik een \u2018affectieve lens\u2019. Omdat affectieve geschiedenissen niet altijd direct tastbaar zijn binnen over het algemeen emotieloze en professionele organisatie-archieven, brengt een \u2018affectieve lens\u2019 die geschiedenis van gevoelens in beeld. Centraal in mijn analyse is de \u2018affectieve positionaliteit\u2019 van archiefmedewerkers, -vrijwilligers en -bezoekers: de manieren waarop zij in de wereld staan en waarop zij zich tot elkaar verhouden, en hun onderliggende ervaringen van gevoelens en emoties. Deze lens maakt de aandrijvingskracht van archiefinstellingen inzichtelijk. Hartstocht, liefde, herkenning, connectie, rouw, verlies, frustratie, pijn en woede informeerden het radicale uitgangspunt van queer en feministische gemeenschapsarchief-praktijken. De politieke toewijding aan de zichtbaarheid en toegankelijkheid van informatie was gebaseerd op zowel de expliciete politieke positionaliteit van archiefmedewerkers als op hun onderliggende toewijding aan solidariteit tussen sociale bewegingen en meervoudige minderheidsgroepen. Als we die affectieve en politieke aspecten uit het oog verliezen \u2013 of als we daar afstand van nemen met professionaliserings-narratieven \u2013 dan missen we inzichten over belangrijke drijfveren voor gemeenschapsarchieven. \n\nDeel I reflecteert op de \u2018archiefverbeeldingen\u2019 en dagelijkse werkpraktijken van archiefmedewerkers, -vrijwilligers en -gebruikers\/-bezoekers. Met de term \u2018archiefverbeeldingen\u2019 (\u2018archival imaginaries\u2019) duid ik hoe archiefmedewerkers en -gebruikers zich de mogelijkheden van het gemeenschapsarchief voorstelden. Deze term beschrijft de doelstellingen waarmee de archieven werden opgericht en de idee\u00ebn over wat deze gemeenschapsarchieven zouden kunnen betekenen. Daarnaast spreek ik over \u2018archiefpraktijken\u2019 om dagelijkse werkpraktijken aan te duiden. Deze verbeeldingen en praktijken stonden niet los van elkaar maar be\u00efnvloeden elkaar over en weer. De initiatieven die ik in dit deel bestudeer zijn het Documentatiecentrum Homostudies (Homodok); de regionale lesbische archieven in Amsterdam, Utrecht, Nijmegen, Leeuwarden, Den Bosch en Eindhoven. \n\nHoofdstuk 1 laat zien hoe kleinschalige gemeenschapsarchieven hun eigen collectiebeleid en indexeringspraktijken cre\u00eberden, vanuit wat Cait McKinney \u2018bekwaam amateurisme\u2019 (\u2018capable amateurism\u2019) noemt. \u2018Bekwaam amateurisme\u2019 weerlegt de negatieve connotaties van amateurisme en verwijst naar hoe activisten, ongehinderd door professionele standaarden, juist op een flexibele manier collectief informatie-infrastructuren ontwikkelden. Daarnaast waren archiefmedewerkers op een gepassioneerde, politieke wijze toegewijd aan het zichtbaar en toegankelijk maken van informatie. De archiefinstellingen cre\u00eberden hun eigen collectiebeleid, gebaseerd op concepten als het \u2018Lesbisch Bestaan\u2019 (een concept, ge\u00efnspireerd door Adrienne Rich, dat diende om de geschiedenis van alle autonome vrouwen die zich tegen het heteropatriarchaat verzetten als lesbische geschiedenis te omvatten) en \u2018homosensibiliteit\u2019 (een concept dat diende om alles te archiveren waar de homolesbische gemeenschap connectie mee voelde, ongeacht of dit materiaal expliciet queer was). Via hun flexibele en intersectionele archiefpraktijk bevraagden de homolesbische archieven de traditionele bewijslast van lhbti-geschiedschrijving. De historiografische verwachting dat voor de seksuele identiteit van mensen in het verleden bewijs moet worden geleverd werd daarmee losgelaten. Deze praktijk vertegenwoordigde een unieke grenzeloze archiveringsdrang in het Nederlandse erfgoedlandschap. Uiteindelijk namen archiefmedewerkers hier echter weer afstand van. Zij schreven vaak hun eigen geschiedenis als een verhaal over lineaire vooruitgang: van een idealistisch amateurisme in hun vroege jaren tot een neutraal, technisch professionalisme. \n\nHoofdstuk 2 laat zien hoe \u2018bekwaam amateurisme' in de jaren negentig in botsing kwam met denkbeelden over professionaliteit en technische neutraliteit. Door dit proefschrift heen spreek ik van \u2018performatieve professionalisering\u2019: een vorm van professionalisering die voortvloeit uit de noodzaak om overheidssubsidies te bemachtigen en te behouden. Dit vormde een risico voor de radicale uitgangspunten waarmee gemeenschapsarchieven opgericht waren. In navolging van de theorie\u00ebn van Laura Berlant en Marika Cifor stel ik dat archiefmedewerkers gedreven werden door \u2018wreed optimisme\u2019 (\u2018cruel optimism\u2019) \u2013 zijnde de emotionele investering in een bepaalde status-quo die zich voordoet als een oplossing, maar eigenlijk een obstakel is dat mensen ervan weerhoudt te floreren. Hierdoor werden archiefmedewerkers geforceerd om hun energie te steken in het bemachtigen van subsidies, ten koste van het dagelijkse archiefwerk waar ze eigenlijk passie voor hadden. Nederlandse gemeenschapsarchieven zagen substanti\u00eble overheidssubsidies als ofwel onontkoombaar ofwel als hun goedrecht. Ik constateer dat zij juist door de afhankelijkheid van die subsidies kwetsbaar werden voor neoliberale, centraliserende krachten die aandrongen op fusies, wat leidde tot het verdwijnen van gespecialiseerde initiatieven. Zulke dynamieken versterkten Nederlandse centrum-periferie-ongelijkheden: homolesbische archivering en informatie werd daardoor in Amsterdam gecentraliseerd, ten koste van provinciale lesbische initiatieven. \n\nDeel II focust op de ontwikkeling van intersectionele archiefpraktijken. In hoofdstuk 3 onderzoek ik hoe het Lesbisch Archief Leeuwarden\/Anna Blamanhuis haar grenzeloze begrip van lesbianisme in connectie bracht met haar transnationale solidariteitspolitiek. Haar affectieve, activistische positie cultiveerde een vruchtbare bodem voor het ontwikkelen van \u2018interculturele\u2019 archiefpraktijken: bijvoorbeeld door mondelinge geschiedenisprojecten over arbeidersvrouwen te initi\u00ebren om hiaten in het archief tegen te gaan; door Zwarte vrouwen te prioriteren in haar verzamelbeleid; en door representatie van gehandicapte mensen te bevorderen op een manier die verder ging dan enkel fysieke toegankelijkheid. \n\nHoofdstuk 3 vergelijkt de expliciete politieke toewijding aan intersectionele archiefpraktijken van het LAL\/ABH met Homodoks \u2018archiefverbeelding\u2019, waarin meervoudige minderheidsgroepen minder expliciet aanwezig waren. Homodoks aanpak \u2013 alles verzamelen op het gebied van niet-heteroseksuele leefstijlen \u2013 betekende dat een grote hoeveelheid materiaal van meervoudige minderheidsgroepen binnenkwam. Desondanks was er een gebrek aan een specifieke visie voor dit materiaal. Toen als deel van professionaliseringsprocessen in de jaren negentig queer mensen van kleur expliciet als doelgroep werden benoemd, gebruikte Homodok daarvoor overheidsterminologie\u00ebn zoals de term \u2018allochtonen.\u2019 Bovendien werd Homodok be\u00efnvloed door een discursief \u2018homonationalistisch\u2019 raamwerk. Met de term \u2018homonationalisme\u2019 beschrijft Jasbir Puar hoe de queer gemeenschap gebruikt wordt om xenofobe standpunten tegenover migranten en voornamelijk tegenover de Islam te rechtvaardigen. Fatima El-Tayeb beschrijft hoe Nederland bij uitstek een broeiplaats werd voor een xenofoob discours, waarin de zogenaamde lhbti-vriendelijke westerse maatschappij als automatische tegenstelling werd gezien van de vooronderstelde homofobie van Moslims. De ontwikkeling van dit discursieve frame in de jaren negentig had invloed op Homodoks werkpraktijken, waarbij het documentatiecentrum zich zowel tegen dit frame uitsprak als erdoor ge\u00efnformeerd werd. Door zulke dynamieken kunnen fysiek aanwezige archiefcollecties toch (in Chandra Franks bewoording) \u2018vergeten archieven\u2019 worden. Archiefcollecties worden niet alleen \u2018vergeten\u2019 wanneer er nauwelijks kennisproductie is over deze collecties, maar ook wanneer deze enkel vanuit een wit perspectief geactiveerd worden in plaats van op de voorwaarden van queer mensen van kleur zelf. \n\nHoofdstuk 4 bespreekt vervolgens hoe het Lesbisch Archief Amsterdam meermaals haar politieke verlangen verklaarde om verbinding te zoeken met groepen die binnen de beweging op meerdere vlakken gemarginaliseerd worden \u2013 voornamelijk Zwarte, gehandicapte en oudere vrouwen. Ondanks die verklaringen van politiek verlangen was er weinig substantieel archiefbewijs voor daadwerkelijk contact tussen deze groepen, waarmee dit, in de verwoording van Colpani, een \u2018gemiste ontmoeting\u2019 in het archief wordt. Bouwend op Sara Ahmeds theoretisch raamwerk beargumenteer ik dat, hoewel de beleidsplannen van LAA verklaringen bevatten van een voorgenomen commitment om representatie te verbeteren, het gebrek aan concrete navolging desondanks laat zien dat het enkel benoemen van doelgroepen en intenties in deze beleidsplannen er niet daadwerkelijk voor zorgde dat het archief op een duurzame manier tot actie kwam. De moeite die LAA had om haar werkwijze te veranderen is gerelateerd aan het discursieve frame van \u2018multiculturalisering\u2019, waarmee LAA voornamelijk nieuwe doelgroepen toevoegde aan haar al bestaande focus, maar niet tot een nieuwe of andere algehele visie op archivering kwam. \n\nIn contrast hiermee laat hoofdstuk 4 zien dat de \u2018interculturele\u2019 focus van LAL\/ABH verschillen tussen groepen overbrugde, door zich te richten op zowel een expliciet antiracistische kritiek op witte normativiteit als op activistische samenwerking. De \u2018interculturele\u2019 aanpak van LAL\/ABH werd echter be\u00efnvloed door de professionaliseringsprocessen van de jaren negentig. Professionalisering betekende een verlies van politieke stellingname, ten behoeve van een zogenaamde archivistische objectiviteit. Professionalisering leidde ook tot het vernauwen van collectiecategorie\u00ebn: in de praktijk was het gericht op het bedwingen van de weerbarstigheid van queer en feministische verhalen in het archief. Dit ging ten koste van de flexibiliteit van \u2018interculturele\u2019 radicale \u2018archiefverbeeldingen\u2019, die juist berustten op het weigeren om grenzen te stellen tussen verschillende meervoudige minderheidsgroepen en het afstand nemen van een expliciete seksuele identiteitspolitiek. \n\nDeel III vervolgt de analyse over de impact van professionaliseringsprocessen, echter nu gefocust op vrouweninformatievoorzieningen. Ik onderzoek de informatievoorzieningsprojecten op het terrein van Zwarte, Migranten- en Vluchtelingenvrouwen (ZMV-vrouwen) bij het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV) in de jaren negentig. Hoofdstuk 5 is een uiteenzetting van de structurele uitsluiting van ZMV-vrouwen van subsidiekansen. Het ZMV ontmoetings- en documentatiecentrum Flamboyant was genoodzaakt zichzelf op te heffen vanwege de onhoudbare subsidie-eisen van het overheidsdepartement Directie Co\u00f6rdinatie Emancipatie en de Gemeente Amsterdam. In dit hoofdstuk beschrijf ik IIAV\u2019s rol in de onderhandelingen voor een autonoom ontmoetingscentrum en documentatiecentrum van ZMV-vrouwen. Flamboyants geschiedenis is cruciaal om de context waarin de ZMV-projecten bij het IIAV opkwamen te begrijpen: de pijn, de frustratie en het wantrouwen van deze geschiedenis slepen nog voort. Centralisering en institutionalisering, als resultaat van subsidie-eisen, plaatsten groepen die zich al in een precaire positie bevonden nog verder in een minderheidspositie. Dit gebeurde doordat de middelen van ZMV-vrouwen verplaatst werden naar een centraal instituut dat vanuit een witte normatieve positie werkte. Het verlies van overheidssubsidie en de daaropvolgende centralisering leidde ook tot het verlies of de fragmentatie van belangrijke archiefcollecties. Dit proces versterkte \u2018institutionele vergeetachtigheid\u2019 en maakte de queer en feministische geschiedenissen van meervoudige minderheidsgroepen nog minder zichtbaar. \n\nIn hoofdstuk 6 bespreek ik hoe IIAV zich met het driejarige ZMV-informatievoorzieningsproject (1992-1995) en het opvolgende Pattipilohy-project (1997-1999) inspande om een netwerk en vertrouwensband op te bouwen met de achterban van ZMV-vrouwen. Dit werd echter bemoeilijkt door een aantal factoren: een gebrek aan een structurele, institutioneel-ge\u00efntegreerde aanpak; normatieve verwachtingen van emotieloos professionalisme; en het prioriteren van professionele trots op technische expertise ten koste van de kritische interventies van ZMV-vrouwen. Een institutionele focus op de veronderstelde \u2018neutraliteit\u2019 van technisch-professionele oplossingen zorgde ervoor dat kritische interventies neergezet werden als te idealistisch of emotioneel. Politieke, systematische verandering werd daardoor gezien als onbereikbaar. Tegen het kritische advies van experts in werden projecten die gericht waren op het aanpakken van institutionele witte normativiteit opgezet als tijdelijke, niet-structureel ingebedde inspanningen, gericht op geringe professioneel-technische oplossingen in plaats van ontwrichtende, systematische verandering. ZMV-vrouwen konden alleen bestaan als \u2018kritische bezoekers\u2019 binnen het IIAV op de voorwaarde van de ongenoemde witheid van de zogenaamde neutrale, professionele expert, met als resultaat dat velen hun hoop en \u2018archiefverbeeldingen\u2019 naar andere bestemmingen verplaatsten. Ik bouw voort op het theoretische raamwerk over \u2018wederkerige archiefverbeeldingen\u2019 (\u2018reciprocal archival imaginaries\u2019) geformuleerd door Gracen Brilmyer et al. Dit concept duidt op de wisselwerking tussen het archief en de gemeenschap waarbij archiefmedewerkers, -vrijwilligers, -gebruikers en -bezoekers samen het gemeenschapsarchief vormgeven. Ik betoog dat wanneer archiefinstellingen een gebrek aan wederkerigheid tonen door niet te luisteren naar de behoeften van de achterban en hun kritische interventies, dit tot gevolg heeft dat die achterban zich terugtrekt. De wisselwerking valt weg en \u2018archiefverbeeldingen\u2019 raken onbeantwoord. \n\nIn navolging van Sara Ahmed weiger ik in dit proefschrift over dingen heen te stappen die nog niet voorbij zijn, door te laten zien hoe pijn, frustratie en wantrouwen rondom uitsluitingen blijven voortduren. Ook weiger ik, ge\u00efnspireerd door Ariella A\u00efsha Azoulay, bepaalde ontwikkelingen \u2013 de opheffing van Flamboyant; het verdwijnen van regionale lesbische archiefinitiatieven; en het afnemen van kleinschalig, amateuristisch en flexibel archiefactivisme ten gunste van professionalisering en institutionalisering \u2013 als voldongen feit te zien. Ik zie potentie in het begrijpen van, en terugkeren tot, historische voorbeelden van beeldvorming in het gemeenschapsarchief: de vreugde en speelsheid die voortkwam uit experimenteel \u2018bekwaam amateurisme\u2019; het combineren van de documentatie- en ontmoetingsfuncties van archieven voor wederzijdse gemeenschapsuitwisseling; het vinden van herkenning in de archiefstukken in de keukenla; en het bouwen van intersectionele archiefinitiatieven die recht doen aan solidariteit en coalities tussen bevrijdingsbewegingen. Dit proefschrift laat zien hoe archiefinitiatieven in de homolesbische en vrouwenbewegingen juist die potentie voor radicale archiefpraktijken toonden, maar ook worstelden met nieuwe normen en institutionele uitdagingen. Al met al biedt dit proefschrift een historisch begrip van waar we allemaal al geweest zijn, met open armen voor alle mogelijke opties van waar we nog naartoe kunnen gaan.","summary":"Inclusion, diversity, accessibility and intersectionality are not new, recently introduced topics on the agendas of heritage institutions \u2013 nor are interventions from \u2018critical visitors\u2019 to improve heritage institutions\u2019 representation practices new. However, institutional histories and critical interventions in the past tend to become forgotten. Archives of Passion: An Affective History of Dutch Gay, Lesbian and Women\u2019s Archival and Information Activism since the 1970s poses a critical intervention into patterns of institutional forgetting. Through empirical archival and oral history research, I address the longevity and repetitiveness of discussions around themes such as inclusion, exclusion, and intersectionality \u2013 which were considered since the founding of community archival initiatives in the late 1970s and early 1980s, albeit in different terms and configurations. This dissertation brings Dutch historical case studies \u2013 of Documentatiecentrum Homostudies; regional lesbian archives in Amsterdam, Utrecht, Nijmegen, Leeuwarden, Den Bosch and Eindhoven; and the Black, Migrant and Refugee women\u2019s information services projects at the International Information Centre and Archive for the Women\u2019s Movement in the 1990s \u2013 into conversation with a broader, transnational historiography on lesbian, gay and women\u2019s community archives and queer and feminist archival practices. \n\nThis historical study is rooted in critical archival, information and heritage studies; queer of colour critique; intersectional feminist theory; critical race theory; affect theory and social movement history. Several research questions play a guiding role throughout this dissertation. In Part I, I ask: How did lesbian and gay archival initiatives develop feminist and queer archival politics and practices? How did their collection policies, information structures and collective organizing practices challenge traditional archival practices, and contribute to queer and feminist \u2018world-making\u2019? Additionally, in Parts II and III, I wonder how lesbian, gay and women\u2019s archival initiatives created new archival normativities, despite originally having been founded as \u2018ideological inversions\u2019 of traditional exclusionary archival logics. How did community archival institutes approach the intersectionality inherent in their constituencies, and how have they approached absences, exclusions and critical interventions in their practices? In order to answer these questions, I primarily use empirical archival and oral history analysis, combined with and informed by observations from my embedded research periods within IHLIA LGBTI Heritage and Atria: Institute on gender equality and women\u2019s history. \n\nCountering institutional forgetting required engaging with deprioritized, unindexed and often externally stored operational archival records. Following Chandra Frank\u2019s methodology, I \u2018presence\u2019 forgotten histories of institutional engagement with intersectional archival practices and critical visitors. I have used a \u2018kaleidoscopic lens\u2019 \u2013 inspired by Wigbertson Julian Isenia, Eliza Steinbock and Gianmaria Colpani \u2013 to reorder and shift archival evidence: Bringing evidence that features prominently in archival records into conversation with evidence in the margins of operational archives, such as throwaway comments in minutes of meetings. This metaphorical lens enables the researcher to observe explicitly formulated political commitments together with the implicit exclusionary choices made behind the scenes in daily archival practices. Another way to counter institutional forgetting is to take seriously the ways in which lesbian, gay and women\u2019s archival imaginaries were informed and driven by affective positionalities of staff, volunteers and visitors. Passion, love, recognition, connection, grief, loss, frustration, pain and anger informed the radical promise of queer and feminist community archival practices. The political commitment to visibility and accessibility of information was based on the explicit political positionality of archival staff and a politics of solidarity. When we lose sight of these affective dimensions \u2013 or distance ourselves from them with professionalization narratives \u2013 we miss out on these important drives. Since affective histories are not always directly tangible within largely unemotional professional operational archival records, this dissertation uses an affective lens to bring this history of feelings into view. This affective analysis of queer and feminist archiving provides a throughline throughout the three parts of this dissertation. \n\nPart I \u2013 From \u2018Capable Amateurism\u2019 to \u2018Cruel Optimism\u2019: Archival Imaginaries and Professionalization Narratives in Homodok and the Lesbian Archives \u2013 reflects on archival imaginaries and practices informed by the affective positionalities of archival staff, volunteers, and visitors. Chapter 1 \u2013 Politics of Passion \u2013 shows how grassroots, community lesbian and gay archives created their own collection policies and indexing practices with what Cait McKinney calls \u2018capable amateurism\u2019, and a passionate, political commitment to making information visible and accessible. Through the concepts of \u2018Lesbian Existence\u2019 and \u2018homosensibility\u2019, lesbian and gay archives, \u2018queered the evidential\u2019, as Matthias Danbolt theorizes, and operated with fluid, intersectional archival practices that encouraged a politics of transnational solidarity and did not cling to evidence of explicitly-stated sexual identification. Despite the potentiality of this open archival experimentality, however, lesbian and gay community archival staff self-historicize a narrative of a linear progression from idealistic amateurism in their early years toward neutral, technical professionalism. \n\nChapter 2 \u2013 Cultivating Funding Eligibility \u2013 shows how, in the 1990s, \u2018capable amateurism\u2019 came to clash with pressures of professionalization and notions of neutral technicality. I assert that the performance of professionalization, motivated by the existential need to obtain and maintain governmental funding, risked the radical promise with which community archives were founded. Following Laura Berlant and Marika Cifor\u2019s theorizations, I argue that, driven by \u2018cruel optimism\u2019, archival staff was forced to dedicate their energy to acquiring funding at the cost of the daily archival work they were passionate about. While community archives saw relying on governmental funding as either unavoidable or as their right, they became vulnerable to neoliberal centralizing forces, which stimulated mergers and led to the disappearance of specialized initiatives. Such dynamics strengthened centre-periphery inequalities in the Netherlands, centralizing gay and lesbian information services in Amsterdam to the detriment of provincial lesbian archiving. \n\nPart II \u2013 Archival Politics of Intersectional Solidarity: Comparing Homodok and the Lesbian Archives in Amsterdam and Leeuwarden \u2013 focuses on the development of intersectional archival practices. In Chapter 3 \u2013 \u2018Intercultural\u2019 Encounters in Operational Archival Records \u2013 I consider how the Lesbian Archive Leeuwarden\/Anna Blamanhuis connected their expansive understanding of lesbianism to a politics of transnational solidarity. Their affective, activist position cultivated a sensitivity to developing \u2018intercultural\u2019 archival practices: Initiating oral history projects about working-class women in the face of archival absences; prioritizing Black women in archival acquisition policy; and emphasizing disability representation beyond only physical accessibility. I compare LAL\/ABH\u2019s explicit political commitment to intersectional archival practices to the more marginal presence of multiply-minoritized groups in Homodok\u2019s archival imaginary. While Homodok\u2019s approach of \u2018collecting everything\u2019 meant a large amount of materials of multiply-minoritized people came in, there was a lack of a specific vision for these materials. When in the 1990s, as part of professionalization processes, Homodok started explicitly including queer people of colour as target groups, they did so using governmental categories and were influenced by a discursive \u2018homonationalist framework\u2019, as theorized by Fatima El-Tayeb. I argue that physically present archival collections become what Chandra Frank calls \u2018forgotten archives\u2019 not only when there is hardly no knowledge production about these collections, but also when they are only activated from a white perspective rather than on the terms of queer people of colour themselves. \n\nSubsequently, Chapter 4 \u2013 Political Desires, Missed Encounters and Critical Visitors \u2013 discusses how the Lesbian Archive Amsterdam repeatedly stated the political desire to connect with multiply-minoritized groups within the movement, particularly Black, disabled and older women, though there was little substantial archival evidence of actual contact between these groups taking place \u2013 making these what Colpani calls \u2018missed encounters\u2019. Building on Sara Ahmed\u2019s theory of \u2018non-performance\u2019, I argue that, while LAA\u2019s policy plans included statements of intended commitment to increasing representation, the lack of concrete follow-through made these \u2018non-performative\u2019: Merely naming target groups and stating intention did not produce a sustained commitment to action. LAA\u2019s difficulty with establishing a transformative practice reflected the additive discursive framework of \u2018multiculturalism\u2019 with which they operated, which mainly added new target groups to LAA\u2019s existing focus. In contrast, LAL\/ABH\u2019s \u2018intercultural\u2019 focus connected women across differences and included an explicit anti-racist critique of normative whiteness, as well as an activist commitment to collaboration. However, in the 1990s, LAL\/ABH\u2019s \u2018intercultural\u2019 approach was impacted by professionalization processes. Professionalization meant a loss of politics in favour of a supposed archival objectivity, and led to demarcations of collection categories. I contend that professionalization as an attempt to tame archival unruliness occurred to the detriment of the fluidity and flexibility of the \u2018intercultural\u2019 radical imaginary that was based on a refusal to establish boundaries between different minoritized groups, out of solidarity and openness to non-identitarian sexual politics. \n\nPart III \u2013 Unreciprocated Archival Imaginaries: Black, Migrant and Refugee Women\u2019s Information Projects at the International Information Centre and Archive for the Women\u2019s Movement \u2013 continues to analyze professionalization processes and the detrimental impact of centralizing pressures stemming from governmental subsidies, but moves away from lesbian and gay archival institutes toward women\u2019s information services, specifically the Black, migrant and refugee women\u2019s information projects at the International Information Centre and Archive for the Women\u2019s Movement. Chapter 5 \u2013 A Heritage of Pain and Distrust \u2013 details the structural exclusion of BMR-women from funding opportunities. Black women\u2019s meeting and documentation centre Flamboyant had to dissolve due to the untenable funding demands made by the governmental department Directorate for the Coordination of Emancipation Affairs and the municipality of Amsterdam. In this chapter, I focus on IIAV\u2019s role in the negotiations for an independent BMR-women\u2019s meeting and documentation centre. Flamboyant\u2019s history is crucial to understanding the context from which the BMR-Projects at IIAV arose, since the pain, distrust and frustration from this history lingers, still. I maintain that centralization and institutionalization, due to funding pressures, furthered the minoritization of groups that were already in precarious positions, relocating resources away from BMR-women and toward a centralized institution that worked from a white normative position. The loss of governmental funding and subsequent centralization therefore led to the loss or scattering of important archival collections, furthering institutional forgetting and invisibilizing multiply-minoritized queer and feminist histories. \n\nIn Chapter 6 \u2013 How Do You Change an Organization? \u2013 I discuss how with the three-year project \u2018Information services on the terrain of Black and migrant women\u2019 (1992-1995) and the follow-up Pattipilohy Project (1997-1999), IIAV made an effort to build and re-build a network and trust with the constituency of BMR-women. This was impeded, however, by lack of a structurally integrated approach, normative standards of unemotional professionalism, and the prioritizing of professional pride in technical expertise over BMR-women\u2019s critical interventions. An institutional focus on the supposedly \u2018neutral\u2019 aspects of technical-professional solutions shut down critical interventions that were aimed at political, structural change as too idealistic or emotional. In spite of critical advice from experts, projects intended to address white normativity at the institute were temporary, not structurally embedded efforts, focused on small professional-technical fixes rather than structural change. BMR-women could only exist within IIAV as \u2018critical visitors\u2019 when it was on the terms of the unremarked whiteness of the so-called neutral professional, with the result that many turned their archival imaginaries elsewhere. Building on the theory on \u2018reciprocal archival imaginaries\u2019 as formulated by Gracen Brilmyer et al., I argue that when archival institutes show a lack of reciprocity towards the needs of the constituency \u2013 and a lack of responsiveness towards their critical interventions \u2013 the constituency withdraws and archival imaginaries become unreciprocated. \n\nFollowing Sara Ahmed, this dissertation refuses to get over that which is not over, showing how hurt, frustration and distrust of being excluded or forgotten comes to linger. Inspired by Ariella A\u00efsha Azoulay, this dissertation also refuses to see the dissolving of Flamboyant, the disappearance of regional lesbian archival initiatives, the diminishing of grassroots amateur fluid and flexible archival activism in favour of professionalization and institutionalization, as \u2018faits accompli\u2019, as already defeated. I see potentiality in understanding and returning to historical examples of grassroots, community archival imaginaries; the joy and playfulness that comes with experimental \u2018capable amateurism\u2019; combining documentation and meeting spaces for reciprocal community exchange; finding recognition and connection in kitchen-table-drawer archiving; and building truly intersectional archival initiatives that do justice to transformative solidarity work and coalitions across liberation struggles. This dissertation shows how lesbian, gay and women\u2019s archival imaginaries and practices offered such potentialities but also grappled with new normativities and institutional challenges, providing a historical understanding of where we have been before and leaving open the potentialities of where we might still go.","auteur":"Noah Littel","auteur_slug":"noah-littel","publicatiedatum":"29 juni 2026","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/noahlittel?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/72344da9-68c0-4326-b111-faa71aff4736\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"18877","isbn":"978-94-6534-400-3","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Universiteit Maastricht","afbeeldingen":15277,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Universiteit Maastricht","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15275","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/7"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=15275"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15275\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":15278,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15275\/revisions\/15278"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/15276"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=15275"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=15275"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}