{"id":10687,"date":"2026-04-09T14:42:46","date_gmt":"2026-04-09T14:42:46","guid":{"rendered":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/portfolio\/simon-yauw\/"},"modified":"2026-04-23T07:19:35","modified_gmt":"2026-04-23T07:19:35","slug":"simon-yauw","status":"publish","type":"us_portfolio","link":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/portfolio\/simon-yauw\/","title":{"rendered":"Simon Yauw"},"content":{"rendered":"","protected":false},"excerpt":{"rendered":"","protected":false},"author":8,"featured_media":12512,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"us_portfolio_category":[45],"class_list":["post-10687","us_portfolio","type-us_portfolio","status-publish","has-post-thumbnail","hentry","us_portfolio_category-new-template"],"acf":{"naam_van_het_proefschift":"Diclofenac-related Leakage of Experimental Anastomoses","samenvatting":"Wereldwijd moeten jaarlijks miljoenen mensen een darmoperatie ondergaan vanwege darmkanker of andere darmaandoeningen zoals de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa en diverticulitis. Na het verwijderen van het zieke darmdeel worden de overgebleven darmuiteinden vaak weer verbonden middels een darmnaad. Helaas treedt er gemiddeld in 6-14% van de gevallen een naadlekkage op. De gevolgen van deze gevreesde complicatie zijn enorm voor de pati\u00ebnt omdat het kan resulteren in abcessen, een buikvliesontsteking en zelfs overlijden. Daarnaast is er een grotere kans op terugkeer van de kanker en is de kwaliteit van leven op de lange termijn verminderd. De maatschappelijke impact is groot door een langer ziekteverzuim en een verdubbeling van de kosten als gevolg van meer re-operaties, meer Intensive Care opnames, langere ziekenhuisopnames en een groter aantal heropnames (1, 2). De ernstige gevolgen van naadlekkage zijn in de afgelopen decennia uitgebreid onderzocht, maar helaas heeft dit nog niet geleid tot een duidelijke afname van deze complicatie (3, 4). Een belangrijke reden is dat er nog onvoldoende bekend is over de ontstaanswijze van naadlekkage (3). Belangrijk doel van dit proefschrift is om de kennis van de normale en verstoorde darmnaadgenezing te vergroten om daarmee de incidentie en de gevolgen van naadlekkage te kunnen verminderen. We hebben specifiek gekeken naar de schadelijke effecten van een veel gebruikte perioperatieve pijnstiller (i.e. diclofenac) op dunne- en dikkedarmnaden.\n\nFysiologie van darmnaadgenezing: een complexe cascade van celreacties en ontstekings-mediatoren \u2013 Hoofdstuk 2\nOm de relevante celreacties die optreden tijdens een naadgenezing in kaart te brengen hebben we een literatuuronderzoek verricht. Hierbij werd geput uit kennis van studies over darmnaadgenezing en over andere vormen van wondgenezing zoals huid, bot en darmslijmvlies.\nDe darmwand bestaat uit meerdere lagen en de genezing hiervan, na beschadiging en na het maken van een darmanastomose, is complex. Er is een juiste interactie nodig tussen de bloedplaatjes, mestcellen, granulocyten, macrophagen, lymphocyten en fibroblasten die het weefsel infiltreren, en de cellen die al in het weefsel aanwezig zijn, zoals gladde spiercellen, epitheelcellen en mesenchymale stamcellen, maar ook neuronen, endotheelcellen, mesotheelcellen en talrijke immunologische cellen. Ontstekingactiviteit en eiwitafbrekende processen door deze cellen zijn nodig ter bescherming tegen pathogenen en om de weefselstructuur te herorganiseren, maar teveel van deze activiteit kan het weefselherstel weer verstoren. Voor een optimale genezing is het dus belangrijk dat de ontstekingsactiviteit op het juiste moment wordt afgerond en wordt overgegaan op proliferatieve processen die zorgen voor een sterk litteken. Dit is in de darm uitdagend omdat het proces verstoord kan worden door biologische factoren (bijvoorbeeld gal, darmenzymen en darmbacteri\u00ebn) en mechanische factoren (bijvoorbeeld darmperistaltiek en hoge intraluminale druk). Als bepaalde medicijnen of andere risicofactoren zorgen voor extra verstoring, dan kan dit het verschil maken tussen wel of geen naadlekkage.\nDe interacties tussen cellen kunnen aangrijpingspunten zijn voor behandelingen, bijvoorbeeld met groeifactoren of hormonen, maar deze interacties en systemen zijn nog onvoldoende begrepen om adequate en doelgerichte behandelstrategie\u00ebn te ontwikkelen.\n\nReview van experimenteel onderzoek op het gebied van naadlekkage: de kwaliteit en de rapportage van dierenstudies moet verbeteren \u2013 Hoofdstuk 3\nEr worden veel dierenstudies uitgevoerd op het gebied van naadlekkage, maar het is niet bekend wat de invloed hiervan is op de preventie en behandeling van naadlekkage in de kliniek. Omdat we volgens het actuele \u20183V\u2019 principe dierexperimenteel onderzoek waar mogelijk willen vervangen, verminderen en verbeteren, hebben we een systematische review verricht om de kwaliteit van dierenstudies op het gebied van naadlekkage te evalueren.\nEr werden in totaal 1.342 studies gevonden en het aantal publicaties nam vooral in het laatste decennium exponentieel toe. Van de 350 artikelen waarin experimentele therapie\u00ebn werden bestudeerd, rapporteerden 298 (85%) een positief effect op de naadgenezing. Aangezien er slechts een beperkt aantal van deze therapie\u00ebn wordt gebruikt of bestudeerd bij mensen, lijkt de vertaalbaarheid van uitkomsten van deze studies erg klein. Het viel op dat in gemiddeld 44.7% van de studies relevante studiemethoden en studieresultaten niet werden gerapporteerd. Het ging hierbij vooral om de beschrijving van de opgetreden naadcomplicaties (31.6%), perioperatief antibioticagebruik (75.7%), steriliteit aspecten van de operatieve procedure (83.4%) en toegepaste postoperatieve pijnstilling (91.4%). Naadlekkage werd alleen gerapporteerd als binaire uitkomstmaat (wel of geen lekkage), terwijl in de huidige literatuur wordt geadviseerd om lekkage ook te scoren aan de hand van de ernst en klinische consequenties (3, 5).\nHet percentage studies waarin gebruik werd gemaakt van randomisatie, blindering van de chirurg en blindering van degene die de uitkomst onderzoekt, is de laatste twee decennia iets toegenomen maar is met respectievelijk 62.4%, 4.9% en 8.5% nog altijd ruim onvoldoende. Deze systematische review laat zien dat diermodellen voor naadlekkage erg verschillen wat betreft diersoort, darmsegment, uitkomstmaat en methode om lekkage te induceren. In tegenstelling tot maatschappelijke en politieke doelstellingen neemt het aantal dierstudies naar naadlekkage elk jaar toe terwijl de kwaliteit van het gepubliceerde onderzoek matig blijft. Zowel de kwaliteit als de rapportage van de studies moet worden verbeterd om de impact van het experimentele onderzoek op de kliniek te vergroten.\n\nDiclofenac veroorzaakt lekkage in het ileum en de proximale dikke darm, maar niet in de distale dikke darm van de rat \u2013 Hoofdstuk 4\nMeerdere studies hebben aangetoond dat er een verhoogd risico is op naadlekkage wanneer er rondom de operatie non-steroidal anti-inflammatory drugs (NSAIDs) gebruikt worden (6-11). Daarbij is het nog onduidelijk in welke mate NSAIDs verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van lekkage, welke subtypen NSAIDs schadelijk zijn, wat de relevantie is van de toegediende dosis en de timing hiervan, en welk darmsegment het meest kwetsbaar is voor de effecten van NSAIDs.\nKlinische cohort studies over NSAID-gerelateerde naadlekkage hebben vooral groepen pati\u00ebnten die colorectale chirurgie ondergingen onderzocht (7, 8, 12). Uit eerdere experimenten van onze groep bij ratten bleek dat NSAIDs juist lekkage veroorzaken van ileumnaden en niet van distale colonnaden (6, 13). Hieruit ontstond de vraag wat het effect zou zijn op naden in het proximale colon. In dit darmdeel lijkt de darmwand meer op het distale colon, terwijl de darminhoud (vloeibaarheid, darmbacteri\u00ebn, galzouten) meer op het terminale ileum lijkt.\nIn Hoofdstuk 4 hebben we aangetoond dat diclofenac wel lekkage veroorzaakt in het proximale colon (73%), maar niet in het distale colon van ratten. Net als bij de ileumnaden ontstaan de meeste lekkages als diclofenac wordt toegediend vanaf de dag van operatie en neemt dit aantal af als de toediening wordt uitgesteld naar dag 1 en dag 2. De bevinding dat de genezing wel wordt verstoord in het ileum en proximale colon en niet in het distale colon suggereert dat de darminhoud in de proximale segmenten relevant is bij het ontstaan van een diclofenac-gerelateerde naadlekkage (14).\n\nHet oppervlakkig beschadigen van de darmserosa, ten behoeve van het stimuleren van inflammatie en adhesievorming, vermindert niet de diclofenac-gerelateerde naadlekkage \u2013 Hoofdstuk 5\nEnkele studies beschrijven dat NSAIDs de vorming van intraperitoneale adhesies onderdrukken (15-18). Dit fenomeen zou in theorie ook de darmnaadgenezing kunnen verzwakken. We hebben een rattenmodel ontworpen om te bestuderen of het stimuleren van de inflammatoire respons en de ontwikkeling van littekenweefsel rondom een proximale colonnaad de aan de diclofenac gerelateerde lekkage kan voorkomen.\nIn Hoofdstuk 5 hebben we deze inflammatoire en adhesieve processen uitgelokt door een mechanische interventie, zoals ook wordt gedaan in experimentele studies naar adhesievorming. De interventie bestond uit het oppervlakkig opschuren van de serosa aan de randen van de naad, vlak voordat de naad wordt gehecht. Histologische analyse liet zien dat dit in veel gevallen leidde tot vast en uitgebreid littekenweefsel, terwijl het weefsel losmazig bleef bij controle naden zonder voorbewerking. Dit resulteerde echter niet in een sterkere naad en ook niet in vermindering van naadlekkages. Het lijkt alsof de genezing en sterkte van de darmnaad dus niet afhangen van de verklevingen aan de serosale zijde van de naad. De schadelijke effecten van diclofenac op de naad kunnen niet worden tegengegaan door de gebruikte fibrose-inducerende technieken.\n\nDe uitscheiding van diclofenac via gal heeft een nadelige invloed op de genezing van ileumnaden \u2013 Hoofdstuk 6\nNSAIDs die worden geklaard door de lever (diclofenac, carprofen, celecoxib) veroorzaken meer lekkage dan de NSAIDs die voor het grootste deel worden uitgescheiden door de nieren (naproxen) (6, 13, 19). Meerdere studies schrijven ook NSAID-ge\u00efnduceerde dunne darmschade, die optreedt zonder operatie, toe aan de hepatogene klaring en biliaire uitscheiding van NSAIDs (20-27). Op grond hiervan vroegen we ons af of de verandering in de galsamenstelling door NSAID gebruik invloed heeft op het ontstaan van naadlekkage.\nIn Hoofdstuk 6 hebben we deze relevantie van de galsamenstelling onderzocht in 138 ratten en met gebruik van 72 ratten als galdonoren. Door het canuleren van de ductus choledochus werd de gal afgetapt en via een canule in het duodenum werd donorgal teruggegeven. Het lekkagepercentage was 28% als er \u2018diclofenac-gal\u2019 werd gegeven ten opzichte van 6% (p=0.089) wanneer er controlegal werd gegeven. Na orale toediening van diclofenac was er een 76% lekkage percentage als de ratten hun \u2018diclofenac-gal\u2019 terugkregen en dit percentage was 47% (p=0.127) als het werd vervangen door controle gal. Na intramusculaire toediening van diclofenac lekte 67% van de naden, er lekte 25% (p=0.060) als de gal volledig werd afgetapt. Als na intramusculaire toediening van diclofenac de gal eerst werd afgetapt en dan teruggeven was er 50% lekkage, en als het gal werd vervangen door controlegal dan was er 20% lekkage (p=0.117). Samenvattend was er een significant ernstigere lekkage waarneembaar in de groepen die \u2018diclofenac-gal\u2019 kregen in vergelijking met controle groepen. Met behulp van High Performance Liquid Chromatography en Liquid Chromatography Mass Spectrometry (LCMS) analyses toonden we aan dat de spiegels van diclofenac metabolieten in gal binnen twee uur na toediening pieken. Hieruit blijkt dat de veranderde galsamenstelling al kort na de diclofenac toediening de darm bereikt.\nDeze studie laat zien dat een veranderde galsamenstelling door diclofenac toediening de genezing van ileumnaden bij ratten verstoort. Er kon niet worden vastgesteld of deze verstoring komt door een veranderde galzoutsamenstelling, door de gemetaboliseerde vorm van diclofenac, of door de niet omgezette diclofenac in de darm.\n\nRemming van microbi\u00eble glucuronidase activiteit in de darm, om reactivatie van diclofenac metabolieten in de darm te voorkomen, vermindert diclofenac ge\u00efnduceerde naadcomplicaties bij ratten \u2013 Hoofdstuk 7\nUit experimentele studies blijkt dat reactivatie van de biliaire metaboliet diclofenac-acyl glucuronide door bacteri\u00eble glucuronidase activiteit in de darm leidt tot schade aan de dunne darmmucosa. De door Wallace et al. ontwikkelde Inh1, die glucuronidase activiteit blokkeert, voorkomt het ontstaan van de mucosale schade en ulcera (23, 28). In Hoofdstuk 7 hebben we in 90 ratten onderzocht of Inh1 ook naadlekkage kan voorkomen na toediening van diclofenac. Toediening van Inh1 kon lekkage niet voorkomen, resulteerde in een niet significante daling van 89% naar 44% (p=0.094) maar verminderde wel significant de ernst van de lekkages (p=0.029). Uit de LCMS analyse bleek dat de plasmaspiegels van diclofenac onveranderd waren bij toediening van Inh1. De bevinding dat een glucuronidase remmer naadcomplicaties vermindert, suggereert dat reactivatie van diclofenac-acyl-glucuronide in de darm schadelijk is voor de genezing van ileumnaden. Bij mensen is er humaan glucuronidase aanwezig tussen de darmvilli, maar wordt het grootste deel van dit enzym geproduceerd door darmbacteri\u00ebn. Dit suggereert een additionele rol van de darmflora in de pathophysiologie van naadlekkage door diclofenac.\n\nDarmchirurgie veroorzaakt een duidelijke verandering in de samenstelling en diversiteit van het microbioom, terwijl toediening van diclofenac hier geen duidelijk effect op heeft \u2013 Hoofdstuk 8\nOm de rol van de darmflora bij diclofenac-ge\u00efnduceerde naadlekkage verder te onderzoeken, hebben we in verschillende darmsegmenten onderzocht of en hoe het microbioom verandert door de operatie en door de toediening van diclofenac. Het blijkt dat alleen al de operatie zorgt voor significante veranderingen in het microbioom, zowel in het ileum, het proximale colon als het distale colon. Een korte kuur van diclofenac na de operatie leidde niet tot verdere veranderingen. In deze explorerende studie konden we geen effect van diclofenac aantonen op de samenstelling van de darmflora. Mogelijk maskeerde het grote effect van de operatie dat van de diclofenac. We hebben in deze studie niet onderzocht wat het effect is van diclofenac op de virulentie van darmbacteri\u00ebn. Bacteri\u00eble virulentie is een factor die in andere onderzoeken is gerelateerd aan naadlekkage. Uit de studie in hoofdstuk 8 kan worden geconcludeerd dat de samenstelling van het microbioom significant verandert als gevolg van een darmresectie en het aanleggen van een darmnaad.\n\nConclusie\nDit proefschrift bevat een overzicht van de verschillende cellulaire interacties die relevant zijn tijdens darmnaadgenezing en beschrijft waarom het proces van naadgenezing nog onvoldoende begrepen wordt. Er wordt beschreven dat de kwaliteit van experimenteel onderzoek naar darmnaadgenezing matig is en dat er vooral behoefte is aan betere rapportage en gebruik van betere methodes om bias te voorkomen.\nIn dit proefschrift wordt aangetoond dat de invloed van diclofenac op darmnaadgenezing verschilt per locatie in de darm en dat de uitscheiding van diclofenac via gal relevant is bij het ontstaan van naadcomplicaties in de rat. Een enterale interventie, gericht op het metabolisme van diclofenac moleculen door darmbacteri\u00ebn, vermindert de effecten van diclofenac.\nDeze nieuwe bevindingen dat luminale factoren en bijpassende interventies invloed hebben op de experimentele naadgenezing opent de weg naar toekomstig naadlekkage onderzoek gericht op luminale factoren. Een luminale factor van omvang is het microbioom en in dit proefschrift wordt in detail beschreven dat darmchirurgie hierin significante veranderingen teweeg brengt. Een specifieke samenstelling van de darmflora, of veranderingen hierin, kunnen de darmnaad kwetsbaarder maken voor lekkage in het algemeen, of specifiek bij gebruik van diclofenac, hoewel dit laatste niet door ons kon worden aangetoond.","summary":"The burden of anastomotic leakage (AL) has been well described in literature and includes higher morbidity and mortality, greater recurrence of cancer and increased costs (1, 2). This burden has not decreased significantly in the past decades (3, 4). An important reason is that leakage aetiology is still poorly understood (3). In this thesis we aimed to increase knowledge of (disturbed) healing of small- and large-bowel anastomoses. We investigated the detrimental effects of NSAIDs\u2014common painkillers used in gastro-intestinal surgery\u2014on ileal and right-colonic anastomoses.\n\nAnastomotic healing physiology: a complex cascade of cellular reactions and inflammatory mediators \u2013 Chapter 2\nA literature review was conducted to provide an overview of relevant cellular interactions occurring during the anastomotic healing cascade. Knowledge of anastomotic healing was combined with knowledge of other types of wound healing (e.g. skin, bone and intestinal ulcers) and general cellular physiology.\nThe healing of multilayer intestinal tissue is highly complex and requires an interplay among infiltrating platelets, mast cells, granulocytes, macrophages, dendritic cells, lymphocytes, fibroblasts with resident inflammatory cells, mesenchymal stem cells, neurons, endothelial, epithelial, mesothelial and smooth muscle cells. It is essential for optimal tissue repair that all cell types exert the right action at the right time. Inflammatory activity, involving proteolytic processes, is necessary for host defence and tissue reorganisation. The subsequent cessation of inflammation and timely transition to proliferation is a physiologically challenging process. Biological substances, e.g. bile, bacteria and inflammatory products, and mechanical forces such as peristalsis and intraluminal pressure interact with the fresh anastomosis from the beginning and greatly challenge the balance and order of cellular reactions. When certain drugs or risk factors additionally disturb cellular and tissue processes, the anastomosis becomes at risk for leakage.\nCellular and molecular mechanisms might be potential therapeutic targets, e.g. growth factors or hormones, but the complexity and interaction of the different systems impedes the development of such therapeutic strategies.\n\nReview of experimental research on anastomotic leakage: reporting and quality of animal studies must improve \u2013 Chapter 3\nNumerous animal studies on intestinal anastomosis have been conducted with regard to different aspects of healing and leakage. However, the clinical impact of animal data on diagnosis, prevention and treatment of AL is unknown. Therefore, and in view of the current societal call to replace, reduce and refine animal experiments, we conducted a systematic review to examine the quality of animal research related to anastomotic healing and leakage. A total of 1,342 animal studies on AL were identified, with exponential publication rates in recent years. Of 350 articles studying experimental therapies, 298 (85%) reported a positive effect on anastomotic healing. Given the very small number of these therapies are studied or used clinically, the translatability and quality of these studies is questionable. On average, 44.7% of relevant study characteristics were not reported, in particular details on anastomotic complications (31.6%), use of antibiotics (75.7%), sterile surgery (83.4%) and postoperative analgesia (91.4%). Anastomotic complications were only reported as a binary outcome (leak or no leak), despite current advice to grade AL according to severity and clinical consequences (3, 5).\nThe proportion of studies with randomisation, blinding of surgery and blinding of primary outcome assessment has increased in the past two decades but remains insufficient, being included in only 62.4%, 4.9% and 8.5% of publications respectively.\nThis systematic animal review demonstrates that animal models vary widely in terms of species, method to compromise healing, intestinal segment and outcome measure used. Animal research on AL is of poor quality and is increasing in volume each year, which contradicts societal aims. Both reporting and study quality must improve for better transfer of animal data to the clinic.\n\nDiclofenac causes leakage in the ileum and proximal colon, but not in the distal colon of rats \u2013 Chapter 4\nMultiple studies have reported an association between NSAID use and AL, which raises questions about the causal role of NSAIDs in leakage (6\u201311). Important questions include the proportion of leak rate attributable to NSAIDs, how relevant the NSAID subtype, dose and time of administration are, and which bowel segment is most susceptible for NSAID-induced AL.\nClinical cohort studies on NSAID-related leak risk mostly address colorectal surgery (7, 8, 12). Rat experiments by our group showed that NSAIDs disturb healing of the ileal, and not the distal, colonic anastomosis (6, 13). We were interested in the proximal colon, whose morphology and susceptibility to pharmacologic NSAID activity is thought to be more similar to the distal colon, but intraluminal content, i.e. liquidity, microflora and bile acids, corresponds more to the terminal ileum.\nIn Chapter 4 we demonstrated that diclofenac causes leakage in the proximal colon (73%) and not in the distal colon of rats. Similar to ileum anastomoses, healing of proximal colon anastomoses is most disturbed when diclofenac is administered from the day of surgery. Leakage rates were lower if administration was postponed to postoperative day 1 or day 2. Disturbed healing of the ileal and proximal colonic anastomoses and not the distal anastomosis suggests a role for bowel content in diclofenac-induced leakage (14).\n\nInitiation of inflammation and adhesion by serosal edge abrasion before anastomosing does not attenuate leakage by diclofenac \u2013 Chapter 5\nSeveral studies report that NSAIDs suppress intraperitoneal adhesion formation, a phenomenon that theoretically weakens intestinal anastomoses (15\u201318). We designed a rat model of proximal colon anastomosis enhancing the inflammatory response and promoting anastomotic scar tissue to study if increased fibrosis can prevent diclofenac-induced leakage. In Chapter 5 we evoked an additional inflammatory and adherent process by surgically abrading the serosal edges of the anastomosis before restoring continuity. Explorative histologic analysis showed that serosal abrasion leads to dense scar formation at the serosal edge, compared to loose connective tissue in control anastomoses. However, this dense scar formation did not result in a stronger anastomosis, nor did it reverse diclofenac-induced leakage. This finding suggests that anastomotic healing and strength does not depend on adhesion formation on the outside of the anastomosis. It seems that the detrimental effect of diclofenac on anastomotic healing cannot be reversed by fibrosis-inducing measures, possibly due to the magnitude of this effect.\n\nBiliary excretion of diclofenac affects healing of ileum anastomosis in rats \u2013 Chapter 6\nNSAIDs that are excreted by the hepatic route (diclofenac, carprofen, celecoxib) cause more leakage than those excreted by the renal route (naproxen) (6, 13, 19). NSAID-induced intestinal mucosal damage has been attributed to biliary excretion of NSAIDs (20\u201327). We hypothesised that altered bile from NSAIDs is associated with leakage.\nIn Chapter 6 the relevance of bile composition in diclofenac-induced leakage was studied in 138 rats and 72 rats as bile donors. By cannulating the bile duct and duodenum of rats, bile was drained and replaced by bile from donor rats. The leak rate was 28% after replacement of bile with \u2018diclofenac bile\u2019 from donors, and 6% (p=0.089) after replacement with control bile. After oral diclofenac administration, leakage was 76% with \u2018diclofenac bile\u2019 and 47% (p=0.127) when bile was replaced with control bile. After intramuscular diclofenac administration 67% leaked, and 25% (p=0.060) leaked when bile was drained. After intramuscular diclofenac, 50% leaked when bile was first diverted and then returned, and 20% leaked (p=0.117) if bile was replaced with control bile. Taken altogether, leakage was significantly more severe in \u2018diclofenac bile\u2019 groups. HPLC and LCMS analyses demonstrated that diclofenac metabolite levels in bile peak within two hours, indicating that altered bile reaches the intestine shortly after diclofenac administration. The results demonstrated that altered bile composition by diclofenac administration disturbs the healing of ileal anastomoses in rats. It was not determined whether metabolites or diclofenac itself are responsible for the effects observed.\n\nMicrobial glucuronidase inhibition, aimed at preventing reactivation of diclofenac metabolites in the gut, reduces diclofenac-induced anastomotic complications in rats \u2013 Chapter 7\nIn experimental studies on diclofenac-induced small-intestinal mucosal damage it has been shown that reactivation of the biliary metabolite diclofenac-acyl-glucuronide by bacterial glucuronidase in the gut harms intestinal mucosa. The beta-glucuronidase inhibitor Inh1, developed by Wallace et al., prevented this toxic process. We aimed to test the glucuronidase inhibiting effect on anastomotic healing. In Chapter 7, 90 rats were used to study whether Inh1 reduces AL in diclofenac-treated rats. Administration of Inh1 resulted in a drop in the leak rate from 89% to 44% (p=0.094) and significantly reduced leak severity (p=0.029). Analysis of plasma levels of diclofenac revealed no changes in groups receiving Inh1. The finding that administration of a glucuronidase inhibitor reduces signs of leakage indicates that cleavage of diclofenac-acyl-glucuronide metabolites to diclofenac aglycones disturbs ileal anastomotic healing. Next to the human glucuronidase located in the brush border of the gut, \u03b2-glucuronidase is mainly produced by bacteria. In this way gut microbes are involved in the pathology of diclofenac-induced leakage.\n\nSurgical stress causes a marked shift in microbial composition and diversity, though effects of diclofenac were not observed \u2013 Chapter 8\nWe wanted to further investigate the gut bacteria in diclofenac-induced AL. For this reason we explored the extent to which the operation and diclofenac administration alter the microbiome. It appeared that the surgery alone drastically alters the microbiome in different segments of the gut. A short period of postoperative diclofenac administration did not lead to additional changes. Either diclofenac has no effect on the diversity of the microbiome, or the effect was masked by an overwhelming effect of the surgery. In this study we did not determine a change in virulence of the microbiome which has been associated with AL in other animal models. It was concluded that the microbiota composition significantly changes following bowel resection and anastomosis. This study did not further contribute to understanding the diclofenac effect on AL, such as mediation via microbiome changes.\n\nConclusions\nThis thesis provides an overview of relevant cellular interactions occurring during anastomotic healing, illustrating that this process is insufficiently understood. It demonstrates that experimental research on AL is of low to moderate quality. In particular there is a need for better reporting of study methods and outcomes and for more profound measures to reduce bias.\nThe thesis provides evidence that diclofenac affects anastomotic healing differently along the gut, and that biliary excretion of diclofenac is relevant in causing anastomotic complications. A luminal intervention targeted at microbial metabolism of diclofenac molecules reduces the effect of diclofenac. The finding that such luminal factors impact anastomotic healing is novel and provides directions for future research and clues for targeted treatment.\nSurgical stress, such as bowel resection and anastomosis, significantly alters the gut microbiome. Specific changes in this major luminal factor may make anastomoses more susceptible to leakage in general, or specifically when diclofenac is used, although the latter suggestion could not be demonstrated in this thesis.","auteur":"Simon Yauw","auteur_slug":"simon-yauw","publicatiedatum":"11 oktober 2018","taal":"EN","url_flipbook":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/ebook\/simonyauw?iframe=true","url_download_pdf":"https:\/\/ebook.proefschriftmaken.nl\/download\/954b540e-dc89-4b53-8d33-c88e6613a17d\/optimized","url_epub":"","ordernummer":"FTP-202604091439","isbn":"978-94-93019-27-0","doi_nummer":"","naam_universiteit":"Radboud Universiteit","afbeeldingen":12512,"naam_student:":"","binnenwerk":"","universiteit":"Radboud Universiteit","cover":"","afwerking":"","cover_afwerking":"","design":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/10687","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/us_portfolio"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/users\/8"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=10687"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/10687\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":10690,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio\/10687\/revisions\/10690"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media\/12512"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=10687"}],"wp:term":[{"taxonomy":"us_portfolio_category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.proefschriftmaken.nl\/en\/wp-json\/wp\/v2\/us_portfolio_category?post=10687"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}