{"id":14968,"date":"2026-05-07T07:24:39","date_gmt":"2026-05-07T07:24:39","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/jennifer-van-beek\/"},"modified":"2026-05-07T07:24:56","modified_gmt":"2026-05-07T07:24:56","slug":"jennifer-van-beek","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/jennifer-van-beek\/","title":{"rendered":"Jennifer van Beek"},"content":{"rendered":"","protected":true},"excerpt":{"rendered":"","protected":true},"author":7,"featured_media":14969,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-14968","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","post-password-required","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Measuring what matters","samenvatting":"Het proefschrift heeft tot doel een multidimensionaal en participatief kader te ontwikkelen voor het begrijpen en aanpakken van marginaliteit in welvarende steden, vanuit het analytische perspectief van Welzijnseconomie. Het vertrekt vanuit de paradox, zichtbaar in verschillende Westerse steden, dat aanhoudende economische groei samengaat met toenemende sociale en ruimtelijke ongelijkheden. Het onderzoek is gebaseerd op Welzijnseconomie, waarbij welzijn wordt gedefinieerd als de interactie tussen materi\u00eble, relationele en subjectieve dimensies van dagelijks welzijn, en integreert dit met participatieve bestuurs- en stedelijke regimetheorie.\n\nDe overkoepelende onderzoeksvraag luidt: Hoe kunnen door burgers gedefinieerde, multidimensionale indicatoren van welzijn worden ontwikkeld en gemeten op buurtniveau in stedelijke contexten met een hoog inkomen, en in hoeverre kan een dergelijke meting een zinvolle bijdrage leveren aan burgerempowerment en een meer inclusief stedelijk bestuur?\n\nHet proefschrift behandelt deze vraag aan de hand van vier empirische artikelen, waarin elk artikel in een hoofdstuk (hoofdstukken 2-5) een specifieke deelvraag onderzoekt. Samen bieden deze hoofdstukken een cumulatief en ge\u00efntegreerd antwoord op de hoofdonderzoeksvraag (hoofdstuk 6).\n\nHet proefschrift is opgebouwd rond een sequenti\u00eble maar flexibele methodologische architectuur. Het behandelt de hoofdonderzoeksvraag door middel van een analyse van meerdere gemarginaliseerde, maar toch verschillende buurten in Amsterdam. Het hanteert een actiegerichte en participatieve onderzoeksaanpak waarin kwalitatieve en kwantitatieve methoden, ervarings- en statistische gegevens, en verschillende vormen van expertise gecombineerd worden.\n\nHoofdstuk 2 behandelt de eerste deelvraag: hoe kunnen bredere welzijnsindicatoren en een nieuw meetinstrument worden ontwikkeld door middel van co-creatie met bewoners van een gemarginaliseerde buurt, en onder welke voorwaarden kan empowerment worden bereikt? Op basis van de eerste buurtcasestudy, Venserpolder, analyseert het een proces van het initi\u00ebren van lokale samenwerking en het opzetten van co-creatie voor welzijnsmeting. Dit leidt tot een overdraagbare bottom-up methode voor participatieve welzijnsmeting (\u201cWelzijnsdashboards\u201d). Het hoofdstuk laat zien hoe bewoners in staat zijn om coherente, multidimensionale concepten van welzijn te verwoorden die zowel materieel, relationeel als subjectief zijn, wanneer ze worden begeleid door interactieve en creatieve taken. Bovendien illustreert het hoofdstuk hoe empowerment niet alleen kan voortkomen uit de resultaten van participatieve metingen, maar ook uit het proces van co-creatie zelf \u2013 met name wanneer dit longitudinaal en face-to-face plaatsvindt, sociaal leren bevordert en is ingebed in zelforganiserende gemeenschapsstructuren in plaats van eenmalige raadplegingen.\n\nHoofdstuk 3 behandelt de tweede deelvraag: welke aanvullende inzichten bieden bottom-up, door burgers gedefinieerde welzijnsindicatoren ten opzichte van conventionele top-down beleidsdata? Het hoofdstuk laat zien hoe participatieve, multidimensionale welzijnsmetingen kritieke blinde vlekken in de beleidsmatige kennis opvullen, op basis waarvan het de relevantie en legitimiteit van burgerkennis voor het beleid benadrukt. Het presenteert een vergelijking die empirisch aantoont dat door burgers gedefinieerde welzijnsindicatoren voorheen onbekende behoeften aan het licht brengen en een aanvulling vormen op conventionele indicatoren. Welzijnsindicatoren die worden gemeten in het subjectieve en\/of relationele domein blijken een zeer substanti\u00eble aanvulling te vormen op gemeentelijke indicatoren door het vastleggen van geleefde ervaringen. Als zodanig valideert het hoofdstuk empirisch de opname van gelokaliseerde relationeel-subjectieve welzijnsindicatoren voor een mensgericht en effectiever beleidsontwerp. Bovendien illustreert het hoofdstuk hoe ge\u00efntegreerde welzijnsmetingen belangrijke punten voor interventie kunnen signaleren. De resultaten van een correlatieanalyse wijzen op belangrijke onderlinge afhankelijkheden tussen domeinen en bevestigen opnieuw het belang van verder kijken dan materi\u00eble indicatoren om inzicht te krijgen in de resultaten op het gebied van menselijk welzijn.\n\nHoofdstuk 4 behandelt de derde deelvraag: wat zeggen bottom-up welzijnsindicatoren over gedeelde en uiteenlopende behoeften in gemarginaliseerde buurten, en wat betekent dit voor gebiedsgericht beleid en bestuur van gemarginaliseerde buurten? Het vergelijkt lokale welzijnsindicatoren van drie buurten en bespreekt hoe bewoners een gelaagd begrip van welzijnsbehoeften verwoorden; een begrip dat bestaat uit compromissen tussen basisbehoeften gevolgd door uiteenlopende behoeften van hogere orde. Bewoners van gemarginaliseerde buurten hebben consequent hun bezorgdheid geuit over wat in dit hoofdstuk wordt omschreven als \u201cbasisveiligheid\u201d welzijnsbehoeften (waaronder sociale verbondenheid, financi\u00eble zekerheid, huisvestingsstabiliteit, emotioneel evenwicht, leefbaarheid van de buurt en waargenomen veiligheid). Deze gedeelde basis suggereert dat het bestuur van gemarginaliseerde buurten kan plaatsvinden binnen een uniform gebiedsgericht kader. Naast een gedeelde basis zijn er ook verschillen te zien in termen van hogere welzijnsbehoeften.\n\nHoofdstuk 5 behandelt de vierde en laatste deelvraag: onder welke institutionele en politieke omstandigheden kan participatieve welzijnsmeting invloed uitoefenen op beleidsagenda's, besluitvorming en middelenallocatie op buurtniveau? Het hoofdstuk analyseert een opkomende samenwerkingscoalitie rond de Welzijnsdashboards in Amsterdam Zuidoost. Hier brengen gedeelde zorgen over de legitimiteit en effectiviteit van het beleid verschillende beleidsactoren en bewoners op buurtniveau samen. De bevindingen laten zien hoe participatieve welzijnsmetingen kunnen fungeren als grensoverschrijdende hulpbron, die samenwerking tussen meerdere actoren kan faciliteren vanuit een gedeeld en door de gemeenschap gevalideerd uitgangspunt. Wat betreft het bereiken van daadwerkelijke beleidsinvloed, bracht analyse vanuit het perspectief van het stedelijk regime echter kritieke beperkingen op het gebied van coalities, middelen en instellingen aan het licht. De huidige samenwerkingscoalitie mist beleidsactoren met voldoende beslissingsbevoegdheid en controle over financi\u00eble en bureaucratische middelen om de invloed van de gemeenschap te institutionaliseren. Bovendien belemmeren bredere institutionele beperkingen, zoals hi\u00ebrarchische verantwoordingsstructuren, vooraf vastgestelde beleidsopdrachten en gefragmenteerde bestuursverantwoordelijkheden, duurzame samenwerking onder leiding van de gemeenschap en de mate waarin door bewoners gedefinieerde welzijnsprioriteiten structureel kunnen worden verankerd in de lokale beleidspraktijk.\n\nHoofdstuk 6 geeft een samenhangend antwoord op de belangrijkste onderzoeksvraag en belicht drie belangrijke bevindingen. De empirische hoofdstukken tonen aan dat door middel van zinvolle co-creatieve processen door burgers gedefinieerde, multidimensionale welzijnsindicatoren op buurtniveau robuust kunnen worden ontwikkeld en gemeten en analytisch onderscheidende en beleidsrelevante kennis kunnen genereren. De mate waarin dergelijke lokale welzijnsmetingen bijdragen aan de epistemische en procedurele empowerment van burgers is tweeledig. Ten eerste beginnen beleidsmakers de ervaringsgerichte en situationele kennis van burgers te legitimeren wanneer deze wordt vertaald in meetbare indicatoren, waardoor de indicatoren epistemische macht naar burgers verschuiven. Ten tweede, wanneer lokale welzijnsmetingen worden omgezet in beleidsmaatregelen, worden voorheen niet-erkende behoeften doorslaggevend in de beleidspraktijk, waardoor zowel epistemische als procedurele macht naar burgers verschuift. Als zodanig bepaalt meting welke behoeften worden gezien en erkend, wat een eerste belangrijke bevinding benadrukt: i) Meting is een plaats van macht, geen neutraal instrument.\n\nBovendien suggereert het op basis van de empirische bevindingen dat een geloofwaardig welzijnskader in welvarende stedelijke contexten zowel stabiliteit als pluraliteit moet kunnen bieden: een gedeelde basis van fundamentele veiligheid en een pluriforme ruimte van waardevol leven. De meting van multidimensionaal welzijn in en tussen gemarginaliseerde buurten benadrukt een tweede belangrijke bevinding: ii) Marginaliteit in welvarende steden is een kwestie van vari\u00ebrende en op elkaar inwerkende relationele, persoonlijke en institutionele tekortkomingen die contextueel gevormd en lokaal specifiek zijn.\n\nTegelijkertijd toont het proefschrift aan dat de impact van een dergelijke meting op het bestuur, en daarmee het empowermentpotentieel van participatie, voorwaardelijk is. Het toont empirisch aan dat bottom-up, participatieve welzijnsmeting een noodzakelijke voorwaarde is om geleefde marginaliteit aan het licht te brengen en burgers mondiger te maken, maar dat dit niet voldoende is om inclusief stedelijk bestuur te realiseren. Om het volledige transformatieve potentieel te realiseren, zijn aanvullende veranderingen nodig in institutionele regelingen, coalitiestructuren en de waardering van lokale kennis binnen beleidssystemen. Dit leidt tot de laatste belangrijke bevinding: iii) Participatieve metingen worden pas transformatief wanneer ze worden ingebed in bestuur regimes.\n\nTheoretisch gezien draagt het proefschrift bij aan de welzijnseconomie door de kennis van burgers te integreren in de productie van economische gegevens, waardoor epistemische rechtvaardigheid wordt gekoppeld aan distributieve rechtvaardigheid. Conceptueel gezien herdefinieert het stedelijke marginaliteit als multidimensionaal onwelzijn in welvarende samenlevingen. Methodologisch draagt het bij aan een overdraagbaar kader voor participatieve welzijnsmeting en -validatie. Op beleidsniveau laat het zien hoe lokale indicatoren kunnen bijdragen aan gedifferentieerde investeringsstrategie\u00ebn en een systemische transitie naar inclusief, welzijnsgericht stedelijk bestuur kunnen ondersteunen. Bovendien levert het proefschrift een reflexieve beschrijving van het uitvoeren van actiegericht en participatief onderzoek als zowel wetenschappelijk onderzoek als epistemische rechtvaardigheidsinterventie. Ten slotte worden beleidsaanbevelingen en toekomstige onderzoeksrichtingen voorgesteld.","summary":"The dissertation aims to advance a multidimensional and participatory framework for understanding and addressing urban marginality in high-income contexts through the analytical lens of economic wellbeing. It departs from the paradox that persistent economic growth and institutional strength coexist with widening social and spatial inequalities. The research draws on wellbeing economics, conceptualizing wellbeing as the interaction between material, relational, and subjective dimensions of life, and integrates this with participatory governance theory and urban regime theory.\n\nThe overarching research question is formulated as: How can citizen-defined, multidimensional indicators of wellbeing be developed and measured at neighbourhood level in high-income urban contexts, and to what extent can such measurement meaningfully contribute to citizen empowerment and more inclusive urban governance?\n\nThe dissertation deliberately addresses this question through an article-based design, in which each empirical chapter (Chapters 2\u20135) examines a specific sub-question. Taken together, these chapters provide a cumulative and integrated answer to the main research question (chapter 6).\n\nThe dissertation is structured around a sequential yet flexible methodological architecture. It addresses the main research question through analysing multiple marginalized, yet distinct, neighbourhoods in Amsterdam. It takes an action-oriented and community-based participatory research approach that combines qualitative and quantitative methods, experiential and statistical data, and multiple forms of expertise.\n\nChapter 2 addresses the first sub-question: how can broader wellbeing indicators and a new measurement instrument be developed through co-creation with residents of a marginalised neighbourhood, and under what conditions can empowerment be achieved? Based on the first neighbourhood case study, Venserpolder, it analyses a process of initiating local collaboration and setting-up co-creation for wellbeing measurement. This leads to a transferable bottom-up method for participatory wellbeing measurement (\u201cWellbeing Dashboards\u201d). The chapter demonstrates how residents are able to articulate coherent, multidimensional conceptions of wellbeing spanning material, relational, and subjective when guided through interactive and creative tasks. In addition, the chapter illustrates how empowerment can emerge not only from the outcomes of participatory measurement, but also from the process of co-creation itself \u2013 particularly when its longitudinal, face-to-face, facilitates social learning and is embedded in self-organised community structures rather than one-off consultations.\n\nChapter 3 addresses the second sub-question: what additional insights do bottom-up, citizen-defined wellbeing indicators provide compared to conventional top-down data sources? The chapter reveals how participatory, multidimensional wellbeing measurement fill critical blind-spots in policy knowledge based on which it underlines the relevance and legitimacy of citizen knowledge to policy. It presents a comparison which empirically shows that citizen-defined wellbeing indicators illuminate previously unrecognized needs and complement conventional indicators. Wellbeing indicators measured in the subjective and\/or relational domain prove to complement municipal indicators most substantially by capturing lived experiences. As such, the chapter empirically validates the inclusion of localized relational-subjective wellbeing indicators for human-centered and more effective policy design. Moreover, the chapter illustrates how integrated wellbeing measurement can signal important points for intervention. The results of a correlation analysis signal important interdependencies across domain and reaffirm the importance of looking beyond material indictors to understanding human wellbeing outcomes.\n\nChapter 4 addresses the third sub-question: what do bottom-up wellbeing indicators reveal about shared and diverging needs across marginalized neighbourhoods, and what does this imply for area-based policy and governance of marginalized neighbourhoods? It compares local wellbeing indicators of three neighbourhoods and discusses how residents articulate a layered understanding of wellbeing needs; one that is compromises foundational needs followed by divergent higher-order needs. Residents across marginalized neighbourhoods consistently identified and share concerns over, what the chapter conceptualizes as, \u201cbasic safety\u201d wellbeing needs (including social connection, financial sufficiency, housing stability, emotional balance, neighbourhood liveability and perceived safety). This shared foundation suggests that governance of marginalized neighbourhoods can happen within a unified area-based framework. Beyond a shared foundation, divergence is found in terms of higher-order wellbeing needs and the priorities set by residents. Subsequently, the chapter argues that area-based interventions must just as well leave space for localized priority-setting and contextualized formulation of policy action. Methodologically, the findings of both shared and divergent wellbeing needs demonstrate that the bottom-up method produces robust results with contextual validity.\n\nChapter 5 addresses the fourth and final sub-question: Under what institutional and political conditions can participatory wellbeing measurement influence policy agendas, decision-making, and resource allocation at the neighbourhood level? The chapter analyses an emerging collaborative coalition around the Wellbeing Dashboards in Amsterdam Southeast. Here shared concerns over policy legitimacy and effectiveness are bringing various district-level policy actors and residents together. The findings demonstrate how participatory wellbeing measurement can function as boundary-spanning resource, able to facilitate multi-actor collaboration from a shared, and community-validated, starting point. However, in terms of achieving actual policy influence, analysis through an urban regime lens revealed critical coalitional, resource and institutional constraints. The current collaborating coalition lacks policy actors with sufficient decision-making authority, and control over financial and bureaucratic resources, to institutionalize community influence. In addition, wider institutional constraints, such as hierarchical accountability structures, predefined policy assignments, and fragmented governance responsibilities, hamper sustained community-led collaboration and the extent to which resident-defined wellbeing priorities can be structurally embedded in local policy practice.\n\nChapter 6 provides a coherent answer to the main research question and highlight three key findings. The empirical chapters show that, through meaningful co-creative processes, citizen-defined, multidimensional wellbeing indicators can be robustly developed and measured at neighbourhood level and generate analytically distinct and policy-relevant knowledge. The extent to which such local wellbeing measurement contributes to citizens\u2019 epistemic and procedural empowerment is twofold. First, policy actors start to legitimize citizens\u2019 experiential and situated knowledge when translated measurable indicators, which cause the indicators to shift epistemic power to citizens. Second, when local wellbeing measurement turns into policy action, formerly unrecognized needs become decisive in policy practice hence shifting both epistemic and procedural power to citizens. As such, measurement determines which needs are seen and are recognized; highlighting a first key finding: i) Measurement is a site of power, not a neutral tool.\n\nIn addition, based on the empirical findings it suggests that a credible wellbeing framework in affluent urban contexts must be able to hold both stability and plurality: a shared baseline of basic safety and a plural space of valued living. The measurement of multidimensional wellbeing in and across marginalized neighbourhoods highlights a second key finding: ii) Marginality in affluent cities is a matter of varying and interacting relational, personal, and institutional deficits that are contextually shaped and locally specific.\n\nAt the same time, the dissertation demonstrates that the governance impact of such measurement, and hence the empowering potential of participation, is conditional. It empirically shows that bottom-up, participatory wellbeing measurement is a necessary condition for revealing lived marginality and empowering citizens, but it is not sufficient for achieving inclusive urban governance in high-income contexts. Realising its full transformative potential requires complementary changes in institutional arrangements, coalition structures, and the valuation of local knowledge within policy systems. This leads to the final key finding: iii) Participatory measurement only becomes transformative when embedded in governance regimes.\n\nTheoretically, the dissertation advances wellbeing economics by embedding citizen knowledge in the production of economic data, linking epistemic with distributive justice. Conceptually, it reframes urban marginality as multidimensional illbeing in affluent societies. Methodologically, it contributes a transferable framework for participatory wellbeing measurement and validation. At the policy level, it demonstrates how localized indicators can inform differentiated investment strategies and support a systemic transition toward inclusive, wellbeing-oriented urban governance. Moreover, the dissertation contributes a reflexive account of conducting action-oriented and participatory research as both scientific inquiry and epistemic justice intervention. Finally, policy recommendations and future research directions are suggested.","auteur":"Jennifer van Beek","auteur_slug":"jennifer-van-beek","publicatiedatum":"2 juni 2026","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/jennifervanbeek?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/03b4f928-06ec-4ae0-8b30-50666b92c29c\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"19033","isbn":"978-94-6534-407-2","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Universiteit van Amsterdam","afbeeldingen":14970,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Universiteit van Amsterdam","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/14968","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/7"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=14968"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/14968\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":14971,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/14968\/revisions\/14971"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/14969"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=14968"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=14968"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}