{"id":15149,"date":"2026-05-13T15:25:59","date_gmt":"2026-05-13T15:25:59","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/daphne-charotte\/"},"modified":"2026-05-13T15:26:17","modified_gmt":"2026-05-13T15:26:17","slug":"daphne-charotte","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/daphne-charotte\/","title":{"rendered":"Daphne Charotte"},"content":{"rendered":"","protected":true},"excerpt":{"rendered":"","protected":true},"author":7,"featured_media":15150,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-15149","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","post-password-required","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Watchdogs, Advocates, Allies","samenvatting":"Onderzoeksvraag en onderzoeksopzet\n\nIn de afgelopen drie decennia vormde de bescherming van de burgerbevolking in gewapende conflicten een uitdaging voor nationale en intergouvernementele organisaties die bij militaire activiteiten betrokken waren \u2013 van Kosovo en Afghanistan tot Irak en Syri\u00eb. Tegenwoordig lijkt dit een steeds controversi\u00ebler onderwerp te zijn. Normen van het internationaal humanitair recht, die zijn opgesteld om de burgerbevolking in conflicten te beschermen, worden wereldwijd op flagrante wijze geschonden en krantenkoppen over burgerslachtoffers komen steeds vaker voor. In dit verband zetten niet-gouvernementele organisaties (ngo\u2019s) zich in voor veranderingen in militaire praktijken, van operatiegebieden tot politieke arena\u2019s. Er is echter weinig bekend over hoe zij zich tegenwoordig inzetten voor de bescherming van de burgerbevolking. De literatuur gaat noch in op de vraag hoe nationale en intergouvernementele organisaties leren van hun operationele ervaringen om strategie\u00ebn voor de bescherming van de burgerbevolking te formuleren, noch op de vraag of en hoe ngo\u2019s aan dit proces bijdragen. Bovendien blijven de omstandigheden onduidelijk waaronder nationale en intergouvernementele organisaties die bij militaire operaties betrokken zijn, ontvankelijk zijn voor eisen van ngo\u2019s ter bescherming van de burgerbevolking. Daarom richt dit proefschrift zich op de volgende vraag: onder welke omstandigheden dragen ngo\u2019s bij aan politieke veranderingen op het gebied van de bescherming van de burgerbevolking?\n\nDrie centrale onderzoeksdoelen dienen als leidraad voor het beantwoorden van deze vraag:\n\n\u2022 Doel A is te onderzoeken hoe ngo\u2019s zich in moeilijke tijden inzetten voor de bescherming van de burgerbevolking;\n\u2022 Doel B is te verduidelijken hoe ngo\u2019s bijdragen aan de kennisopbouw op het gebied van de bescherming van de burgerbevolking;\n\u2022 Doel C is het vaststellen van de omstandigheden waaronder nationale en intergouvernementele organisaties ontvankelijk zijn voor de eisen van ngo\u2019s met betrekking tot de bescherming van de burgerbevolking.\n\nIn theoretisch opzicht is dit proefschrift gebaseerd op inzichten uit de gebieden van transnationale belangenbehartigingsnetwerken, organisatietheorie en de theorie van afhankelijkheid van hulpbronnen. Het proefschrift omvat drie kwalitatieve casestudies die gebaseerd zijn op een inductieve benadering. De Verenigde Naties (VN), het Amerikaanse Ministerie van Defensie (DoD) en de NAVO zijn vanwege hun empirische en theoretische relevantie als casestudy\u2019s geselecteerd. Methodologisch worden in elke casestudy bevindingen uit semigestructureerde interviews en een inhoudsanalyse van offici\u00eble beleidsdocumenten of NGO-rapporten getrianguleerd. Waar nodig omvat het ook een inventarisatie van onderzoeksrapporten, NGO-rapporten en publicaties in de media. In totaal werden 70 semigestructureerde interviews afgenomen met NGO-medewerkers, medewerkers van het Congres, onderzoekers van denktanks, vertegenwoordigers van humanitaire organisaties, stafmedewerkers van de VN, stafmedewerkers van de NAVO (militair en civiel) en stafmedewerkers van het DoD (militair en civiel). Voor het selecteren van de ge\u00efnterviewden werd de sneeuwbalmethode gebruikt. Om de mogelijke subjectiviteit van de interviews te compenseren, werd gebruikgemaakt van minder subjectieve gegevens uit de inhoudsanalyse van offici\u00eble beleidsdocumenten en NGO-rapporten, evenals van de inventarisatie van NGO- en mediapublicaties.\n\nDit proefschrift is onderverdeeld in drie hoofdstukken met casestudies, die overeenkomen met de drie afzonderlijke artikelen. De eerste casestudy (hoofdstuk 2) onderzoekt hoe CSO\u2019s, voornamelijk ngo\u2019s, in moeilijke tijden samenwerken met de Verenigde Naties. Daarbij wordt een raamwerk voor transnationale belangenbehartigingsnetwerken gebruikt om de strategie\u00ebn en doelstellingen van de ngo\u2019s te beoordelen. Een tweede casestudy (hoofdstuk 3) gaat in op de vraag waarom het DoD pas in 2023 een richtlijn voor het beperken en aanpakken van civiele schade heeft vastgelegd, hoewel het al meer dan 15 jaar erkende dat civiele schade een probleem vormde bij Amerikaanse militaire operaties. Dit hoofdstuk is gebaseerd op de theorie van organisatorisch leren en onderzoekt de externe en interne factoren die hebben bijgedragen aan een beleidswijziging binnen het DoD. Met behulp van dit analytische kader worden ngo\u2019s, naast de media, geconceptualiseerd als een externe factor die publieke druk genereert. Ook het wetgevend toezicht door het Congres en het civiele en militaire leiderschap van het DoD worden als factoren in aanmerking genomen. Een derde casestudy over de NAVO (hoofdstuk 4) heeft tot doel na te gaan of aannames over de openheid van intergouvernementele organisaties ten opzichte van ngo\u2019s ook voor de NAVO gelden. Deze casestudy moet bovendien nieuwe inzichten opleveren over de concrete bijdragen van ngo\u2019s aan het civiele beschermingsbeleid.\n\nWetenschappelijke bijdragen\n\nUit de resultaten van dit proefschrift blijkt dat ngo\u2019s bij hun betrokkenheid bij politieke veranderingen op het gebied van civiele bescherming verschillende, elkaar aanvullende rollen vervullen, namelijk die van toezichthouders, pleitbezorgers en bondgenoten. De drie casestudy\u2019s illustreren de dynamiek waarmee deze rollen in de loop van politieke veranderingsprocessen ontstaan en zich ontwikkelen. Deze ontwikkeling hangt grotendeels af van de openheid van de doelorganisatie ten opzichte van belangenbehartiging. De openheid van de doelorganisatie wordt bepaald door afhankelijkheid van middelen en de persoonlijke eigenschappen van het leiderschap en verschilt tussen nationale en intergouvernementele organisaties. In intergouvernementele organisaties dragen ngo\u2019s bij aan politieke verandering door informatie strategisch te gebruiken, hun weg te vinden in institutionele besluitvormingsstructuren en middelen zoals expertise beschikbaar te stellen om organisatorische leerprocessen te ondersteunen. In intergouvernementele organisaties waar de bescherming van de burgerbevolking een vast onderdeel van het beleid vormt, is de kans op politieke veranderingen het grootst wanneer ngo\u2019s opereren binnen een hecht netwerk van gelijkgestemde pleitbezorgers, waaronder andere ngo\u2019s, lidstaten en ambtenaren. Op nationaal niveau dragen ngo\u2019s bij aan politieke veranderingen wanneer de wetgevende instellingen ontvankelijk zijn voor hun lobbywerk en streng toezicht uitoefenen op de defensieautoriteiten. Ngo\u2019s kunnen bovendien rechtstreeks deelnemen aan politieke discussies met de defensieautoriteiten. Uiteindelijk hangt een significante beleidsverandering echter af van de mate waarin het civiele leiderschap openstaat voor publieke druk met betrekking tot burgerslachtoffers die door militaire operaties worden veroorzaakt. De openheid van het civiele leiderschap voor publieke druk en de ondersteuning van organisatorische leerprocessen zijn cruciaal om een beleidsverandering op het gebied van civiele bescherming te waarborgen. Bovendien neemt de openheid ten opzichte van de eisen van ngo\u2019s in intergouvernementele organisaties zoals de NAVO toe wanneer civiele en militaire vertegenwoordigers ngo\u2019s zien als bronnen van legitimiteit of als bondgenoten die de operationele effectiviteit waarborgen. De NAVO verschilt daarom niet wezenlijk van andere intergouvernementele organisaties wat betreft de samenwerking met ngo\u2019s.\n\nDe resultaten van dit proefschrift leveren een bijdrage aan verschillende wetenschappelijke discussies. Ten eerste dragen de bevindingen \u2013 dat het lobbywerk van ngo\u2019s in moeilijke tijden nauwelijks verandert, ondanks de ernst en de omvang van het aantal burgerslachtoffers in conflicten \u2013 bij aan de wetenschappelijke literatuur over transnationale lobbynetwerken en het lobbywerk van ngo\u2019s. De resultaten bevestigen argumenten uit de literatuur dat de betrokkenheid van CSO\u2019s op politiek niveau bij de Verenigde Naties grotendeels afhangt van een combinatie van overlevings- en structurele realiteiten. CSO\u2019s, met name NGO\u2019s, geven prioriteit aan een stabiele samenwerking met de Verenigde Naties en de lidstaten bij minder controversi\u00eble onderwerpen, aangezien het eisen van radicale veranderingen hun gevestigde autoriteit in gevaar zou kunnen brengen. De resultaten dragen bovendien bij aan een betere conceptualisering van de rol van informatievoorziening in het belangenbehartigingswerk van CSO\u2019s. Ik stel dat het domein van civiele bescherming VN-CSO\u2019s in staat stelt om informatie op drie belangrijke manieren te gebruiken: feitelijk, symbolisch en via netwerken. In moeilijke tijden is informatie waarschijnlijk de dagelijkse valuta in een mondiaal bestuur veld als de VN, waar een gemeenschap van NGO-professionals, humanitaire hulpverleners, onderzoekers en VN-beleidsmakers het gemeenschappelijke doel deelt om burgers die in conflicten vastzitten te beschermen.\n\nTen tweede levert dit proefschrift een bijdrage aan de theorie van organisatorisch leren door aan te tonen dat het werk van ngo\u2019s en de berichtgeving in de media externe factoren zijn die defensie-instanties en intergouvernementele organisaties ertoe aanzetten leerprocessen in gang te zetten en af te ronden. In feite werken ngo\u2019s rechtstreeks samen met politieke besluitvormers in instellingen zoals het DoD en de NAVO. Dit artikel stelt de gangbare aanname ter discussie dat militaire aangelegenheden gesloten zouden zijn voor de betrokkenheid van ngo\u2019s. Bovendien is de openheid van de leiding ten opzichte van publieke druk en lobbywerk van ngo\u2019s en media onmisbaar voor echte politieke veranderingen. Een verdere bijdrage aan de theorie van het organisatorisch leren vloeit voort uit het feit dat dit proefschrift de wisselwerking tussen publieke druk en leiderschap en de effecten daarvan op politieke veranderingen onderzoekt. Het zet bovendien aan tot nadenken over hoe leiderschap zich in nationale en intergouvernementele organisaties op verschillende manieren manifesteert. Wat het DoD betreft, hebben de lobbyactiviteiten van ngo\u2019s en de berichtgeving in de New York Times eind 2021 waarschijnlijk invloed gehad op het besluit van minister van Defensie Austin om een actieplan op te stellen ter beperking van en reactie op civiele schade, dat in 2023 als richtlijn is vastgelegd. In intergouvernementele organisaties zoals de NAVO en de VN kan leiderschap uitgaan van landen of lidstaten die zich in de beleidsvorming inzetten voor de bescherming van de burgerbevolking. Uiteindelijk kan beleidsverandering echter alleen worden gewaarborgd via een intergouvernementeel besluitvormingsproces waarin unanimiteit en het vetorecht een rol spelen. Het belang van leiderschap en de interactie tussen ngo\u2019s en leiderschap verschilt per geval.\n\nTen derde levert dit proefschrift, door de omstandigheden te onderzoeken waaronder de politiek en het leger ontvankelijk zijn voor eisen van ngo\u2019s, een bijdrage aan de theorie van organisatorisch leren en aan de theorie van afhankelijkheid van hulpbronnen. De openheid van nationale en intergouvernementele organisaties varieert van geval tot geval en wordt bepaald door afhankelijkheid van middelen en de persoonlijke eigenschappen van leidinggevenden. De beslissing van de politieke en militaire leiders van de NAVO om samen te werken met ngo\u2019s op het gebied van civiele bescherming is gebaseerd op hun inschatting dat ngo\u2019s kunnen bijdragen aan de publieke legitimiteit en operationele effectiviteit van hun organisatie. De toegang van ngo\u2019s tot politieke en strategische discussies en de aard van hun samenwerking met de NAVO hangen af van het organisatieniveau waarop zij actief zijn, evenals van het geheimhoudingsniveau van de betreffende informatie. Evenzo varieert de toegang van ngo\u2019s tot de VN afhankelijk van de organisatiestructuur ervan, aangezien verschillende secretariaten en lidstaten de leiding nemen bij kwesties op het gebied van civiele bescherming. Veel van dezelfde ngo\u2019s werken met deze organisaties samen op het gebied van civiele bescherming. Zo zijn bijvoorbeeld het Center for Civilians in Conflict, PAX for Peace en het ICRC (hoewel dit strikt genomen geen ngo is) bekende spelers op dit gebied.","summary":"Research question and research design\n\nFor the past three decades, protecting civilians in armed conflicts has been a challenge for governmental and intergovernmental organizations involved in military activities, from Kosovo to Afghanistan to Iraq and Syria. Today, it appears to be an increasingly contested topic. Norms of international humanitarian law, which were created to protect civilians in conflict, are blatantly violated across the globe, with headlines reporting civilian casualties becoming increasingly common. In this context, NGOs have advocated for changes in military practices, from operational theaters to policy arenas. However, little is known about how they advocate for civilian protection in our current times. The literature neither addresses how governmental and intergovernmental organizations learn from their operational experience to formulate civilian protection policies nor whether and how NGOs contribute to this process. Additionally, the conditions under which government and intergovernmental organizations involved in military operations are receptive to NGO demands related to the protection of civilians remain unclear. As such, this dissertation addresses the following question. Under what conditions do NGOs contribute to policy change on civilian protection within governmental and intergovernmental organizations?\n\nThree main research objectives guide the answer to this question:\n\n\u2022 Objective A is to explore how NGOs pursue advocacy on civilian protection in challenging times;\n\u2022 Objective B is to explain how NGOs contribute to learning on civilian protection;\n\u2022 Objective C is to identify the conditions under which governmental and intergovernmental organizations are receptive to NGO demands on civilian protection.\n\nTheoretically, this dissertation draws on insights from Transnational Advocacy Networks, Organizational Learning Theory, and Resource Dependency Theory. This dissertation consists of three qualitative case studies guided by an inductive approach. The United Nations (UN), the US Department of Defense (DoD), and NATO were selected as cases for their empirical and theoretical relevance. Methodologically, each case study triangulates evidence from semi-structured interviews and a content analysis of official policy documents or NGO reports. When appropriate, it also includes a mapping of research reports, NGO reports, and media publications. A total of 70 semi-structured interviews were conducted with NGO staff, congressional staff members, think tank researchers, humanitarian organization representatives, UN staff officers, NATO staff officers (military and civilian), and DoD staff officers (military and civilian). Snowball sampling was used to identify interviewees. To balance the potential subjectivity of the interviews, less subjective data from the content analysis of official policy documents and NGO reports was used, as well as the mapping of NGO and media publications.\n\nThis dissertation is organized into three case-study chapters corresponding to the three stand-alone articles. The first case study (Chapter 2) examines how Civil Society Organizations (CSOs), most of which are NGOs, engage with the UN during challenging times. It uses a Transnational Advocacy Networks framework to evaluate the strategies and objectives of NGOs. A second case study (Chapter 3) addresses why the US DoD formalized a Civilian Harm Mitigation and Response policy only in 2023 despite recognizing civilian harm as a concern in US military operations for over 15 years. That chapter builds on Organizational Learning Theory and examines the external and internal factors that contributed to policy change within the DoD. Using this analytical framework, NGOs are conceptualized as an external factor that creates public pressure, alongside the media. Legislative oversight by Congress and DoD civilian and military leadership are also considered factors. A third case study of NATO (Chapter 4) aims to test whether assumptions about IGOs\u2019 receptiveness to NGOs hold true for NATO. This case study also aims to provide new evidence regarding the concrete contributions of NGOs to civilian protection policies.\n\nAcademic contributions\n\nThe findings of this dissertation demonstrates that NGOs play various complementary roles when contributing to policy change on civilian protection, namely as watchdogs, advocates, and allies. The three case studies demonstrate how these roles occur and evolve throughout policy change processes. This evolution largely depends on the receptiveness of the target organization to the advocacy. The target\u2019s receptiveness is shaped by resource dependencies and the personal traits of the leadership and varies among governmental and intergovernmental organizations. In IGOs, NGOs contribute to policy change by strategically using information, by navigating institutional decision-making structures, and by providing resources, such as expertise, to support organizational learning processes. In IGOs where civilian protection is a well-established policy domain, policy change is most likely to occur when NGOs operate within a dense network of like-minded champions, including other NGOs, member states, and bureaucrats. In national contexts, NGOs contribute to policy change when legislative institutions are receptive to their advocacy and exercise strong oversight of defense administrations. NGOs can also participate directly in policy discussions with defense administrations. Ultimately, however, meaningful policy change depends on the receptiveness of civilian leadership to public pressure regarding civilian harm caused by military operations., and its support for organizational learning processes. Further, In IGOs like NATO, receptiveness to NGOs\u2019 demands increases when civilian and military officials perceive NGOs as sources of legitimacy or as allies who ensure operational effectiveness. NATO is therefore not so different from other IGOs when it comes to cooperating with NGOs.\n\nThe findings of this dissertation contribute to several academic debates. First, the findings regarding the lack of change in NGO advocacy during challenging times, despite the gravity and prevalence of civilian harm in conflict, contribute to the body of research on Transnational Advocacy Networks and NGO advocacy. The findings corroborate arguments from the literature that CSOs\u2019 engagement with the UN policy level largely depends on a mix of survival and structural realities. CSOs, particularly NGOs, prioritize stable engagement with the UN and member states on less controversial issues because demanding radical change could jeopardize their established authority. The findings also contribute to a better conceptualization of the role of information provision in CSO advocacy. I argue that in the field of civilian protection at the UN, CSOs use information in three main ways: factually, symbolically, and through networking. During challenging times, information is arguably the daily currency in a global governance arena such as the UN, where a community of NGO practitioners, humanitarians, researchers, and UN policy officers share the common goal of protecting civilians caught in conflict.\n\nSecond, this dissertation adds to Organizational Learning Theory by demonstrating that the work of NGOs and media reporting constitute external factors that influence defense administrations and IGOs to initiate and complete learning processes. In fact, NGOs collaborate directly with policy officers across institutions such as the DoD and NATO. This contribution challenges the common assumption that military affairs are closed to NGO participation. Furthermore, leadership\u2019s receptiveness to public pressure and advocacy from NGOs and the media is essential for real policy change. Another contribution to Organizational Learning Theory is made as this dissertation studies the interaction between public pressure and leadership and its effect on policy change. It also invites reflection on how leadership manifests differently across governmental and intergovernmental organizations. For the DoD, advocacy from NGOs, along with reporting from the New York Times in late 2021, likely influenced Secretary of Defense Austin\u2019s decision to create a Civilian Harm Mitigation and Response Action Plan, which was formalized as a policy in 2023. In IGOs such as NATO and the UN, leadership may originate from nations or member states that advocate for civilian protection in policymaking. Ultimately, however, policy change can only be ensured through an intergovernmental decision-making process that includes unanimity and veto. The importance of leadership and the interaction between NGOs and leadership varies depending on the case.\n\nThird, by examining the conditions under which policies and militaries are receptive to NGO demands, this dissertation makes contributions to Organizational Learning Theory and Resource Dependency Theory. The receptiveness of governmental and intergovernmental organizations varies across cases and is shaped by resource dependencies and the personal traits of leaders. NATO\u2019s policy and military staff\u2019s decision to engage with NGOs on civilian protection stems from their perception that NGOs can contribute to their organization\u2019s public legitimacy and operational effectiveness. NGOs\u2019 access to policy and strategic discussions, as well as the nature of their engagement with NATO, depends on the organizational level with which they engage, and the classification level of the information involved. Similarly, NGOs\u2019 access to the UN varies according to its organizational structure, as different Secretariat agencies and member states take the lead on civilian protection issues. Many of the same NGOs engage with these organizations on civilian protection issues. For example, the Center for Civilians in Conflict, PAX for Peace, and the ICRC (though not an NGO per se) are well-known players in this arena.","auteur":"Daphne Charotte","auteur_slug":"daphne-charotte","publicatiedatum":"16 juni 2026","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/daphnecharotte?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/1535a1c2-bb8a-4bd8-a198-cd770e07e7bd\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"19052","isbn":"978-94-6534-436-2","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Universiteit Maastricht","afbeeldingen":15151,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Universiteit Maastricht","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15149","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/7"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=15149"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15149\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":15152,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/15149\/revisions\/15152"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/15150"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=15149"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=15149"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}