Publicatiedatum: 3 juni 2025
Universiteit: Vrije Universiteit Amsterdam

Heterogeneity in schizophrenia spectrum disorders

Samenvatting

Depressies komen veel voor bij mensen met SSS en hebben een aanzienlijke invloed op hun gezondheid en welzijn. Tevens hebben depressies een negatieve invloed op het ziekteverloop en de langere termijn uitkomsten. In onderzoek bij mensen met depressieve stoornissen is een duidelijke verhoogde prevalentie aangetoond van metabole afwijkingen en een verhoogd risico op het metabole syndroom. Er is al langer bekend dat niet elk individu met een depressieve stoornis dezelfde samenstelling van depressieve symptomen heeft. Mogelijk dat dat ook verklaart waarom sommige mensen met een depressieve stoornis een hogere kans hebben op het metabole syndroom dan andere patiënten. Verschillende depressiesubtypes kunnen verschillen in hun invloed op het risico op het metabole syndroom. Zo werd in onderzoek betreffende depressieve stoornissen gezien dat het risico op het metabole syndroom met name evident is bij mensen met zogenoemde ‘energie gerelateerde symptomen’. Deze symptomen beschrijven veranderingen in iemands energiehuishouding, zoals meer slapen, meer eten, minder bewegen en het ervaren van een gevoel van moeheid. Het tweede deel van dit proefschrift richt zich daarom op de vergelijking van het symptoom profiel tussen mensen in de leeftijd van 18 tot 50 jaar, met een depressieve stoornis en met mensen met een schizofrenie spectrumstoornis, en onderzoekt de mogelijke verbanden tussen specifieke depressieve symptoomdomeinen en het metabole syndroom.

Deel 1: Het beloop en voorspellers van symptomatische remissie en subjectieve kwaliteit van leven

In hoofdstuk 2 gebruikten we de data van 77 patiënten van de SOUL-studie om het 5-jaars beloop van symptomatische remissie te onderzoeken. Bij 56 patiënten die op het eerste meetmoment niet voldeden aan de gebruikte criteria van symptomatische remissie werden ook voorspellers van een gunstig beloop van symptomatische remissie onderzocht. De gemiddelde leeftijd van de geïncludeerde patiënten was 66 jaar. We toonden aan dat gedurende de 5 jaar een aanzienlijk deel van de patiënten (26%) een gunstig beloop lieten zien. Bij 4% van de patiënten zagen we een verslechtering over de tijd. Een deel van de patiënten (47%) was stabiel in het niet voldoen aan de criteria van symptomatische remissie, terwijl 23% tijdens beide meetmomenten wel voldeden aan de symptomatische remissie criteria. We vonden ook dat twee factoren, gemeten tijdens het eerste meetmoment, de kans op een verbetering van de symptomatische remissie status significant vergroten. Deze factoren waren het hebben van een lagere positieve symptoom score en het hebben van een partner.

In hoofdstuk 3 gebruikten we de data van 75 patiënten van de SOUL-studie om het 5-jaars beloop van subjectieve kwaliteit van leven (SQoL) te onderzoeken. Deze patiënten hadden een gemiddelde leeftijd van 66 jaar. Omdat de gebruikte SQoL schaal (in dit geval de Manchester Short Assessment of Quality of Life (MANSA)) meerdere levensdomeinen beschrijft, gebruikte we een factor analyse om statistische subdomeinen van de MANSA te kunnen onderscheiden. Hierdoor konden we ook het 5-jaars beloop van deze subdomeinen beschrijven, en kijken naar factoren die van invloed zijn op hoe patiënten met een SSS hun kwaliteit van leven beoordelen. We toonden aan dat 72% van de onderzochte patiënten stabiel zijn in hun beoordeling van SQoL. Wanneer wij SQoL beschreven als een verander score, liet 36% een klinisch relevante verbetering zien en 20% een verslechtering gedurende de 5 jaar. We konden drie subdomeinen onderscheiden, waarbij vooral de subdomeinen ‘persoonlijke omstandigheden’ en ‘dagelijks leven’ verbeterden. Oudere leeftijd bij aanvang hing samen met grotere SQOL-verandering, terwijl een hogere begin-SQOL-score juist minder verandering voorspelde. De resultaten, vergelijkbaar met een eerdere studies, tonen aan dat, hoewel verslechtering mogelijk is, verbetering in SQOL voor een aanzienlijk aantal patiënten haalbaar is.

Deel 2: Een vergelijking van het depressieve symptoom profiel van mensen met een depressieve stoornis vergeleken met het profiel van mensen met een schizofrenie spectrumstoornis, en het verband tussen depressieve symptoomdomein en het metabole syndroom

In hoofdstuk 4 vergeleken wij het depressieve symptoom profiel van 449 mensen met een SSS en 816 mensen met een depressieve stemmingsstoornis (DSS), en vergeleken die met 417 mensen zonder een van beide aandoeningen. De onderzochten personen waren 18 tot 50 jaar oud. De mensen met een SSS waren afkomstig van de GROUP-studie, terwijl de mensen met een DSS en de mensen zonder een aandoening afkomstig waren van de NESDA-studie. We vergeleken de ernst van depressieve symptomen tussen de drie groepen, maar we keken ook naar de distributie van een stemming/cognitie domein en een somatisch/vegetatief domein. We gebruikte voor het meten van de depressieve symptomen de Quick Inventory of Depressive Symptomatology- Self Report (QIDS-SR). Bij de mensen met een SSS keken we ook naar de verbanden tussen bepaalde klinische en demografische factoren en de ernst van depressieve symptomen. We toonden aan dat 60% van de geïncludeerde mensen met een SSS substantiële depressieve symptomen ervaarde. Het verschil tussen mensen met een DSS en mensen met een SSS was het grootst voor het stemming/cognitie domein, terwijl dit verschil tussen beide patiënten groepen aanzienlijk kleiner was voor de somatische/vegetatieve symptomen. Mensen met een SSS lijken wat betreft de somatische/vegetatieve depressieve symptomen dus meer op mensen met een DSS vergeleken met stemming/cognitie symptomen. Bij de geïncludeerde mensen met een SSS zagen we dat een lager sociaal functioneren, mannelijk geslacht, het gebruik van benzodiazepine en het hebben van meer positieve symptomen geassocieerd was met ernstigere depressieve symptomen. We zagen ook dat het gebruik van een antipsychoticum en van een antidepressivum geassocieerd was met meer somatische/vegetatieve symptomen.

In hoofdstuk 5 onderzochten we de verbanden tussen energie-gerelateerde depressieve symptomen enerzijds, en melancholische depressieve symptomen anderzijds, en het metabool syndroom in 513 mensen met een SSS. De geïncludeerde mensen hadden een gemiddelde leeftijd van 30,5 jaar, en de data waren afkomstig van de GROUP-studie. Beide depressieve symptoom dimensies werden samengesteld gebruik makend van de QIDS-SR en de Calgary Depression Scale for Schizophrenia. Van de geïncludeerde mensen met een SSS had 17% klinisch relevante depressieve symptomen, en 33% voldeed aan de criteria van het metabool syndroom. We toonden aan dat een hogere ernst van energie-gerelateerde depressieve symptomen significant geassocieerd was met de aanwezigheid van het metabool syndroom als ook met de ernst van het metabool syndroom. We vonden geen verbanden tussen het metabool syndroom en het melancholische depressieve symptoom domein. In post-hoc analyses toonden we aan dat vooral het symptoom van te veel slapen was geassocieerd met de ernst van het metabool syndroom bij mensen met een SSS.

In hoofdstuk 6 gaven we een overzicht over het metabool syndroom in psychiatrische patiënten, waarbij we verscheidende onderliggende mechanismes beschreven alsmede implicaties voor de klinische praktijk en toekomstig onderzoek. We kwamen daarin tot de conclusie dat mensen met een SSS, DSS, maar ook met bipolaire en angststoornissen, of een post-traumatische stress-stoornissen een verhoogd risico hebben om het metabool syndroom (MetS) te ontwikkelen, door een complexe combinatie van factoren. Dit risico kan veroorzaakt worden door de psychiatrische aandoening zelf, een gevolg ervan zijn, of voortkomen uit gedeelde onderliggende oorzaken. Factoren zoals bijwerkingen van psychofarmaca, een ongezonde leefstijl, gebrekkige medische zorg en genetische kwetsbaarheid spelen hierin een rol. Omdat het metabool syndroom zowel de lichamelijke als psychische gezondheid negatief beïnvloedt, is een gecombineerde behandeling van mentale en metabole problemen noodzakelijk. Een combinatie van medicatie (aanpassingen) en gedragsinterventies kan helpen om de ziektebelasting te verminderen. Toekomstig onderzoek is nodig om de onderliggende mechanismen en de effectiviteit van bepaalde behandelingen beter te begrijpen.

In hoofdstuk 7 bespraken we onze belangrijkste bevindingen en plaatsten deze in het licht van de bestaande literatuur. We bediscussieerde de methodologische sterke en zwakke punten van dit proefschrift. Daarnaast stelden we hypothesen voor welke mogelijk een verklaring zijn van onze bevindingen, en deden aanbevelingen voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek om de kennis aangaande de onderzochten onderwerpen uit te kunnen breiden. Daarnaast deden we aan de hand van onze bevindingen aanbevelingen voor de klinische praktijk.

Concluderend toonde we in deel I van dit proefschrift aan dat het langere termijn beloop van een SSS bij ouderen mensen een heterogeen beloop kent, en dat een verbetering van zowel symptomatische remissie als subjectieve kwaliteit van leven mogelijk is op oudere leeftijd, ondanks het voortduren van psychotische symptomen bij een groot deel van de ouderen met een SSS. De behandeling dient ook gericht te zijn op levenskwaliteit, met aandacht voor zowel psychische als ook lichamelijke gezondheid. Daarbij kunnen psychotherapeutische en leefstijlinterventies een positief effect hebben op het functioneren en het welzijn van ouderen met een SSS. Bij ouderen met een SSS, die tevens te maken hebben met sociale isolatie, lijkt er sprake te zijn van synergisme, waardoor ondersteuning bij sociaal functioneren voor veel individuen noodzakelijk blijft. Een positieve houding ten opzichte van een SSS op latere leeftijd kan het stigma verminderen en bijdragen aan betere behandeluitkomsten.

Concluderend toonde we in deel II van dit proefschrift aan dat mensen met een DSS en een SSS wat betreft het voorkomen van somatische/vegetatieve depressie symptomen gelijkenissen vertonen. In de onderzochte groep mensen met een SSS kwam het symptoom van overmatig slapen zelfs meer voor dan bij de mensen ment een DSS. Daarnaast toonde we aan dat mensen met een SSS die atypische, energie gerelateerde depressieve symptomen ervaren, een hoger risico hebben op het metabool syndroom. In post-hoc analyses vonden we dat vooral overmatig slapen was geassocieerd met het risico op het metabool syndroom. De aanwezigheid van atypische, energie gerelateerde depressieve symptomen bij mensen met een SSS kan een verklaring zijn waarom sommige patiënten wel, en sommige patiënten geen verhoogd risico hebben op het metabool syndroom. Daarnaast is het mogelijk dat dergelijke atypische, energie gerelateerde depressieve symptomen een uiting zijn van ontregelingen van afweer- en stofwisselingssystemen van het lichaam.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten