{"id":10855,"date":"2026-04-10T08:29:26","date_gmt":"2026-04-10T08:29:26","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/stephanie-looijaard\/"},"modified":"2026-04-23T07:12:41","modified_gmt":"2026-04-23T07:12:41","slug":"stephanie-looijaard","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/stephanie-looijaard\/","title":{"rendered":"Stephanie Looijaard"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":12400,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-10855","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Geriatric Oncology","samenvatting":"De relatief hoge prevalentie van behandeling-gerelateerde complicaties en de lage overleving van ouderen met kanker in vergelijking met jongeren (12, 13), benadrukken dat ouderen met kanker een andere benaderingswijze nodig hebben. Er zijn hoge verwachtingen van (skelet)spierstatus als voorspeller van deze nadelige klinische uitkomsten en als aangrijpingspunt voor interventies bij ouderen met kanker. In dit proefschrift gebruiken we de overkoepelende term \u201cspierstatus\u201d om de spiermaten massa, kwaliteit, kracht en fysiek functioneren te beschrijven en een slechte spierstatus om problemen of tekorten in \u00e9\u00e9n van deze spiermaten aan te duiden. Spierstatus is specifiek van belang binnen de geriatrische oncologie omdat de omvattende spiermaten kunnen worden gezien als weerspiegelingen van de algehele gezondheidstoestand en van meerdere orgaansystemen (29, 30), en aangezien ongeveer 40% van de mensen met kanker een slechte spierstatus heeft (31). De doelen van dit proefschrift waren om de rol van spierstatus voorafgaand aan de diagnose van kanker te verhelderen (Deel I), pathofysiologische mechanismen die kunnen verklaren waarom ouderen met een lage spiermassa een hogere kans zouden hebben op nadelige klinische uitkomsten en gerichte interventies te verkennen (Deel II), en te onderzoeken of spierstatus nadelige klinische uitkomsten kan voorspellen (Deel III), bij ouderen met kanker.\n\nDe rol van spierstatus voorafgaand aan de diagnose van kanker\nWanneer de spierstatus onder klinische grenswaarden komt spreken we van de ziekte sarcopenie, welke gedefinieerd wordt als het leeftijdsgebonden verlies in spiermassa en spierkracht (38, 39). In Hoofdstuk twee hebben we bekeken of ouderen met risico op sarcopenie zouden kunnen worden ge\u00efdentificeerd middels het meten van slechts \u00e9\u00e9n spiermaat zoals handknijpkracht, balans of een functionele maat in een groep poliklinische ouderen. Het versimpelen van het vaststellen van sarcopenie zou ook zeer bruikbaar zijn binnen de geriatrische oncologie. Een aantal spiermaten waren gerelateerd aan sarcopenie volgens minstens twee veelgebruikte definities maar de accuraatheid van deze spiermaten om ouderen met sarcopenie te onderscheiden was laag, wat impliceert dat het risico op sarcopenie niet kan worden vastgesteld met behulp van slechts \u00e9\u00e9n spiermaat.\n\nEen slechte spierstatus komt veel vaker voor bij ouderen met kanker dan bij ouderen zonder kanker (31, 45-47). Met behulp van het LASA cohort, hebben we onderzocht of dit het resultaat kon zijn van reeds aanwezige kankeractiviteit voorafgaand aan de diagnose (Hoofdstuk drie). Er werden geen verschillen gevonden in handknijpkracht en functionele maten tussen ouderen die later gediagnosticeerd zouden worden met kanker en ouderen zonder kanker. Effecten van reeds aanwezige kankeractiviteit op spierstatus voorafgaand aan de diagnose konden dus niet worden bevestigd in onze studie en zijn mogelijk afhankelijk van de tumorlast en van de tijdsperiode tussen de diagnose van kanker en de meting van de spierstatus.\n\nDe rol van pathofysiologische mechanismen die de relatie tussen spierstatus en nadelige klinische uitkomsten zouden kunnen verklaren\nIn Hoofdstuk vier geven we een beschrijvend overzicht van pathofysiologische mechanismen die zouden kunnen verklaren waarom een lage spiermassa zou kunnen leiden tot nadelige klinische uitkomsten zoals complicaties van de operatie of chemotherapie of lagere overleving bij ouderen met kanker. Een veranderde balans in myokines en veranderde farmacokinetiek van antikanker behandeling zijn mogelijke verklaringen waarom lage spiermassa zou kunnen leiden tot nadelige klinische uitkomsten. We beschouwen glucose intolerantie en circulerend mitochondrieel DNA als belangrijke onderwerpen voor toekomstig onderzoek. Onduidelijkheid over de richting van het verband en het samenspel met kankeractiviteit verhinderen het vaststellen van directe effecten van lage spiermassa. Fysieke activiteit, neuromusculaire elektrische stimulatie en farmacologische middelen die de voordelige effecten van fysieke activiteit nabootsen, kunnen mogelijk de nadelige effecten van deze mechanismen tegengaan en zo de klinische uitkomsten van ouderen met kanker verbeteren.\n\nUit het systematische literatuuronderzoek in Hoofdstuk vijf is gebleken dat prehabilitatie programma\u2019s, bestaande uit een preoperatieve fysieke en\/of voedingsinterventie, er tot op heden niet in slagen om complicaties na de operatie, de duur van verblijf in het ziekenhuis, heropnames of overlijden te verminderen bij ouderen met dikke darmkanker of endeldarmkanker. Dit is mogelijk te wijten aan het feit dat de ouderen in de ge\u00efncludeerde studies niet geselecteerd zijn op basis van een verminderd fysiek vermogen of een slechte voedingsstatus en daarom weinig profijt hadden van een interventie.\n\nDe rol van spierstatus om nadelige klinische uitkomsten te voorspellen bij ouderen met kanker\nIn het laatste deel van dit proefschrift laten we zien dat nadelige klinische uitkomsten niet konden worden voorspeld middels spiermaten verkregen door middel van een geriatrisch assessment of totale abdominale CT scan analyse bij ouderen met respectievelijk verschillende soorten kanker en dikke darm- of endeldarmkanker. In de prospectieve MOOP studie, werd een geriatrisch assessment ge\u00efntegreerd in de oncologische zorg voor ouderen (Hoofdstuk zes) om problemen binnen geriatrische domeinen op te sporen zoals het hebben van meerdere ziektes, het gebruik van veel medicijnen, problemen met de stemming, problemen in het denkvermogen, een slechte voedingsstatus, een beperkt sociaal netwerk en beperkingen in het fysiek functioneren. De resultaten van de MOOP studie laten het belang zien van het afnemen van een geriatrisch assessment. Het geriatrisch assessment toonde namelijk bij 70% van de ouderen problemen in meerdere geriatrische domeinen. De oncoloog had twijfels over het starten van standaardbehandeling bij bijna 50% van de ouderen. Nadelige klinische uitkomsten zoals bijwerkingen, vermindering van de dosis of uitstel, overlijden v\u00f3\u00f3r de start van de behandeling of vroege progressie, kwamen voor bij 60% van de ouderen die antikanker behandeling ondergingen. Het risico op een nadelige klinische uitkomst kon niet worden voorspeld door problemen in meerdere geriatrische domeinen, problemen in het fysiek functioneren, of door klinische twijfel. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze studie gelimiteerd wordt door de kleine studiepopulatie met een aanzienlijke heterogeniteit aan typen en stadia van kanker. Onze resultaten benadrukken de uitdagingen binnen de geriatrische oncologie om de zorg voor ouderen met kanker te verbeteren en de waarde van een geriatrisch assessment om problemen te detecteren die mogelijk verbeterd kunnen worden en anders onontdekt zouden blijven. Het vermogen van een geriatrisch assessment om nadelige klinische uitkomsten te voorspellen in een heterogene groep ouderen met verschillende typen en stadia van kanker blijft echter onduidelijk.\n\nHet doel van de PREMUSCLE studie was om binnen een onderzoeksveld met tot dusver inconsistente resultaten, te verhelderen of preoperatieve totale abdominale CT-gemeten spiermaten het risico op nadelige klinische uitkomsten kunnen voorspellen bij ouderen met dikke darmkanker of endeldarmkanker (Hoofdstuk zeven). In een grote groep van bijna 400 ouderen met dikke darm- of endeldarmkanker, werden ernstige complicaties na de operatie geconstateerd in 13%, meer dan een derde overleed binnen vijf jaar na de operatie en 77% had last van bijwerkingen van de chemotherapie die zo erg waren dat de dosis moest worden verlaagd. Continue CT-gemeten spiermaten waren niet consistent gerelateerd met deze nadelige klinische uitkomsten, en relaties verdwenen nadat er gecorrigeerd werd voor de veelvuldigheid van de analyses. Oftewel, preoperatieve totale abdominale CT-gemeten spiermaten konden in onze studie nadelige klinische uitkomsten bij ouderen met dikke darm- of endeldarmkanker niet voorspellen. Een toegewijde meta-analyse is noodzakelijk om te concluderen wat de voorspellende waarde van continue totale abdominale CT-gemeten spiermaten voor nadelige klinische uitkomsten bij deze groep ouderen is.\n\nIn Hoofdstuk acht hebben we met behulp van de ouderen met dikke darmkanker uit de PREMUSCLE groep, onderzocht of totale abdominale spiermaten gemeten middels CT scan analyse representatief zijn voor de specifieke abdominale spiergroepen die op hetzelfde niveau gemeten worden. Er werd veel variatie gevonden tussen de spiermaten van de verschillende spiergroepen op zowel populatieniveau als binnen personen, wat betekent dat totale abdominale spiermaten niet representatief zijn voor specifieke abdominale spiergroepen. Lagere spierdichtheid en een hoger percentage vet in de laterale spieren waren gerelateerd aan ernstige complicaties na de operatie, alhoewel deze resultaten beperkt worden door het kleine aantal ouderen met complicaties. CT scan analyse van specifieke abdominale spiergroepen is mogelijk van toegevoegde waarde om nadelige klinische uitkomsten bij ouderen met (darm)kanker te voorspellen maar dient verder onderzocht te worden in grotere, longitudinale studies.\n\nKlinische implicaties en toekomstig onderzoek\nDe behandeling van ouderen met kanker vereist een andere aanpak dan de huidige oncologische zorg. Dit wordt benadrukt door de hoge prevalentie van behandeling-gerelateerde complicaties en lage overleving gepresenteerd in dit proefschrift. De hoge verwachtingen van de rol van spierstatus in het herkennen van kankeractiviteit voorafgaand aan de diagnose, van prehabilitatie om klinische uitkomsten te verbeteren en van spierstatus gemeten middels een geriatrisch assessment of totale abdominale CT scan analyse om nadelige klinische uitkomsten te voorspellen bij ouderen met kanker konden niet worden bevestigd door de studies gepresenteerd in dit proefschrift. Een veranderde balans in myokines, een veranderde farmacokinetiek van antikanker behandeling en andere pathofysiologische mechanismen geven richting aan interventies om klinische uitkomsten bij ouderen met kanker en een lage spiermassa te verbeteren. We beschouwen een geriatrisch assessment nog altijd als een essentieel onderdeel van de oncologische zorg voor ouderen aangezien het geriatrische problemen identificeert die mogelijk verbeterd zouden kunnen worden. Tenslotte is CT scan analyse van specifieke abdominale spiergroepen een veelbelovende methode om nadelige klinische uitkomsten bij ouderen met (dikke darm) kanker te voorspellen die nog verdere onderbouwing vereist.\n\nOm een conclusie te kunnen trekken over de rol van spierstatus in de geriatrische oncologie, zal er inzicht in de wisselwerking tussen spierstatus, pathofysiologie en kanker (uitkomsten) moet worden verworven. Bovendien is een toegewijde meta-analyse noodzakelijk om een definitieve conclusie te kunnen trekken over de waarde van preoperatieve continue totale abdominale CT-gemeten spiermaten om nadelige klinische uitkomsten bij ouderen met dikke darmkanker te voorspellen. Toekomstig onderzoek moet zich richten op het longitudinaal meten van spiermassa en spierkwaliteit, spierkracht en fysiek functioneren en moet meer nadruk leggen op het combineren van deze verschillende spiermaten en resultaten van een geriatrisch assessment om een conclusie te kunnen trekken over de rol van spierstatus in het voorspellen van nadelige klinische uitkomsten en als aangrijpingspunt voor interventies in de geriatrische oncologie. Mogelijk is het analyseren van specifieke abdominale spiergroepen nog van toegevoegde waarde. De behandeling van ouderen met kanker blijft een uitdaging. De tijd zal ons leren of het longitudinaal meten van spierstatus vroege herkenning van kankeractiviteit voorafgaand aan de diagnose, het voorspellen van nadelige klinische uitkomsten en het verbeteren van klinische uitkomsten bij ouderen met kanker mogelijk kan maken.","summary":"The high prevalence of treatment-related complications and low survival rates in older individuals with cancer compared to younger individuals (12, 13) call for a different assessment and treatment approach in geriatric oncology. High expectations have been set on skeletal muscle status as a predictor of poor clinical outcomes and target for interventions to improve clinical outcomes in older individuals with cancer. In this thesis, the umbrella term (skeletal) muscle status was used to encompass measures of muscle mass, muscle quality, muscle strength and physical function and performance and poor muscle status was used to describe limitations or deficits in any of these muscle measures. Muscle status is of specific interest in geriatric oncology as its encompassing muscle measures can be perceived as reflections of overall health status and multiple organ systems (29, 30) and approximately 40% of individuals with cancer have a poor muscle status (31). The aims of this thesis were to elucidate the role of muscle status prior to cancer diagnosis (Part I), of possible underlying pathophysiological mechanisms between muscle status and clinical outcomes and targeted interventions (Part II) and the role of muscle status in the prediction of poor clinical outcomes (Part III), in older individuals with cancer.\n\nThe role of muscle status prior to cancer diagnosis\nWhen muscle status falls below a clinically relevant threshold, this is considered a disease known as sarcopenia, which is defined as the age-related loss of muscle mass and muscle strength (38, 39). In Chapter two it was questioned whether older individuals at risk of sarcopenia could be identified by assessing a single muscle measure such as handgrip strength, balance or a physical function or performance measure in a cohort of geriatric outpatients. Facilitating the identification of older individuals with sarcopenia would also be highly useful in geriatric oncology. Several single muscle measures were associated with sarcopenia according to at least two common definitions but diagnostic accuracies were poor, indicating that a single muscle measure cannot identify older individuals at risk of sarcopenia.\nThe prevalence of poor muscle status is notably higher in older individuals with cancer compared to older individuals without cancer (31, 45-47). In the LASA cohort, we aimed to find out whether this could be the result of cancer activity before diagnosis (Chapter three). No differences between handgrip strength and physical function and performance measures were found between older individuals who were to be diagnosed with cancer and older individuals without cancer. Effects of cancer activity on muscle status before diagnosis could therefore not be confirmed in our study and might be dependent on the tumor burden and time period between cancer diagnosis and muscle status assessment.\n\nThe role of pathophysiological mechanisms underlying muscle status and poor clinical outcomes\nIn Chapter four, we provide an overview of potential pathophysiological mechanisms involved in sarcopenia and cachexia that might explain why low muscle mass would lead to a higher risk of poor clinical outcomes such as surgery- and chemotherapy-related complications and lower survival in older individuals with cancer. Altered myokine balance and pharmacokinetics of anticancer drugs were identified as mechanisms that could explain the link between low muscle mass and poor clinical outcomes. We consider glucose intolerance and circulating mitochondrial DNA to be topics of interest for future studies. However, due to reverse causation and the interplay with cancer it is impossible to determine whether these mechanisms are a direct consequence of low muscle mass. Physical exercise, neuro-muscular electrical stimulation and pharmacologic compounds reproducing the beneficial effects of exercise (exercise mimetics) may be targeted interventions to tackle the negative effects of these mechanisms and improve clinical outcomes in older individuals with cancer.\nIn the systematic review in Chapter five, prehabilitation programs consisting of preoperative physical and\/or nutritional interventions were found to be ineffective in reducing postoperative complications, length of stay, readmission rates and mortality in older individuals with colorectal cancer. The lack of selection of individuals with physical limitations and\/or nutritional deficits in the included studies is expected to have limited the effects of the interventions.\n\nThe role of muscle status in predicting poor clinical outcomes in older individuals with cancer\nIn the final part of this thesis, we were unable to demonstrate a role of muscle measures assessed by Comprehensive Geriatric Assessment (CGA) or total abdominal Computed Tomography (CT) scan analysis in predicting poor clinical outcomes in older individuals with respectively various solid cancers and colorectal cancer. In the prospective MOOP study, CGA was incorporated into oncological care for older individuals (Chapter six) to identify problems in the geriatric domains of comorbidity, polypharmacy, mood, cognition, nutrition and physical function and performance. The results of the MOOP study underline the relevance of conducting a CGA. CGA identified problems in more than one potentially modifiable geriatric domain in 70% of individuals and the medical oncologist had doubts about the expected tolerance of standard anticancer treatment in almost 50%. Poor clinical outcomes including chemotherapy toxicity, dose reduction, postponement of treatment, death before the start of treatment and early progression, occurred in 60% of individuals who received anticancer treatment but could not be predicted by problems in more than one CGA domain, problems in physical function and\/or performance or by clinical doubts. It should be noted that this study is limited by the small cohort with heterogeneous cancer types and stages. The results highlight the challenges that remain to be faced in geriatric oncology and underscore the value of CGA to detect potentially modifiable geriatric problems that would otherwise have remained undiscovered. Based on the results of our study, the ability of CGA to predict poor clinical outcomes in a heterogeneous group of individuals with various cancer types and stages remains elusive.\nThe aim of the PREMUSCLE study was to clarify the role of preoperative total abdominal CT-based body composition measures in the prediction of poor clinical outcomes in older individuals with colorectal cancer (Chapter seven). In a large cohort of almost 400 older individuals with colorectal cancer, severe postoperative complications occurred in 13% of individuals, more than one-third died during five years of follow-up and 77% experienced dose-limiting chemotherapy toxicity. Continuously-measured CT-based body composition measures were not consistently associated with these poor clinical outcomes, and any associations disappeared after accounting for multiple testing. Thus, preoperative total abdominal CT-based body composition measures failed to predict poor clinical outcomes in older individuals with colorectal cancer in our study. A dedicated meta-analysis on continuous total abdominal CT-based muscle measures in relation to poor clinical outcomes in older individuals with colorectal cancer is warranted to draw a final conclusion on the predictive value of CT-based muscle measures in this population.\nIn Chapter eight we included older individuals with colon cancer from the PREMUSCLE cohort to investigate whether total abdominal muscle measures determined by CT scan analysis can be assumed representative of specific abdominal muscle groups. Large variety between muscle measures of specific abdominal muscle groups on a population level and within individuals was found, indicating that total abdominal muscle measures are not representative of specific abdominal muscle groups. Lower muscle density and a higher percentage of intermuscular adipose tissue of the lateral muscles were associated with severe postoperative complications, although the value of these results is limited due to the low number of individuals with complications. CT scan analysis of specific abdominal muscle groups may be of added value to predict poor clinical outcomes in older individuals with (colon) cancer but needs further underpinning by larger, longitudinal studies.\n\nClinical implications and future research\nAnticancer management and treatment in older individuals call for a different approach from current oncological care, as highlighted by the high prevalence rates of treatment-related complications and low survival rates presented in this thesis. The high expectations of the role of muscle status to recognize cancer activity before diagnosis, of prehabilitation to improve clinical outcomes, and of muscle status assessed by CGA or total abdominal CT scan analysis in the prediction of poor clinical outcomes in older individuals with cancer could not be confirmed by the results presented in this thesis. Altered myokine balance, altered pharmacokinetics of anticancer drugs and other pathophysiological mechanisms can provide directions for interventions to improve clinical outcomes in older individuals with cancer and low muscle mass. CGA is still considered to be an essential element of oncological care for older individuals due to its value in identifying potentially modifiable geriatric problems. Finally, CT scan analysis of specific abdominal muscle groups might be of added value to predict poor clinical outcomes in older individuals with (colon) cancer but requires further substantiation in larger, longitudinal cohorts.\nTo conclude on the role of muscle status in geriatric oncology, comprehensive understanding of the interplay between muscle status, pathophysiology and cancer (outcomes) needs to be acquired. Moreover, a dedicated meta-analysis is warranted to draw a final conclusion on the value of preoperative continuous total abdominal CT-based muscle measures to predict poor clinical outcomes in older individuals with colorectal cancer. Future studies should focus on longitudinally measuring muscle mass and muscle quality, muscle strength and physical performance and function and put more emphasis on combining muscle measures and results of CGA to conclude on the role of muscle status in predicting and improving clinical outcomes in geriatric oncology. Potentially, analysis of specific abdominal muscle groups is of added value. Anticancer management and treatment in older individuals remain a challenge. Time will tell whether the longitudinal assessment of muscle status can make early recognition of cancer activity, prediction of poor clinical outcomes and improvement of clinical outcomes through targeted interventions possible in older individuals with cancer.","auteur":"Stephanie Looijaard","auteur_slug":"stephanie-looijaard","publicatiedatum":"27 november 2020","taal":"NL","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/stephanielooijaard?iframe=true","url_download_pdf":"","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604100826","isbn":"978-94-6423-012-3","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","afbeeldingen":12400,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Vrije Universiteit Amsterdam","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/10855","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=10855"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/10855\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":10858,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/10855\/revisions\/10858"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/12400"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=10855"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=10855"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}